Verdachte heeft geen melding gedaan van zijn voornemen om grond op het gebied toe te passen, terwijl hij daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit wel was gehouden

Rechtbank Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2215

Aan verdachte is overtreding van artikel 37 lid 1 Besluit bodemkwaliteit en artikel 13 Wet bodembescherming ten laste gelegd.

Vrijspraak feit 2

Artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als volgt: “ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of die aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.”

De Wbb stelt regels om de bodem te beschermen in het belang van de bescherming van het milieu. Artikel 13 Wbb betreft een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien de veroorzaker weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem kan worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge artikel 13 Wbb de plicht voor de veroorzaker om, als al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht.

Het gaat bij artikel 13 Wbb derhalve om de vraag of de handelingen, in dit geval het toepassen van grond, bodemverontreiniging en/of aantasting kán veroorzaken.

Het voorgaande betekent dat verdachte in de eerste plaats zich ervan dient te vergewissen dat door dat handelen de bodem niet verontreinigd zou kunnen worden. Ten tweede diende verdachte er na het toepassen van de grond op de bodem er alles aan te doen om – na de ontdekking van de verontreiniging – de gevolgen van de verontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

Eerste zorgplicht

De eerste zorgplicht ziet op twee componenten: de toe te passen grond en de bodem waarop de grond wordt toegepast. Uit onderzoek voorafgaand aan het toepassen van de grond bleek dat de toe te passen grond de kwaliteit ‘Wonen’ bezat. Vervolgens diende verdachte zich ervan te vergewissen dat door het toepassen van de partij grond van de kwaliteit ‘Wonen’ de bodem niet verontreinigd zou worden. In dat kader overweegt de rechtbank dat uit het verhoor van verdachte van 19 juni 2012 volgt dat de verantwoordelijk ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, de heer betrokkene, aan verdachte heeft meegedeeld dat de bodem waarop de grond toegepast zou worden industrieterrein was en dat daarom de grond met de kwaliteit ‘Wonen’ toegepast mocht worden. Betrokkene heeft dit tijdens zijn verhoor van 29 mei 2012 bevestigd. De rechtbank is, gelet op de mededeling van de ambtenaar van de gemeente Rotterdam, van oordeel dat verdachte in voldoende mate de eerste zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming heeft vervuld.

Tweede zorgplicht

Voor beantwoording van de vraag of verdachte heeft voldaan aan tweede zorgplicht die uit artikel 13 van de Wet bodembescherming voortvloeit – of na de verontreiniging van de bodem al het noodzakelijke is gedaan – is van belang of de bodem ook daadwerkelijk is verontreinigd door het handelen van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten tijde van het toepassen van de grond door verdachte op 18 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 gold het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van voornoemd besluit mocht de toe te passen grond de maximale waarden die gelden voor de daar geldende bodemfunctieklassen ‘Achtergrondwaarden’ (artikel 56), ‘Wonen’ en ‘Industrie’ (artikel 59) niet overschrijden. In voornoemde periode was evenwel door het bevoegd gezag nog geen gebiedskaart ten aanzien van gebied, waartoe adres 2 en adres 3 behoren, met daarop bodemkwaliteitsklassen vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit voorziet in een dergelijke situatie en schrijft dan voor dat de bodemkwaliteitsklasse wordt vastgesteld door de toepasser. Uitgangspunten daarbij zijn de waarden van het gebied zoals die blijken uit de toen geldende Nota Actief bodem- en Bouwstoffenbeheer 2002 (hierna: Nota van 2002).

In het aanvullend proces-verbaal AH-104 van 23 januari 2014 komt verbalisant tot de conclusie dat het gebied op basis van de waarden zoals genoemd in de Nota van 2002 de kwalificatie ‘Industrie’ zou krijgen. Deze Nota was (uiterlijk) geldig tot 16 april 2012, derhalve tot na de ten laste gelegde periode. Het feit dat de ‘Ontwerpnota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam’, die pas in 2013 door het bevoegd gezag is vastgesteld, de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde toekent aan het gebied, doet daar niet aan af. Op basis van voornoemd proces-verbaal kan voorts worden vastgesteld dat de waarden van de door verdachte toegepaste grond niet de maximale waarden overschrijden die gelden voor ‘Industrie’ of ‘Wonen’. . Nu voor de ontvangende bodem in de ten laste gelegde periode de waarde ‘Industrie’ gold, kan niet gezegd worden dat deze bodem door het handelen van verdachte is verontreinigd.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft gehandeld. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit haar tenlastegelegde feit.

