HR: hof heeft in strijd met art. 1 Sr de bijkomende straf van ontzetting uit de uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent opgelegd

Hoge Raad 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2023

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften in de periode juni 2002 onderscheidenlijk oktober 2002 tot en met september 2003 (feiten 1 en 2) en het medeplegen van het valselijk opmaken van een geschrift in juni 2001 (feit 3). De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, met ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent voor de duur van vijf jaren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Art. 7 Wte: Aanvang verjaring & Slagende bewijsklacht medeplichtigheid

Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 29 september 2014 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden voor medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair), medeplichtigheid aan overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995, meermalen gepleegd (feit 2 subsidiair) en voor medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet Toezicht Kredietwezen, meermalen gepleegd (feit 3 subsidiair).

Eerste middel

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover dit feit betrekking heeft op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn afgesloten omdat het onder 2 tenlastegelegde in zoverre reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding was verjaard.

Het bestreden arrest houdt in:

"De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - aan de hand van een door hem overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnotitie - op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 2 en 3, voor zover deze betrekking hebben op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn gesloten. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De inleidende dagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2008. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geldt een termijn voor verjaring van het recht op strafvervolging van zes jaren. Dat betekent dat ten aanzien van de beleggers [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 8] , [betrokkene 7] , [betrokkene 15], [betrokkene 9], [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 18] en [betrokkene 17] het recht op vervolging ter zake van het opzettelijk overtreden van de voorschriften gesteld in de artikelen 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ('Wtk 1992') en 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ('Wte 1995') verjaard is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 7 Wte 1995 en het opzettelijk overtreden van artikel 82 van de Wtk 1992 is een misdrijf, gelet op de artikelen 1 en 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten, met elk een maximale strafbedreiging van 2 jaren. Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht verjaren genoemde misdrijven na zes jaren.

De inleidende dagvaarding is jegens de verdachte uitgebracht op 8 mei 2008. De verjaring is daarmee op die datum gestuit ex artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat feiten die vóór 8 mei 2002 zijn gepleegd, zijn verjaard.

Voor de vraag of het recht tot strafvervolging ten aanzien van bepaalde ten laste gelegde delicten met inachtneming van het vorenstaande is verjaard, is tevens van belang of bij die delicten sprake is van voortdurende of aflopende delicten. Gaat het om voortdurende delicten, dan zal de verjaring pas aanvangen op de dag nadat de verboden toestand is geëindigd, terwijl bij aflopende delicten de verjaring de dag na elk afzonderlijk gepleegd feit aanvangt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten, zoals ten laste is gelegd onder 2, gekwalificeerd moet worden als een voortdurend delict. Dit delict is immers pas voltooid – en de termijn van verjaring vangt pas aan – op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert. Het feit dat er in werkelijkheid geen Amerikaanse staatsobligaties door de verdachte werden gekocht, doet hier niet aan af. Het hof is derhalve van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit."

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft door slechts te overwegen dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde delict gekwalificeerd moet worden als een "voortdurend delict" omdat dit delict "pas [is] voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert" zijn oordeel omtrent de aanvang van de verjaring niet behoorlijk gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof geen inzicht erin gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Tweede middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan - kort gezegd - het opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het daarvoor vereiste opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2, Sr, doch tevens dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op - kort gezegd - het door betrokkene 11 opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten, niet zonder meer uit de hiervoor onder 2.3 en 2.4 weergegeven bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Herzieningsaanvraag witwassen

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1345 Verzoeker is op 10 november 2014 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens witwassen. In de aanvraag tot herziening wordt gesteld dat sprake is van een novum. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling indien de rechter bekend zou zijn geweest met twee naderhand op schrift gestelde verklaringen.

Ter ondersteuning van de aanvraag zijn in kopie twee schriftelijke verklaringen overgelegd, welke – voor zover hier van belang – inhouden:

- "[betrokkene 1]

(...)

In de periode van 2004 tot 2015 heb ik zelf gezien hoe groovekings zich ontwikkelde tot een van de top dans groepen in de wereld. Na hun debuut op Tv "Hollands got talent" begon [A] ook in Nederland zich te plaatsen als een gevestigde naam. [A] waren al een bekend gezicht op verschillende podia's & festivals in europe & azie, meestal verzorgde [A] onder leiding van [aanvrager] opening acts voor verschillende nationale & internationale muziek artiesten, waaronder bekende Nederlander Patricia paay veelvuldig gebruikt van maakte.

[A] heeft zelfs de opening act verzorgd voor de Rotterdam-denhaag Metro lijn (RET)

ik heb bank afschriften van [A] gezien waarop een TIENTAL Duizend euro gestort was voor projecten.

[aanvrager] heeft mij meerdere keren verteld dat hij wat geld heeft opgespaard en dans school wilde beginnen. [aanvrager] vertelde mij dat het zijn droom was om ooit zijn eigen dans school te bezitten."

- "Ik ben [betrokkene 2]. Ik ben een goeie vriend van [aanvrager].

Bijna net als een broer.

Ik ken [aanvrager] al sinds 2003.

Toen begon ik met hem om te gaan. [aanvrager] is altijd iemand die ik weet wat geld had. hij heeft mij vaak geholpen met geld.

Dus Als ik moet zeggen dat [aanvrager] geld altijd had ja!

Ik ben vaak met hem op vakantie geweest na wedstrijden

Dus ik sta als getuigen voor hem."

Aan deze verklaringen kan, mede gelet op hetgeen het Hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld (zoals weergegeven in de aanvraag), niet het ernstig vermoeden worden ontleend dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het daarmee bekend was geweest. Immers, de in algemene bewoordingen gestelde omstandigheid dat de aanvrager in de periode van 2003 tot 2015 altijd geld had en wat geld had opgespaard, tast niet het oordeel van het Hof aan dat het, gelet op de omstandigheden waaronder op 14 februari 2013 te Schiphol een geldbedrag van 88.500 euro onder de aanvrager is aangetroffen en op zijn wisselende verklaringen over de herkomst daarvan, niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is en dat de aanvrager dit wist.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR benadrukt dat beoordeling medeplegen afhankelijk blijft van concrete omstandigheden van het geval

Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 De verdachte is bij arrest van 13 november 2014 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het medeplegen van diefstal met geweld. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen "tezamen en in vereniging met anderen" (het medeplegen) ontoereikend is gemotiveerd.

Nadere overwegingen Hoge Raad m.b.t. medeplegen

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Deze overwegingen luiden als volgt:

"3.1. De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).

In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012,ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).

Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit."

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 aan deze algemene overwegingen het navolgende toegevoegd:

"3.2.1. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Opmerking verdient dat het voorgaande, zoals in genoemd arrest is overwogen en uit de daar aangehaalde voorbeelden ook blijkt, in vergelijkbare zin geldt indien het medeplegen - bij voorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel 'gepleegd door twee of meer verenigde personen' bevat, zal de rechter derhalve moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

In het hiervoor genoemde arrest is voorts overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen."

In de hierboven weergegeven arresten heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr en ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. de arresten van heden ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals uit de weergegeven arresten blijkt, zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene - al dan niet als uitvoeringshandeling tenlastegelegde - gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, terwijl ook niet is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Het gaat hierbij niet om steeds precies van elkaar af te grenzen typeringen.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte heeft meermalen contact gehad met het mobiele telefoonnummer van medeverdachte betrokkene 1. In de periode van 19 tot en met 20 november 2003 heeft de verdachte gebruik gemaakt van twee telefoons en drie simkaarten en heeft hij meermalen de simkaart verwisseld in die telefoons. Op 19 en op 20 november 2003 is de verdachte gebeld vanuit een telefooncel in de buurt van het filiaal van de Fortis bank aan de A.J. Ernststraat. De verdachte heeft op 19 november 2003 tweemaal en op 20 november 2003 tweemaal gebeld naar een intern, niet voor klanten bestemd telefoonnummer van dit filiaal van de Fortis bank. Toen de verdachte op 20 november 2003 voor de tweede keer naar dat interne nummer van de Fortis bank belde, heeft hij gesproken met betrokkene 1 die op dat moment als stagiair werkzaam was in dit filiaal van de Fortis bank. Tijdens dit gesprek heeft betrokkene 1 aan de verdachte gevraagd of hij briefjes van tweehonderd had besteld en gezegd "ik ga even voor u kijken". Daarop is betrokkene 1 naar lade 11 gelopen en heeft hij deze door middel van een code geopend. Op het moment dat betrokkene 1 lade 11 open had, kwam een mededader binnen die dreigend met een wapen sommeerde een plastic tas te vullen met geld. Betrokkene 1 heeft het geld uit lade 11 in deze plastic tas gedaan.

In de bewijsvoering ligt als 's Hofs vaststelling besloten dat de verdachte ter uitvoering van een voordien door hem en zijn mededaders gemaakte afspraak betrokkene 1 heeft gebeld op een intern telefoonnummer van de Fortis bank op een moment waarop die betrokkene 1 werkzaam was bij die bank zodat die betrokkene 1 kon voorwenden dat hij een klant aan de telefoon had voor wie hij lade 11 moest openen, waardoor deze lade open was op het moment waarop een mededader het filiaal binnenkwam en het geld door deze mededader kon worden meegenomen. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, gelet op de onderlinge taakverdeling, het karakter droegen van een gezamenlijke uitvoering. Gelet hierop alsmede op de evenvermelde vaststellingen van het Hof heeft het Hof zijn oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde delict van voldoende gewicht is en dat derhalve sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen in Klimop-zaken blijven in stand, twee vrijspraken moeten over

In acht Klimop-zaken blijven de veroordelingen in stand. Dat heeft de Hoge Raad op 5 juli geoordeeld. Twee zaken, waarin een BV werd vrijgesproken, moeten opnieuw door het hof worden behandeld.

Een cruciale rol in deze zaak werd vervuld door de verdachten J. van V., N. V. (die inmiddels is overleden) en O. L. Zij waren in de jaren ’90 werkzaam bij Bouwfonds als (respectievelijk) directeur vastgoed-ontwikkeling, adviseur en controller/financieel directeur. Bij grote bouwprojecten, zoals het project Eurocenter (de ontwikkeling en bouw van kantoren en woningen aan de Zuidas), werden hoge bedragen gefactureerd voor werkzaamheden die niet waren uitgevoerd. Daarmee werden bij deze en gene ‘potjes’ gecreëerd, waaruit de verdachten en anderen zich konden verrijken.

De strafbare feiten die in dit verband zijn gepleegd, zijn onder andere: valsheid in geschrift, verduistering, witwassen, deelneming aan een criminele organisatie . De Hoge Raad heeft het merendeel van de klachten van verdachten met een verkorte motivering verworpen.

Hoofdverdachte Van V. werd veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf, onder meer voor witwassen. Dat de geldbedragen die hij probeerde te verhullen afkomstig waren van misdrijven die waren gepleegd voordat witwassen strafbaar was gesteld (art. 420bis Sr) staat aan die veroordeling volgens de Hoge Raad niet in de weg.

Oud-notaris K. is door het hof veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. Die straf blijft in stand. Volgens de Hoge Raad heeft het hof uit de specifieke feiten van het geval kunnen opmaken dat de notaris zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan het opstellen van een valse verkoopakte.

Van T. werd door het hof veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Ook die straf blijft in stand. De vertraging van de behandeling van zijn zaak door een wraking van de rechtbankhoefde volgens de Hoge Raad niet tot een lagere straf te leiden.

Voormalig directeur van het Philips Pensioenfonds W.A.D.  F. heeft zijn cassatieberoep niet doorgezet en is daarin daarom niet-ontvankelijk verklaard. Zijn veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf is nu definitief.

Solid Brick BV en Parck Vastgoed Ontwikkeling Nederland BV zijn door het hof vrijgesproken. Het hof heeft die vrijspraak gemotiveerd met de overweging dat de vertegenwoordigers van deze verdachten (Del C. respectievelijk K.) zelf zijn veroordeeld als plegers van de aan de BV’s tenlastegelegde feiten. Zij zouden de BV’s hebben gebruikt als middel om die feiten te kunnen plegen. Het OM heeft tegen die vrijspraken cassatieberoep ingesteld. De HR heeft in beide zaken de beslissing van het hof vernietigd omdat de motivering van het hof niet in orde is. Deze zaken gaan terug naar het hof Amsterdam.

 

Lees hier de volledige uitspraken van de Hoge Raad:

Print Friendly and PDF ^