Milieuhandhavers tekenen overeenkomst voor delen van digitale informatie

Voor een efficiëntere en effectievere milieuhandhaving is het noodzakelijk om digitale informatie tussen de handhavende instanties met elkaar te delen. In juli 2008 concludeerde de commissie Mans dit al in haar rapport ‘De tijd is rijp'. Nu is het dan zover. Woensdag 20 november zijn de eerste ‘Aansluitovereenkomsten' op Inspectieview Milieu ondertekend.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft meststoffen in strijd met de geldende regelgeving niet emissiearm, maar volgens de FIR-methode aangewend. Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7135

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 22 februari 2010, al dan niet opzettelijk, dierlijke meststoffen en/of zuiveringsslib en/of een mengsel met dierlijke meststoffen en zuiveringsslib heeft gebruikt op een perceel grasland gelegen aan of nabij adres, terwijl die dierlijke meststoffen en/of dat zuiveringsslib en/of dat mengsel niet emissiearm werd(en) aangewend.

Beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid faalt omdat de wetgeving op het gebied van het uitrijden van dierlijke meststoffen, ondanks allerlei kritische geluiden – onveranderd is gebleven en die wetgeving derhalve gehandhaafd dient te worden. De advocaat-generaal heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op een tweetal uitspaken van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof heeft beslist dat in gevallen als thans aan de orde het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid niet opgaat.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het achterliggende doel van de meststoffenwetgeving is gelegen in het terugdringen van de uitstoot van ammoniak. Dit doel kan volgens de raadsman beter worden gediend door de meststoffen bovengronds uit te rijden en te verdunnen met water, dan door het toepassen van de in de wet voorgeschreven methode. De raadsman heeft gewezen op de nadelen en schadelijke gevolgen van het ondergronds uitrijden van de mest. Verzocht is de verdachte vanwege het ontbreken van de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde gedraging van alle rechtsvervolging te ontslaan.

Oordeel hof

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was de volgende wetgeving geldend.

Ingevolge artikel 7 lid 1 van de Wet bodembescherming ‘kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, aan de bodem worden toegevoegd ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te beïnvloeden’.

Artikel 5 lid 1 van het Besluit gebruik meststoffen bepaalt vervolgens:

‘Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib emissiearm worden aangewend’.

Het begrip ‘emissiearm aanwenden’ is in artikel 1 van het Besluit gedefinieerd als: ‘gebruiken overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I.’

Bijlage I bepaalt: ‘Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib op grasland gelegen op zand- of lössgrond, wordt tot 1 januari 2012 de mest of het slib onmiddellijk op of in de grond gebracht.’ (...)

‘Indien de mest of het slib op de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastgelegen strookje is minimaal 15 centimeter.’

Voor wat betreft de wetsgeschiedenis van deze regelgeving volgt uit de nota van toelichting van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (de voorganger van het Besluit gebruik meststoffen) het volgende: ‘Met ingang van 1 januari 1998 wordt een stelsel van regulerende mineralenheffingen ingevoerd. Dit heffingenstelsel is uitgewerkt in een nieuw hoofdstuk IV van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360). Invoering van dit stelsel betekent dat het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (BGDM) op onderdelen moet worden gewijzigd. Met het oog op de overzichtelijkheid is ervoor gekozen het BGDM in te trekken en te vervangen door het onderhavige besluit, dat wordt genoemd: Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (BGDM 1998).

In het systeem van de regulerende mineralenheffingen nemen de verlies- en aanvoernormen de plaats in van de fosfaatgebruiksnormen. Het heffingensysteem strekt mede ter voldoening aan richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1993 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375), hierna te noemen: EG-Nitraatrichtlijn. De richtlijn beoogt de kwaliteit van het water bestemd voor de drinkwaterproductie te verzekeren en eutrofiëring tegen te gaan. Om deze – in artikel 1 van de richtlijn geconcretiseerde doelstelling – te bereiken, dienen de lidstaten onder meer te waarborgen dat de hoeveelheid stikstof die met dierlijke meststoffen op het land wordt aangewend een bepaald niveau niet overschrijdt. Daarin voorziet het nieuwe systeem van regulerende mineralenheffingen. Het onderhavige besluit voorziet – evenals ook het BGDM dat deed – in fosfaatgebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, in bepalingen omtrent de toegestane uitrijperiode en bepalingen omtrent emissie-arme aanwending van dierlijke meststoffen’.

Het Besluit gebruik dierlijke meststoffen is nadien een aantal keer gewijzigd en de titel van het Besluit veranderde in de loop van de tijd in het Besluit gebruik meststoffen.