Gezien het voorgaande behoeven de ter terechtzitting door de raadsman gevoerde verweren geen bespreking.

Feit 1

Over de feiten bestaat geen discussie. Verdachte heeft in opdracht van de gemeente Rotterdam in de periode van 18 januari 2012 tot en met 20 januari 2012 2.676m3 grond toegepast te Rotterdam zonder dat het voornemen daartoe ten minste vijf werkdagen tevoren was gemeld aan het bevoegde gezag.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in opdracht van de gemeente Rotterdam handelde en dat daarom niet verdachte maar de gemeente Rotterdam als toepasser in de zin van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit aangemerkt dient te worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit wordt onder toepassen verstaan: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond, alsmede het laten verrichten daarvan. Oftewel, er kunnen meerdere toepassers zijn die op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit verplicht zijn om een voornemen tot het toepassen van grond binnen vijf dagen te melden. Artikel 4, vijfde lid, van het Besluit bodemkwaliteit bepaalt kort gezegd dat als een van de toepassers een melding doet, de melding voor alle toepassers geldt.

In onderhavige situatie bestond aldus voor zowel de gemeente Rotterdam als voor verdachte een eigen verantwoordelijkheid en verplichting om het voornemen te melden. Verdachte noch de gemeente Rotterdam hebben evenwel tevoren een melding gedaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging geen melding heeft gedaan. Immers, ieder van de toepassers heeft een eigen verantwoordelijkheid om de melding te doen.

De rechtbank acht voorts bewezen dat de Grondbank het feit opzettelijk heeft gepleegd. In dit verband geldt dat voor het bewijs van opzet in het economisch strafrecht kleurloos opzet voldoende is, hetgeen betekent dat het voor de beoordeling van dit feit niet van belang is of verdachte wel of niet wist dat hij de melding moest doen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte grond heeft toegepast zonder voorafgaande een melding te doen overeenkomstig artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit.

Verontschuldigbare rechtsdwaling?

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van verontschuldigbare rechtsdwaling omdat de verdachte handelde op basis van een onjuist advies van het bevoegd gezag.

Dit verweer treft geen doel. Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. Daarbij kan van belang zijn dat de verdachte is afgegaan op een in redelijkheid vertrouwenwekkend advies over de straffeloosheid van het gedrag.

Het feit dat de gemeente Rotterdam de opdrachtgever was, ontslaat verdachte niet van haar wettelijke verplichting om vijf dagen voorafgaand aan het voornemen van het toepassen van de grond dit aan het desbetreffende bevoegde gezag (zijnde het meldpunt bodemkwaliteit) te melden. Dat het bevoegde gezag onderdeel uitmaakt van de gemeente Rotterdam doet daar niets aan af. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat er gemeld moest worden maar dat omdat ook de gemeente Rotterdam en dus het bevoegd gezag betrokken was bij de toepassing, hij er van uit ging dat hij niet meer hoefde te melden. Het feit dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente de melding zou doen dan wel dat melding niet langer nodig was kan echter geen gerechtvaardigd beroep op rechtsdwaling doen ontstaan, nu verdachte had moeten verifiëren of die melding ook daadwerkelijk was gedaan dan wel of het niet langer noodzakelijk was dat er gemeld zou moeten worden.

Bewezenverklaring

Het opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 12a van de Wet bodembescherming, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, als professionele speler op het gebied van grondwerkzaamheden, zich bij zijn werkzaamheden onvoldoende heeft bekommerd om de milieuvoorschriften.

De rechtbank ziet in de door verdediging aangevoerde omstandigheden - het handelen van de gemeente Rotterdam en de onduidelijkheid van de complexe regelgeving -, geen aanleiding tot strafvermindering. Wel ziet de rechtbank in de omstandigheid dat verdachte van feit 2 wordt vrijgesproken, aanleiding om een lagere geldboete op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een deel van de geldboete voorwaardelijk worden opgelegd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000 waarvan € 2.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF