Veroordeling voor asbest gerelateerde feiten en valsheid in geschrifte

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153

Aan verdachte is een zestal asbest gerelateerde feiten tenlaste gelegd alsmede valsheid in geschrifte.

Geldigheid van de dagvaarding

Op de in de pleitnota weergegeven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten nietig moet worden verklaard omdat de aan verdachte verweten gedraging telkens zo ruim en weinig concreet is geformuleerd dat de dagvaarding ten aanzien van die feiten strijdig is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij zowel het onder 1 als het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit worden concrete data en concrete feitelijke handelingen vermeld, die door verdachte zelf zouden zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onder 1 en onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten daarmee voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en voldoet de dagvaarding aan de daaraan door artikel 47 van de Wet op de economische delicten in samenhang met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat zij, uit de wijze waarop door en namens verdachte de verdediging is gevoerd, afleidt dat het voor verdachte en zijn raadsman glashelder was wat verdachte werd verweten.

Oordeel rechtbank 

Feit 1

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan adres 2 te Maarheeze. Deze inrichting waarvoor deze vergunning is verleend valt onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning is een aantal voorschriften gekoppeld.

Een deel van die voorschriften heeft betrekking op de wijze waarmee met asbesthoudend materiaal moet worden omgegaan. Meer concreet is daarover in hoofdstuk 14.4 van de voorschriften het navolgende bepaald.

14.4.1: Asbest(houdend) afval dient onmiddellijk te worden verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof ver- pakkingsmateriaal (...).

14.4.5: De afgesloten container of opslagplaats zoals bedoeld in de voorschriften waarin asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet op duidelijke wijze van onderstaande aanduidingen zijn voorzien: “Asbest- houdend afval” en “Bij ondeskundige handeling kan een voor de gezondheid schadelijke stof vrijkomen” en “Zakken en container gesloten houden”.

Op 18 maart 2009 bevindt verbalisant 1 zich op adres 2 te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Op het buitenterrein van die locatie vindt opslag van afvalstoffen plaats. Bij nader onderzoek ziet verbalisant 1 op het buitenterrein een blauwe afvalcontainer staan. Hij ziet dat op deze afval- container geen asbestgevaaraanduiding is geplaatst. Ook ziet hij dat in die afvalcontainer opslag van onverpakt materiaal, bestaande uit golfplaten en stukken van gebruikte rookkanalen plaatsvond. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s gemaakt.

Nadat de getuige 1 foto 3, pag. 2014, is getoond bevestigt deze dat de containers er bij hebben gestaan zoals verbalisant 1 heeft waargenomen en dat dit materiaal van verdachte was.

Van het in de afvalcontainer aangetroffen materiaal heeft verbalisant 1 monsters genomen. Deze monsters heeft hij ter analyse aangeboden aan bedrijf 3. Bedrijf 3 heeft de door verbalisant 1 toegezonden monsters onderzocht. Als resultaat van dit onderzoek heeft bedrijf 3 vastgesteld dat het rookkanaal 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat, dat een van de golfplaten 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) en 2-5% hechtgebonden crocidoliet (blauw asbest) bevat en dat een andere golfplaat 10-15% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat.

Op 8 april 2009 is persoon 1 over deze constateringen gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze is. Ten tijde van haar verhoor had zij dit perceel aan bedrijf 4 verhuurd. De eigenaar van dit sloopbedrijf is – aldus persoon 1 – verdachte. Met de bedrijfsvoering van bedrijf 4 bemoeit persoon 1 zich niet. Deze verklaring heeft zij bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2013 bevestigd. Bij dat verhoor heeft zij verder verklaard dat verdachte de milieuvergunning heeft aangevraagd, dat verdachte alles regelde en dat hij op het adres 2 de dienst uitmaakte.

Verdachte zelf heeft eveneens verklaard de vergunning te hebben aangevraagd, samen met zijn secretaresse, en dat hij dit heeft gedaan op naam van persoon 1.

De verklaring van persoon 1 wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 1. Hij heeft verklaard dat verdachte alle beslissingen nam, dat verdachte de leidinggevende was en dat verdachte alles regelde. Ook getuige 2, werkzaam bij het bedrijf 5, heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten waar hij verklaart dat verdachte altijd zijn aanspreekpunt was voor zaken met betrekking tot het perceel adres 2 te Maarheeze. Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op het perceel adres 2 te Maarheeze.

Ook heeft verdachte bij zijn verhoor door de politie nog verklaard dat in de blauwe container die op dit terrein van het adres 2 te Maarheeze stond, op 18 maart 2009 asbest is aangetroffen. Daarvan is bedrijf 4 tot het faillissement op 19 december 2007 eigenaar geweest. Verdachte was de enig bestuurder van bedrijf 4. De in de afvalbak aangetroffen asbest is afkomstig van verschillende locaties van verschillende sloopwerken die door bedrijf 4 in 2007 zijn uitgevoerd. De aangetroffen afvalcontainer werd gebruikt als verzamelbak voor resten asbest. Doordat na de terugkomst van een sloopwerk iedere keer asbest in de afvalcontainer werd gegooid, is het asbest nooit verpakt opgeslagen denk ik. Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 9 juli 2014 heeft verdachte nog verklaard dat hij van alle ins en outs van het omgaan met asbest op de hoogte is, en dat hij bij de aanvraag van de milieuvergunning voor de locatie aan het adres 2 te Maarheeze betrokken is geweest en hij heeft nogmaals bevestigd dat hij de enige bestuurder van bedrijf 4 was.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken omdat niet verdachte, maar ofwel persoon 1 als vergunninghouder en eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze, dan wel de eigenaar van de op dat perceel aanwezige voorwerpen en goederen, te weten bedrijf 4 tot haar faillissement in 2007 en na dit faillissement de curator, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het verdachte is op wie de vergunningvoorschriften zien. Verdachte had immers de vergunning zelf aangevraagd, zij het op naam van persoon 1, was op de hoogte van de inhoud van de vergunningvoorschriften geldend voor de locatie adres 2 te Maarheeze, hij was belast met de naleving van die vergunningvoorschriften, hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken van de inrichting en hij was degene die de daarmee samenhangende beslissingen nam.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte dus ook op 18 maart 2009 degene die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften op die locatie. Het faillissement van bedrijf 4, waarvan verdachte de enige bestuurder was doet daaraan niet af. Ook na dit faillissement bleef verdachte degene die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op deze locatie zoals verdachte bij een van zijn verhoren zelf ook heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 2

Verdachte wordt verweten dat hij op 27 mei 2010 en/of 31 mei 2010 asbesthoudende afvalstoffen van Nederland naar België heeft gebracht zonder daarvan kennis aan de aan de autoriteiten te hebben gegeven of daarvoor toestemming te hebben gekregen.

De getuige 3, eigenaar/directeur van bedrijf 6, heeft verklaard dat hij vanaf 2006 in Nederland asbestsaneringen voor verdachte uitvoert omdat verdachte niet langer in het bezit was van het daarvoor benodigde procescertificaat. Verdachte is de opdrachtgever, getuige 3 voert de asbestsanering uit en verdachte zorgt zelf voor de afzet van het asbest.

Verdachte plaatst daartoe een container en getuige 3 doet het verpakte asbest daarin. Vanaf dat moment is het asbest eigendom van verdachte en zorgt verdachte ervoor dat het asbest op de stortplaatsen komt. Nadat in januari 2010 de storttarieven voor asbest behoorlijk waren verhoogd, vroeg getuige 3 naast facturen ook om stortbonnen. Daaruit bleek getuige 3 dat verdachte het asbest naar een stortplaats in België bracht, te weten bedrijf 7 in Hasselt. getuige 3 was het daarmee niet eens omdat het volgens hem niet was toegestaan asbest uit Nederland in België te storten. Daarna heeft getuige 3 geen asbest meer naar verdachte gebracht. Op verzoek van getuige 3 heeft bedrijf 7 stortbonnen van asbesttransporten naar getuige 3 gezonden.

De getuige 1 heeft de feitelijke gang van zaken bevestigd. Hij heeft verklaard dat verdachte de containers met asbest vanaf de saneringslocatie van getuige 3 naar het adres 2 te Maarheeze bracht en dat de containers daar werden neergezet. Zeker twee keer heeft verdachte zelf het asbest van Maarheeze naar bedrijf 7 gebracht.

Uit de stortbonnen blijkt dat bedrijf 8 op 27 mei 2010 en 31 mei 2010 met behulp van een vrachtauto voorzien van het kenteken gebonden asbest bij bedrijf 7 heeft gestort waarbij als herkomst is vermeld diverse werven van bedrijf 9. Dat er met gebruikmaking van bedoelde vrachtauto stortingen hebben plaatsgevonden bij bedrijf 7 wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek van de tachograafschijf van de op 27 mei 2007 met deze vrachtauto uitgevoerde ritten. Daaruit blijkt dat die dag met dit voertuig identieke ritten zijn uitgevoerd van industrieterrein de Engelsman te Maarheeze, Nederland, naar Houthalen-Helchteren, België. Op 27 mei 2010 werd tweemaal van Nederland naar België gereden en tweemaal van België naar Nederland. Blijkens de informatie op de tachograafschijf zijn er tijdens genoemde ritten geen tussenstops geweest waarbij in België asbest geladen zou kunnen zijn.

Op 3 juni 2010 heeft bedrijf 8 een factuur aan bedrijf 6 gezonden. Deze factuur heeft betrekking op het vervoer van asbest door bedrijf 8 voor bedrijf 6 naar bedrijf 7 België op 27 mei 2010 en 31 mei 2010. Verdachte is vanaf 16 september 2008 bestuurder van bedrijf 8.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, onder de vlag van bedrijf 8, met een door hem bestuurde vrachtauto voorzien van het Belgische kenteken, asbest afkomstig van asbestsaneringsprojecten van het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, naar bedrijf 7 in België heeft vervoerd. Van deze transporten is geen kennisgeving of melding aan de autoriteiten gedaan.

Verdachte heeft echter gesteld dat dit asbest afkomstig is van Belgische saneringsprojecten van getuige 3 en dat er dus geen melding van die transporten hoefde te worden gemaakt omdat het getransporteerde asbest niet uit Nederland afkomstig was, maar uit België zelf. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 3

Op 30 mei 2010 heeft persoon 2 een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonboerderij gelegen aan de adres 3 te Budel. In de aanvrage wordt melding gemaakt dat er bij de sloop asbesthoudend sloop- afval vrij zal komen omdat uit onderzoek is gebleken dat asbesthoudende platen deel van het dak uitmaken.

Op 17 juni 2010 is door bedrijf 10 een inventarisatie uitgevoerd voor totaalsloop/renovatie van het dakbeschot op het woonhuis op het adres 3 te Budel waarbij de asbesthoudende materialen in kaart zijn gebracht. Daarbij is gebleken dat het dakbeschot op het dak van het woonhuis asbesthoudend materiaal van risicoklasse 2 bevat met een omvang van circa 185m2. Materiaalanalyse heeft aangetoond dat het dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat en hechtgebonden is.

Voor de uitvoering van deze sloopwerkzaamheden is een offerte uitgebracht door bedrijf 11. Deze offerte is door verdachte ondertekend en houdt zakelijk weergegeven onder meer in een prijsopgave voor de verwijdering van een asbest dakbeschot. In de offerte wordt nader uitgelegd op welke wijze met de asbesthoudende materialen zal worden omgegaan.

Op 23 juli 2010 is door vergunninghouder persoon 2 een formulier “start sloop” ingediend voor het starten van de sloopwerkzaamheden op 26 juli 2010. Op 28 juli 2010 heeft persoon 3, handhaver bij de gemeente Cranendonck, de slooplocatie aan de adres 3 te Budel bezocht. Hij heeft toen geconstateerd dat er al begonnen was met het verwijderen van de asbesthoudende delen van het dakbeschot. Bij het betreden van het terrein treft persoon 3 verdachte en getuige 1 aan. Desgevraagd overhandigt verdachte diverse documenten aan persoon 3. Uit die documenten blijkt onder meer dat bedrijf 1 de uitvoerder van de verwijderingswerkzaamheden was. Vervolgens heeft persoon 3 onderzoek ingesteld naar de vraag of bedrijf 1 gecertificeerd was deze werkzaamheden uit te voeren. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat bedrijf 1 een gecertificeerd asbest- verwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring die de getuige 4 heeft afgelegd. Hij heeft echter ook verklaard dat de geldigheid van het eens aan bedrijf 1 verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar, en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd. 

Bedrijf 1 was voorafgaand aan de verweten gedragingen in staat van faillissement verklaard.

De getuige 1 heeft verklaard dat hij samen met verdachte een asbest- sanering heeft gedaan aan de adres 3 in Budel. Terwijl zij bezig waren met het verwijderen van de asbestplaten van het dakbeschot kwam er iemand van de gemeente op het moment dat zij bijna klaar waren met het uitvoeren van die werkzaamheden. Nadat de gemeenteambtenaar was vertrokken heeft verdachte tegen getuige 1 gezegd dat verdachte helemaal geen asbest mocht verwijderen. Naderhand heeft getuige 3 de klus afgemaakt. De werkzaamheden zijn in twee dagen uitgevoerd. Dit wordt bevestigd door de verklaring die getuige 3 heeft afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 4

In het dossier bevindt zich een begeleidingsbrief waarop staat vermeld dat bedrijf 1, adres 2 te Maarheeze de ontdoener is van asbesthoudende afval, afkomstig van de locatie adres 3 en dat het transport op 29 juli 2010 zal aanvangen. Deze begeleidingsbrief is door verdachte ondertekend. Tevens bevindt zich in het dossier een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling. In deze melding staat vermeld dat bedrijf 1 een (asbestverwijde- rings)bedrijf is, dat gebruik maakt van het KOMO-certificaat met nummer AV167/1 en dat dit bedrijf (hoofd)aannemer is van het asbestverwij- deringswerk in opdracht van persoon 2 te Budel en dat de werkzaamheden op 28 juli 2010 zullen starten. Deze melding is gedateerd 28 juli 2010 en is door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft erkend dat deze formulieren in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Uit de door de getuige 1, de getuige 3 en de ver- dachte afgelegde verklaringen blijkt dat niet bedrijf 1 de ontdoener van het afval is geweest omdat dit bedrijf al in 2007 failliet was verklaard, maar het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, en voorts dat bedrijf 1 na het faillissement niet langer een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 4. Hij heeft verklaard dat de geldigheid van het aan bedrijf 1 verleende asbestverwij- deringscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 5 en 6

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het adres 2 te Maarheeze. Deze vergunning valt onder meer onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning zijn onder meer de navolgende voorschriften verbonden.

  • voorschrift 1.1.1.: Binnen de inrichting mogen ten hoogste de volgende hoeveelheden grond- en hulpstoffen aanwezig zijn: (...) 35m3 asbest platen/buizen;
  • voorschrift 1.1.9.: Ingeval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving moeten worden afgevoerd.

Bij een controle op 29 juni 2010 ziet persoon 4, een medewerker van de milieudienst bedrijf 5, tijdens een bedrijfsbezoek aan de locatie adres 2 te Maarheeze, op het buitenterrein en in de bedrijfshal 18 zogenaamde big bags staan met daarin vermoedelijk asbest. Tijdens deze controle was persoon 4 in het gezelschap van verdachte. Verdachte bevestigde tijdens dit bezoek dat er asbest in deze big bags zat. Ook ziet persoon 4 tonnen met afval staan afkomstig uit een voormalige autospuiterij. Van deze situatie zijn foto’s gemaakt.

Op 1 juli 2010 omstreeks 10.00 uur is verbalisant 2, vergezeld door onder meer persoon 4 voornoemd en medewerkers van bedrijf 3 , naar voormelde locatie aan het adres 2 te Maarheeze gegaan. Tijdens de rondgang over het bedrijf ziet verbalisant 2 dat de situatie zoals persoon 4 die op 29 juni 2010 heeft geconstateerd, nog steeds bestaat. Ook verbalisant 2 constateert de aanwezigheid van 18 big bags waarin asbest is opgeslagen. Bij de vaten waarvan verdachte bij de controle op 29 juni 2010 tegen persoon 4 had verteld dat daarin afval van een autospuiterij zat, geurde het– aldus verbalisant 2 – naar verfoplosmiddel.

Bij nader onderzoek is vastgesteld dat de 18 big bags met asbest bestonden uit 14 big bags met een inhoud van ongeveer 17m3 en 4 kleinere partijen van elk ongeveer 2 m3. Op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 was derhalve ongeveer 250m3 asbest aanwezig op de locatie adres 2 te Maarheeze. Tijdens het bezoek aan voormelde locatie zijn door medewerkers van bedrijf 3, een geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek aan asbest, 22 monsters genomen van het asbestverdachte materiaal. Uit door bedrijf 3 verricht onderzoek bleek dat 21 van die 22 monsters hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevatten. Uit nader onderzoek bleken voorts de vaten die naar verfoplosmiddel geurden 20 blikken van 20 liter met lak te zijn, geëtiketteerd ADR klasse 9.

De hiervoor genoemde bevindingen worden bevestigd door de verklaring van getuige 1, destijds werkzaam op de locatie adres 2 te Maarheeze. Hij heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 teveel asbest, en lak afkomstig van een spuiterij op de locatie waren opgeslagen. Nadat de lak een jaar lang op het terrein opgeslagen had gestaan, heeft getuige 1 de lak naar de milieustraat gebracht.

Zowel bij zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte erkend dat op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 op de locatie adres 2 te Maarheeze, de door verbalisant 2 en persoon 4 aangetroffen big bags met asbesthoudende materialen en 20 blikken verf aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat het asbest aan verschillende, inmiddels failliet verklaarde bedrijven toebehoorde die op voormelde locatie waren gevestigd. Verdachte heeft toen ook verklaard dat hij de dagelijkse leiding op deze locatie heeft, dat hij verantwoordelijk is voor het toezicht op het terrein en in de gebouwen en dat hij zorg draagt voor de naleving van de voorschriften uit de geldende vergunning Wet milieubeheer. 

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor onder feit 1 uiteengezet, dat verdachte ook in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 degene was die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften aldaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 en onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 7

Op 2 juli 2010 heeft de officier van justitie aan verdachte kennis gegeven van de – op grond van artikel 28 van de Wet op de economische delicten bevolen – voorlopige maatregel dat verdachte zich met ingang van het moment van uitreiking van deze kennisgeving zal onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting gelegen aan het adres 2 te Maarheeze aanwezige asbest anders dan na voorafgaande goedkeuring van -, en onder toezicht van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost. Op 2 juli 2010 is deze voorlopige maatregel aan verdachte uitgereikt en met hem besproken.

Op 17 september 2010 heeft het Regionaal Milieuteam van de gemeente Cranendonck een melding ontvangen waaruit bleek dat op maandag 20 september 2010 een asbestverwijdering plaats zou gaan vinden ter plaats van het adres 2 te Maarheeze. Deze verwijdering zou worden uitgevoerd door bedrijf 6 (verder ook: bedrijf 6). Op 23 september 2010 bleek uit contacten tussen de gemeente Cranendonck en bedrijf 6 dat het asbest op de locatie aan het adres 2 te Maarheeze opnieuw was verpakt en in containers was geplaatst. Op 24 september 2010 zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 ter plaatse gegaan. Op de openbare weg adres 2, zien hij twee containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic. Het witte plastic was op meerdere plaatsen gescheurd. Door de gescheurde gedeeltes zag verbalisant 3 asbestverdacht plaatmateriaal. Enige tijd later op diezelfde dag werd geconstateerd dat de twee containers niet meer op de openbare weg adres 2 stonden maar waren verplaatst naar het terrein adres 2,

Vervolgens hebben verbalisant 2 en verbalisant 3 met verdachte gesproken en is een kopie van de voorlopige maatregel met parketnummer 01/995021-10 aan verdachte uitgereikt, waarna de inhoud van die maatregel met hem is besproken. Omdat het vermoeden bestond dat de inhoud van de witte plastic zakken in de aangetroffen containers het asbesthoudend materiaal betrof dat op 1 juli 2010 op de locatie werd aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd het asbestinventarisatierapport aan verbalisant 2 overhandigd. Hieruit bleek dat het materiaal in de containers asbest bevatte.

Bij brief van 24 september 2010 heeft verbalisant 2 verdachte er nogmaals op gewezen dat het hem, gelet op de tegen hem bevolen voorlopige maatregel, was verboden het aanwezige asbest zonder goedkeuring van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost te verplaatsen.

Als reactie op een aantal faxen van verdachte van 28 september 2010, waarin hij melding maakte dat hij roerende zaken vanaf het terrein aan het adres 2 te Maarheeze op de openbare weg had geplaatst, zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 op 29 september 2010 ter plaatse gegaan. Daar zag verbalisant 3, op de openbare weg rond het terrein r 2010 via een aantal faxen aan de gemeente Cranendonck, de politie en de curator heeft aangekondigd en dat hij waar hij in die faxen over roerende goederen heeft gesproken, onder andere heeft gedoeld op containers die verpakt asbest bevatten. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd [artikel 2 onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006).

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 4: Valsheid in geschrift.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 6: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1., eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 7: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De onderhavige feiten heeft verdachte gedurende een langere periode gepleegd. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de gezondheidsbelangen van zijn medemensen. Verdachte was niet gecertificeerd als asbestverwijderaar. Dat dit mogelijk (lang geleden) anders is geweest doet daaraan niet af. Asbestsanering is gelet op de grote risico’s voor de volksgezondheid aan strikte regels gebonden. Verdachte heeft die – hem welbekende - regels doelbewust genegeerd, waarbij verdachte louter door financiële motieven lijkt te zijn gedreven. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en het tijdsbestek waarin die feiten zich hebben afgespeeld is het handelen van verdachte als stelselmatig en hardnekkig te betitelen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer, feiten soortgelijk aan de hiervoor onder 1 en onder 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de bewezenverklaarde feiten en verdachtes attitude blijkt voorts een nagenoeg ontbrekend respect voor aanwijzingen en beslissingen van de autoriteiten en negeert hij ook die stelselmatig.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen

Op 17 juli 2014  is de Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware en ernstige asbestovertredingen in de Staatscourant gepubliceerd. De beleidsregel vormt de juridische uitwerking voor de openbaarmaking van inspectiegegevens op het gebied van asbestsanering.  De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hierover op 21 februari jl. een brief aan de Tweede Kamer gestuurd.

In artikel 3 van de beleidsregel en de bijbehorende toelichting valt te lezen welke gegevens over zware en ernstige asbestovertredingen openbaar wor- den gemaakt:

  1. de naam en vestigingsplaats van de rechtspersoon dan wel van de natuurlijke persoon;
  2. de geconstateerde overtreding;
  3. de datum waarop de overtreding is geconstateerd;
  4. de locatie waar het asbest aanwezig is of is geweest;
  5. welk bestuurlijk besluit is genomen, dan wel welke bestuurlijke besluiten zijn genomen vanwege de overtreding op grond van de artikelen 28a, 33 of 34 van de Arbeidsomstandighedenwet;
  6. of tegen de onder e bedoelde bestuurlijke besluiten een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe nog de mogelijkheid bestaat.

Ook wordt toegelicht hoe deze worden gepubliceerd en de procedure die daarbij wordt gevolgd.

De beleidsregel treedt in werking vier weken na de publicatie ervan in de Staatcourant, dus op 15 augustus. Met het oog op de doorlooptijd tussen het constateren van een overtreding en het vaststellen van de boete wordt de openbaarmaking van de eerste overtredingen in het najaar op de website van de Inspectie SZW verwacht.

Print Friendly and PDF ^

'Bij milieuschade is ook de top aansprakelijk'

Een taakstraf van 240 uur plus zes maanden voorwaardelijk voor de directeur van Chemie-Pack: milieuschade kan leiden tot strafrechtelijke vervolging van natuurlijke personen die de eindverantwoordelijkheid dragen, waarschuwen Anne-Marie Klijn en Chantal van Mil van Boekel de Nerée.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Melding doen aan het bevoegde gezag van verandering (van de werking) van de inrichting

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2034

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

2: hij op of omstreeks 21 september, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd (gehouden) en/of de werking daarvan heeft veranderd (gehouden) (door het (laten) plaatsen en/of laten staan van 2, in elk geval een of meer propaantanks/propaanreservoirs) al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen hiervan tenminste vier weken voor die verandering (van de werking) van die inrichting aan burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, althans aan het bevoegd gezag , melding te doen, immers was (in ieder geval) op 21 september 2011 en/of op 12 december 2011 die melding nog niet gedaan;

3: hij op of omstreeks 21 september 2011 en/of 12 december 2011, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dreef, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan een of meer bij of krachtens dit besluit gestelde regels, immers was/waren in strijd met voorschrift 4.8.35 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 (PGS 19) twee, in elk geval een of meer propaanreservoir(s) en het/de vulpunt(en) niet goed bereikbaar voor de tankwagen en/of de tankwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij er niet voor heeft zorggedragen dat tenminste vier weken voordat zijn inrichting veranderd werd (gehouden) dan wel de werking daarvan werd veranderd, van die verandering (van de werking) van die inrichting melding werd gedaan aan het bevoegde gezag. Op grond van artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dient degene die een inrichting opricht, hiervan ten minste vier weken voor de oprichting melding te doen aan het bevoegde gezag. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing geacht met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Voorts is in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen dat een dergelijke melding achterwege kan blijven indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond van de in dit artikel genoemde artikelen geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de eigenaar van het terrein (hierna: eigenaar terrein) waarop het garagebedrijf van de verdachte staat, reeds op juiste wijze melding had gemaakt van de plaatsing van de propaantanks en dat de verdachte dientengevolge niet strafbaar is. De advocaat-generaal heeft deze stelling als zodanig niet betwist. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de stelling van de raadsvrouwe niet juist kan zijn. Nu niet valt uit te sluiten dat reeds een melding in de zin van de Wet milieubeheer (nader uitgewerkt bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) was gedaan door eigenaar terrein en dat de verdachte conform het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer daarom niet was gehouden melding te doen van het laten staan van voornoemde propaantanks, moet de verdachte van het hem ter zake ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan of de propaantanks behorende bij de inrichting van de verdachte nog in gebruik waren in de ten laste gelegde periode en derhalve bereikbaar dienden te zijn voor de tankwagen en de chauffeur daarvan. Het hof zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Werkinstructie niet op juiste wijze gevolgd waardoor na een heftige chemische reactie alkalische dampen konden ontsnappen. Sprake van een zwaar ongeval in de zin van het BRZO?

Rechtbank Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juni 2014 tweemaal is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 18 januari 2012 in de gemeente 's-Hertogenbosch, als degene die een inrichting aan de adres 1, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij

  1. bij de productie van Radsol T841 gebruik gemaakt van een andere tank dan de tot dan toe gebruikte tank (tank 21 in plaats van tank 20) en daarvoor (in strijd met eigen procedures nrs 1.1.3 en nr 1.1.3 WI 01) geen risicobeoordeling heeft uitgevoerd (door middel van het toepassen van een management of change (MOC)), en/of
  2. bij de productie van Radsol T 841 niet de betreffende werkinstructie (workorder) gevolgd (door eerst broomzuur en daarna ethyleendiamine in tank 21 te gieten waardoor een hevige exotherme reactie ontstond), en/of
  3. bij de productie van Radsol T841 gebruik gemaakt van een niet of minder goed werkende direct op vat 21 aangesloten afzuiginstallatie (waardoor, althans mede waardoor, de door de exotherme reactie ontstane alkalische dampen niet althans onvoldoende werden afgezogen en aldus in hal CM-3 konden uittreden);

artikel 5 BRZO juncto artikel 6 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de drie ten laste gelegde overtredingen wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken, waarbij de raadsman het standpunt inneemt dat er sprake is van één tenlastegelegde overtreding.

Oordeel rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van de punten 1 en 3 op de tenlastelegging

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie zich bij de tenlastelegging ten aanzien van punt 1 beroept op veronachtzaming van een intern protocol van verdachte, het zogeheten business management systeem. Dit protocol geeft voorschriften die gevolgd dienen te worden indien sprake is van wijzigingen die gevolgen kunnen hebben voor risico’s met gevaarlijke stoffen. De officier van justitie beroept zich daarbij evenwel op de conceptversie van dit protocol gedateerd 16 september 2011, zonder dat vast is komen te staan dat dit protocol ook daadwerkelijk van kracht was ten tijde van het incident op 18 januari 2012. Derhalve heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen of verdachte op die datum in strijd met de eigen procedures heeft nagelaten om een risicobeoordeling uit te voeren door toepassing van een management of change. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van punt 3 heeft de officier van justitie na wijziging van de tenlastelegging expliciet de afzuiginstallatie die direct op tank 21 is aangesloten aangewezen als de afzuiginstallatie die niet of minder goed werkte, met als gevolg dat de tijdens het incident vrijkomende dampen niet, althans onvoldoende werden afgevoerd en zich konden verspreiden in hal CM-3. De rechtbank is van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend is bewezen.

Getuige 1, productie-coördinator en Hoofd BHV bij verdachte, heeft over de niet of niet goed werkende afzuiginstallatie immers het volgende verklaard:

Ik ben achter getuige 2 aangerend omdat hij zo hard liep. En zag toen dat het bij CM3 was. Ik kwam op de afdeling binnen. Ik zag dat er iets niet goed was, ik zag damp uit tank 21 treden. Ik zag de rook uit het kabinet (“de afzuigkap”), en dat was voor mij het teken dat er iets mis was met de afzuiging. Ik riep tegen getuige 3 (supervisor): “Kijk naar de afzuiging, daar is iets niet goed mee.” Getuige 3 was er al mee bezig. Hij was bezig de hoofdschakelaar aan en uit te zetten op zijn kantoor. Verschillende keren, want we hoorden de motor van de afzuiging en zagen dat de damp niet werd afgezogen.

Vraag verbalisanten: Dit was de afzuiging van het kabinet?

Antwoord: Ja deze afzuiging van het kabinet bedoel ik, er zit namelijk ook nog een afzuiging op het vat zelf. Getuige 3 riep terug: “Hij staat aan maar hij zuigt niet af!” Ik weet dat wanneer de damp uit het kabinet treedt, de brandmelding wordt geactiveerd. (zie bijlage 7, pagina 1 onderaan).

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van deze getuigenverklaring niet bewezen kan worden verklaard dat de – direct op tank 21 aangesloten – afzuiginstallatie niet of onvoldoende werkte zodat verdachte ook van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van punt 2 op de tenlastelegging (niet volgen van de workorder)

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de workorder niet is gevolgd, immers is de volgorde van de workorder dat eerst gedemineraliseerd water in de tank moet worden gedaan en dan Broomzuur en dan Ethyleendiamine. De stelling van de raadsman dat het juist is dat eerst Broomzuur en daarna Ethyleendiamine in de tank is gedaan, miskent het feit dat – in afwijking van de werkorder – niet eerst gedemineraliseerd water aan de tank is toegevoegd, zodat deze stelling een onjuiste lezing van de tenlastelegging betreft en derhalve wordt verworpen.

Zwaar ongeval in de zin van het BRZO?

De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd dat er geen sprake is van een zwaar ongeval in de zin van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank kwalificeert, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen het incident op 18 januari 2012 als een zwaar ongeval. Gelet op de aard van het incident, de daarbij betrokken chemische en/of gevaarlijke stoffen en de heftige reactie die het afwijken van de werkbon in het productieproces teweeg heeft gebracht is tot ontruiming van de werkvloer overgegaan. Ethyleendiamine is een potentieel gevaarlijke stof voor de mens. Bij de productie van Radsol T841, zoals tijdens het incident, stonden meerdere operators dicht bij tank 21, waar de heftige reactie plaatsvond. Hierdoor ontstond een gevaarlijke situatie voor hen, waardoor wel degelijk sprake is van een zwaar ongeval in de zin van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Dat er geen gewonden zijn gevallen doet daaraan niet af.

Bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 18 januari 2012 in de gemeente 's-Hertogenbosch, als degene die een inrichting aan verdachte, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij bij de productie van Radsol T841 niet de betreffende werkinstructie (workorder) gevolgd (door eerst Broomzuur en daarna Ethyleendiamine in tank 21 te gieten waardoor een hevige exotherme reactie ontstond).

Beroep op AVAS

De verdediging heeft ten aanzien van punt 2 (het niet naleven van de workorder) bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens afwezigheid van alle schuld. Het handelen van de werknemers getuige 3 en getuige 4 kan verdachte niet worden toegerekend. De officier van justitie acht het handelen van de werknemer wel toerekenbaar aan de rechtspersoon.

De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden zijn verricht door de medewerker van verdachte en dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van het productieproces van verdachte. Ook pasten deze in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Verdachte is een bedrijf dat is aangemerkt als een BRZO-bedrijf. Gewerkt wordt met gevaarlijke en/of met chemische stoffen. Onder die omstandigheden mag van verdachte verwacht worden dat zij er alles aan doet om een onveilige dan wel gevaarlijke situatie te voorkomen, immers voor verdachte gelden hoge veiligheidsnormen. Alleen al uit hoofde van het BRZO heeft verdachte een bijzondere zorgplicht. Door onvoldoende toezicht te houden op het op juiste wijze uitvoeren van een workorder dan wel onvoldoende specifiek geschoold personeel de workorder uit te laten voeren heeft verdachte aanvaard dat in het onderhavige geval in afwijking van de workorder is gehandeld. Door verdachte werd kennelijk oogluikend toegestaan dat personeel in voorkomend geval en naar eigen goeddunken konden en mochten afwijken van de bij het productieproces uit te voeren workorder, zulks gelet op de verklaring van getuige 3 dat hij wel vaker van het voorgeschreven procedé placht af te wijken.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de door de werknemer verrichte gedraging toegerekend kan worden aan verdachte.

Strafoplegging

De officier van justitie vordert ten aanzien van drie overtredingen 3 keer een geldboete van €25.000,= waarvan telkens €10.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De raadsman is van mening dat er hooguit sprake is van één overtreding.

De rechtbank legt een geldboete op van €30.000,00 en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft onrust veroorzaakt in het bedrijf van verdachte. De gehele werkvloer is ontruimd naar aanleiding van het incident. Bij de productie van Radsol T841 is de workorder niet op juiste wijze gevolgd, waardoor na een heftige chemische reactie tussen een hoeveelheid Broomzuur en een daaraan toegevoegde hoeveelheid Ethyleendiamine, alkalische dampen konden ontsnappen. Hierdoor is een soort dichte mist ontstaan met een zicht van minder dan zes meter. De medewerkers in de directe omgeving van de tank waarin voornoemd product werd geproduceerd konden daar op dat moment aan worden blootgesteld. Het feit is weliswaar te herleiden tot een menselijke fout, maar juist in een bedrijf waar risico’s bestaan op zware ongevallen met ingrijpende gevolgen voor mens en milieu, had verdachte haar bedrijfsprocessen zodanig moeten inrichten dat dergelijke risico’s beter in de hand kunnen worden gehouden. Uit de verklaring van getuige 3 (“Het is voor mij een overwogen afweging geweest om het op deze manier te doen. We doen het eigenlijk wel vaker op deze manier”) leidt de rechtbank af dat binnen de onderneming van verdachte ten tijde van het voorval kennelijk een veiligheidscultuur bestond die dergelijk solistisch – inherent onveilig – gedrag faciliteerde. Consistent met deze – indertijd – tekortschietende veiligheidscultuur is het gegeven dat verdachte in diezelfde periode ook al eens (bij strafbeschikking) een geldboete is opgelegd voor een soortgelijk feit.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat zij de ernst van de door haar gepleegde overtreding inziet en heeft aangetoond dat zij haar bedrijfsveiligheid en opleidingstraject heeft verbeterd. Hierdoor zijn na het aan het licht komen van het door verdachte gepleegde strafbare feit haar bedrijfsprocessen zodanig in positieve zin gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit de veiligheid op de werkvloer van het bedrijf van verdachte ten goede zal komen. Daarbij komt dat sinds het tijdstip waarop het door haar gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, waarin – voor zover bekend – geen vergelijkbare, op een tekortschietende veiligheidscultuur terug te voeren incidenten hebben plaatsgevonden.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaarde overtreding een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf per overtreding, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte valt reeds onder toezicht in het kader van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 en de vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven dat verdachte onder dit toezicht wil blijven vallen. Het niet wederom plegen van strafbare feiten kan daarmee in afdoende mate worden ingekaderd dan wel worden ondervangen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^