Voor wat betreft het aanwenden van dierlijke meststoffen is in de nota van toelichting bij de laatste wijziging, ingaande op 1 januari 2010, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen het volgende opgenomen:

Het Besluit gebruik meststoffen (hierna: Bgm) heeft tot doel de belasting van de bodem en het water door fosfaat- en stikstofverbindingen afkomstig uit dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest terug te dringen. Tevens dient dit besluit om de stankhinder en de emissie van potentieel verzurende stoffen te beperken. Het besluit bevat daartoe voorschriften die, overeenkomstig de goede landbouwpraktijk, beperkingen stellen aan de periode waarin, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop deze meststoffen kunnen worden aangewend.’

Voor zover het gaat om artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen blijkt uit voornoemde nota van toelichting:

‘Om aan de NEC-richtlijn (Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen) te voldoen zijn in het Bgm voorschriften opgenomen die tot doel hebben het gevaar te beperken dat ammoniak bij het toedienen van drijfmest vervluchtigt. Uit onderzoek is gebleken dat de grootste emissiereductie wordt verkregen indien de mest geheel of gedeeltelijk in de bodem wordt gewerkt.’

De verdachte heeft, in strijd met deze regelgeving, zijn mest bovengronds uitgereden en vervolgens verdund met water. Op die manier was de mest volgens de verdachte voldoende verdund om de uitstoot van ammoniak te beperken. Gelet op de hiervoor genoemde regelgeving was deze manier van werken echter niet toegestaan. Hoewel het hof zich bewust is van de problematiek omtrent de geldende regelgeving en de verschillen van inzicht die op dit terrein spelen, is het hof van oordeel dat gedurende deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden en onmiddellijk daarna met water te verdunnen, het doel van de geldende regelgeving beter heeft gediend dan wanneer hij de mest, conform die regelgeving, ondergronds zou hebben uitgereden. Anders dan de verdediging is het hof niet van oordeel dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden, het achterliggende doel van de regelgeving die dit ter beperking van de uitstoot van ammoniak verbood, meer of beter heeft gediend dan bij naleving van de wettelijke regeling het geval zou zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat voor verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vrijstelling gold en dat hij geen ontheffing had, dat voorts een vrijstelling of ontheffing binnen de komende paar jaren ook niet te verwachten valt en dat een wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ten gunste van het bovengrond uitrijden van mest in die periode evenmin te verwachten is.

Onder deze omstandigheden faalt een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Niet kan immers worden ingezien waarom verdachtes subjectieve inzicht in dit geval boven dat van de wetgever of bevoegde overheidsdiensten zou moeten gaan.

Beroep op overmacht

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op overmacht niet kan slagen. 

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht (in de zin van noodtoestand) omdat sprake was van conflicterende belangen omdat het Besluit gebruik meststoffen emissiearme aanwending van meststoffen voorschrijft terwijl artikel 1 van de Wet bodembescherming het belang van de bescherming van de bodem – kort gezegd – definieert in die zin dat de bodem beschermd dient te worden tegen veranderingen van de hoedanigheid van de bodem die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft. Door het Besluit gebruik meststoffen na te leven, wordt de Wet bodembescherming geschonden. De verdachte kon niet beide regelingen tegelijkertijd naleven, reden waarom volgens de raadsman sprake is van overmacht in de zin van noodtoestand.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof was geen sprake van een zodanig conflict van belangen dat de verdachte niet anders kon dan de mest bovengronds uitrijden. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verdachte, door de mest conform de geldende regelgeving aan te wenden, in strijd zou handelen met artikel 1 van de Wet bodembescherming, welk artikel enkel definities geeft van in die wet gehanteerde begrippen. Daarbij verdient opmerking dat het Besluit mede gebaseerd is op bepalingen van de Wet bodembescherming. Voor het overige verwijst het hof naar de motivering van de verwerping van het beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het hof verwerpt om die redenen het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof heeft ten voordele van de verdachte bij de strafoplegging echter meegewogen dat de verdachte, nadat onderhavig feit was geconstateerd, onmiddellijk is gestopt met het niet emissiearm aanwenden van de meststoffen en is overgestapt op een wel toelaatbare methode. Bovendien heeft het hof ten voordele van de verdachte meegewogen dat niet is gebleken dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. De verdachte hoefde weliswaar geen apparatuur aan te schaffen voor emissiearme aanwending van de meststoffen, maar hij heeft apparatuur aangeschaft om de niet-emissiearm aangewende meststoffen onmiddellijk na het aanwenden te verdunnen met water.

Voorts is ten voordele van de verdachte meegewogen dat de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2013 niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.

Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheid. De huidige situatie duurt al vele jaren voort. Het gevoerde beleid van niet-emissiearm uitrijden is regelmatig aan de hand van uitgevoerde studies ter discussie gesteld van de kant van boeren die te goeder trouw de FIR-methode (willen) toepassen. Weliswaar is enkele jaren geleden een experiment gestart waarin een beperkt aantal boeren een ontheffing heeft gekregen om de FIR-methode toe te passen. Maar het hof heeft evenmin als verdachte duidelijkheid kunnen krijgen over een tijdstip waarop het onderzoek zal worden afgerond dan wel naar afronding zal worden gestreefd.

Het hof volstaat om deze redenen met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete van € 400,- met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Malafide asbestsaneerder opgespoord met afvalstortgegevens

Door gebruikmaking van informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen door de Inspectie SZW is komen vast te staan dat een bedrijf ruim 1.000 kilo asbesthoudend materiaal illegaal heeft gesaneerd. Er is een boete van € 29.400 tegen het bedrijf uit Friesland opgelegd.

Inspecteurs van de Inspectie SZW treffen begin dit jaar bij een opslagloods in Friesland beschadigde asbesthoudende wandplaten aan. Ook in de omgeving van de loods liggen restanten asbesthoudende platen. Enkele maanden eerder zijn door een aannemersbedrijf nieuwe asbestvrije wand- en dakplaten gemonteerd op de opslagloods.

Na controle van informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, blijkt uit gegevens dat 1.000 kilo asbesthoudend afval afgevoerd is naar een stortplaats in Drachten. Aan de hand van deze stortgegevens kan de Inspectie een onderzoek instellen en het bedrijf die de werkzaamheden had verricht achterhalen.

Het aannemersbedrijf dat het asbest illegaal heeft gesaneerd heeft hiervoor een boete opgelegd gekregen van € 29.400. De boete is onder meer gebaseerd op het feit dat door het bedrijf het asbesthoudend materiaal onbeschermd en ondeskundig is verwijderd en onverpakt is afgevoerd. Het bedrijf heeft daarnaast een waarschuwing ontvangen dat bij herhaling van eenzelfde of soortgelijke overtreding kan worden besloten om het bedrijf gedurende langere tijd stil te leggen.

De eigenaar van de loods was bekend met het feit dat het om asbesthoudende golfbeplating ging. Hij moet een nieuw inventarisatierapport laten opstellen, een besmettingsonderzoek laten uitvoeren en het afval rond de loods door een gecertificeerd saneringsbedrijf laten verwijderen.

Voor de Inspectie SZW is de aanpak van misstanden in de asbestsector een van de speerpunten. Daarom is een speciaal team geformeerd met inspecteurs, die zijn vrijgemaakt voor de aanpak van misstanden. Sinds januari 2013 zijn de boetebedragen voor het overtreden van de arbeidsomstandighedenwet fors aangescherpt.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Artikel 1 lid 2 Sr & Flora- en Faunawet

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:885

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 10 februari 2012 voor 1 en 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora-en Faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur.

Verdachte heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verweer heeft afgewezen dat sprake zou zijn van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 Sr. Het inzicht van de wetgever over de strafbaarheid van het gebruik van ringen met een grotere diameter is gewijzigd en het gebruik van die ringen is in het nieuwe stelsel geoorloofd.

Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

“De raadsman heeft betoogd dat verdachte door het gebruik van andere dan de voorgeschreven ringen heeft geageerd tegen de ten tijde van het ten laste gelegde geldende "Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens" en dat deze regeling per 1 juli 2009 is gewijzigd. Door die wijziging is de koppeling tussen ringmaat en vogelsoort niet meer zo strikt als voorheen. Volgens de raadsman doet zich het geval voor van artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht en dient aan die nieuwe regeling toepassing te worden gegeven zodat het bewezen verklaarde niet meer strafbaar is en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De toelichting bij de wijziging op 1 juli 2009 van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens houdt het volgende in:

"Op grond van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en artikel 12 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geldt een aantal vrijstellingen van onder meer het verbod op het onder zich hebben van in gevangenschap geboren en gefokte vogels.

Omdat lastig controleerbaar is of een vogel gefokt is, dan wel in het wild is gevangen, is aan de vrijstellingen de voorwaarde verbonden dat de vogel - buiten enkele specifieke situaties - voorzien moet zijn van een naadloos gesloten pootring. De regeling voorziet in technische eisen waaraan gesloten pootringen moeten voldoen en nadere regels over de aanvraag, afgifte, kosten en het gebruik van in Nederland uit te reiken gesloten pootringen.

Met de regeling is beoogd om een systeem te creëren dat waarborgt dat naadloos gesloten pootringen uitsluitend worden aangebracht op vogels die daadwerkelijk in gevangenschap geboren en gefokt zijn. Dit systeem kent de volgende elementen. De bijlage bij de regeling bevat per vogelsoort voorgeschreven ringmaten.

(...)

Met de wijziging van de regeling worden voorts enkele knelpunten in de praktijk opgelost. Het tweede knelpunt betreft het systeem van maximale diametermaten voor de gesloten pootringen per vogelsoort. De voorgeschreven maten zijn afgestemd op de gemiddelde dikte van de poten van gefokte vogels die pas geboren zijn. Naarmate met vogels doorgefokt wordt, worden de vogels in de regel forser en worden de poten dikker. Gelet hierop past de voorgeschreven ringmaat per vogelsoort niet altijd om de poot van een in gevangenschap gefokte vogel van deze soort. De voorziening die daarvoor in de regeling is opgenomen

betreft het introduceren van de mogelijkheid voor de vogelhouders om voor het ringen van in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels gesloten pootringen te gebruiken met een diameter die groter is dan de maximale diameters die genoemd zijn in de bijlage bij de regeling. Hiertoe wordt aan artikel 5 een tweede lid toegevoegd (artikel I, onderdeel B). Op het moment dat een jonge vogel geringd moet worden en de voorgeschreven ringmaat blijkt te klein te zijn, mag een ring met een grotere diameter worden gebruikt. De houder van de vogel dient dan wel aannemelijk te kunnen maken dat het gebruik van een pootring met de in de bijlage vastgestelde maximale diameter niet mogelijk is. "

Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven is het hof van oordeel dat de wijziging niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van voor de inwerkingtreding van de wijziging gepleegde overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en Faunawet. Derhalve zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in art. 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nu er ook voor het overige niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten, zijn de bewezenverklaarde feiten strafbaar.”

Beoordeling Hoge Raad

Onder de thans geldende regeling geldt als uitgangspunt dat het verboden is beschermde inheemse vogels onder zich te hebben, zij het dat de regeling in ruimere mate dan voorheen voorziet in uitzonderingen op dit verbod. Uit de wet- en regelgeving en de ontstaans geschiedenis daarvan moet worden afgeleid dat het huidige regiem niet berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het onder zich hebben van genoemde vogels vóór de inwerkingtreding van de thans geldende bepalingen, maar dat dit regiem is ingegeven door de gedachte, kort gezegd, enige knelpunten in de praktijk op te lossen, meer in het bijzonder in verband met de omstandigheid dat de voorgeschreven maximale diameter van die pootringen bij (doorgefokte) vogels niet altijd voldoende is gebleken.

Het oordeel van het Hof dat de wijziging als hiervoor bedoeld niet voortvloeit uit een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de regelwijziging begane strafbare feiten geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het Hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen behoefte aan additioneel EU juridisch instrument voor toegang tot milieurechter

Op de consultatie van de Commissie inzake de Europese procedure inzake “Access to justice in environmental matters – options for improving access to justice at Member States level” reactie van het kabinet op

Op 28 juni 2013 is door de Commissie inzake de Europese procedure inzake “Access to justice in environmental matters – options for improving access to justice at Member States level” een Consultatie gelanceerd betreffende toegang tot de rechter in milieuzaken – opties ter verbetering van de toegang tot de rechter op het niveau van de Lidstaten.

Van de twee opties die worden beschreven in de toelichting bij de consultatie, namelijk:

  1. doorgaan met steunen op geschillenbeslechting en andere niet- legislatieve activiteiten om een bevredigend niveau van toegang tot de milieurechter te verzekeren en
  2. nieuwe EU-regelgeving die toegang tot de milieurechter uitbreidt naar terreinen die niet gedekt worden door EU-regelgeving over het onderwerp

geeft Nederland zeker de voorkeur aan de eerste optie.

Het kabinet reageert als volgt: “We zijn niet overtuigd van de noodzaak en waarde van een additioneel juridisch instrument betreffende toegang tot de milieurechter; naar onze mening werkt het huidige stelsel in de praktijk al jaren naar tevredenheid. Een EU juridisch instrument inzake toegang tot de rechter wordt door ons dan ook niet gemist. Voorts hebben we twijfels over de onderwerpen subsidiariteit en proportionaliteit van een juridisch initiatief.”

 

Print Friendly and PDF ^