Verjaring: Hof had onderzoek moeten instellen naar de ontvankelijkheid van het OM en blijk moeten geven dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden

Hoge Raad 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3498 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 17 juni 2014 voor 1 subsidiair: verduistering en 2: witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging voor het gedeelte van de ten laste gelegde periode dat op 27 december 2005 is verstreken.

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 323 Sr en veroordeeld voor het misdrijf van artikel 321 Sr, waarop een gevangenisstraf van drie jaren is gesteld. De strafvervolging verjaart dan na verloop van zes jaren. De inleidende dagvaarding is de eerste daad van vervolging. Deze dagvaarding is gedateerd 27 december 2011. Van een daad van vervolging in de zaak in de zes jaren die aan deze datum voorafgingen, is niet kunnen blijken. Het recht tot strafvervolging voor verduistering begaan voor 27 december 2005 is daarom vervallen.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op verduistering (art. 321 Sr.). Overtreding van deze bepaling wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr beloopt de verjaringstermijn dus zes jaren. De inleidende dagvaarding is op 27 december 2011 aan de verdachte betekend.

Nu tussen de betekening van de inleidende dagvaarding enerzijds en een deel van de tenlastegelegde periode anderzijds meer dan zes jaren zijn verlopen zou het recht tot strafvordering in zoverre zijn verjaard, tenzij de verjaring ingevolge art. 72 Sr door een daad van vervolging tegen de verdachte of tegen een ander mocht zijn gestuit.

Uit het vorenstaande vloeit dan ook rechtstreeks de mogelijkheid voort dat het Openbaar Ministerie ten tijde van de behandeling in hoger beroep slechts wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk was in zijn vervolging ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Dit brengt mee dat het Hof - dat ingevolge het voorschrift van art. 348 in verband met art. 415 Sv een onderzoek moest instellen naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie - ervan had moeten doen blijken of een zodanig onderzoek heeft plaatsgevonden. Nu het Hof niet aan die eis heeft voldaan, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie AG: gevolgd

3.3. De ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging wordt geregeerd door de inhoud van de tenlastelegging. De rechter moet doen blijken de mogelijkheid van verjaring van dat recht te hebben onderzocht wanneer die mogelijkheid rechtstreeks uit de tenlastelegging voortvloeit. In de onderhavige zaak is als feit 1 subsidiair ten laste gelegd dat verdachte als beheerder van de Stichting [B] in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 22 november 2002, in elk geval op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 31 december 2011, geld dat hij in die hoedanigheid, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Deze tenlastelegging heeft dus in de eerste plaats betrekking op artikel 323 Sr. Op artikel 323 Sr is een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren gesteld. De verjaringstermijn is ingevolge artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3 Sr in de tenlastegelegde periode steeds twaalf jaren geweest. Subsidiair ziet de tenlastelegging op artikel 321 Sr, omdat ook is ten laste gelegd "in elk geval anders dan door misdrijf". En daar ligt wel een verjaringsvraag.

3.4. In zijn dissertatie verwijst Van Dorst naar de verhandelingen over verjaring van het vervolgingsrecht ingeval van samengestelde tenlasteleggingen in het proefschrift van Dirk Herman de Jong over de macht van de tenlastelegging. De Jong geeft als voorbeeld een tenlastelegging waarin verdachte primair van een misdrijf en subsidiair van overtreding wordt beschuldigd. Als de rechter vrijspreekt van het primaire misdrijf en het vervolgingsrecht voor de subsidiair ten laste gelegde overtreding is verjaard, dan zal uiteindelijk - na de vrijspraak van het primair tenlastegelegde - een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging van de overtreding het gevolg moeten zijn. In de onderhavige zaak heeft het hof vrijgesproken van de beschuldiging voor zover die zag op artikel 323 Sr en veroordeeld voor de gewone verduistering van artikel 321 Sr. De verjaringstermijn voor een vervolging voor artikel 321 Sr is steeds zes jaren geweest.

3.5. Als de inleidende dagvaarding de eerste daad van vervolging was, is het vervolgingsrecht van het OM voor de eenvoudige verduistering van artikel 321 Sr, voor zover begaan voor 27 december 2005, vervallen.

Ik merk echter in dit verband het volgende op. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg van 16 november 2012 is sprake geweest van een medeverdachte, [betrokkene 3], de echtgenote van verdachte. De strafzaak tegen deze medeverdachte is gelijktijdig met die van verdachte behandeld. Op 1 januari 2006 heeft het eerste lid van artikel 72 Sr zijn thans nog geldende inhoud gekregen. Daarvoor luidde het eerste lid aldus, dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij. Als na 1 januari 2006 wel tegen de medeverdachte, maar niet tegen verdachte een daad van stuiting is ondernomen, kan ook in de strafvervolging tegen verdachte voor verduistering begaan vóór 27 december 2005 een nieuwe verjaringstermijn zijn begonnen en zou de vervolgingsverjaring ook ten aanzien van verdachte tussendoor kunnen zijn gestuit.

Voor zover de tenlastelegging verdachte beschuldigt van verduistering na 27 december 2005 is het vervolgingsrecht in ieder geval nog niet verjaard.

3.6. Als zich tot 27 december 2011 geen stuiting van de vervolgingsverjaring heeft voorgedaan, hetzij door een daad van vervolging van verdachte zelf, hetzij door een daad van vervolging van zijn medeverdachte, is het vervolgingsrecht van het tenlastegelegde voor zover dat zou zijn begaan voor 27 december 2005 vervallen. In zoverre volg ik de steller van het middel. De steller van het middel meent dat in dat geval niet kan worden volstaan met de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie voor de periode vóór 27 december 2005, maar dat ook zal moeten worden onderzocht of verduistering bewezen kan worden in de periode daarna.

3.7. Het eerste middel is gegrond voor zover het er over klaagt dat het hof, toegekomen aan de beoordeling van het als 1 subsidiair ten laste gelegde feit, ervan uit lijkt te zijn gegaan dat het vervolgingsrecht voor de gehele ten laste gelegde periode onaangetast was. Dat is niet zonder meer evident. Maar welke consequenties dat moet hebben voor de veroordeling van feit 1 subsidiair en feit 2 wil ik aan de orde stellen in samenhang met de bespreking van het tweede middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verjaring: voor de beantwoording van de vraag of het tlgd feit is verjaard, moet de tll worden beoordeeld naar de stand van het recht ttv de beantwoording van die vraag en niet naar de stand van het recht ttv het uitbrengen van de dagvaarding. HR verklaart OvJ alsnog niet-ontvankelijk.

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3441 Verdachte is in hoger beroep veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren met ontzegging de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In deze zaak vindt ambtshalve beoordeling van de verjaring door de Hoge Raad plaats.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Dit is niet anders indien de verlenging van de verjaringstermijn een uitvloeisel is van de invoering van een strafverzwarende omstandigheid.

Hieruit vloeit voort dat voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit is verjaard, de tenlastelegging moet worden beoordeeld naar de stand van het recht ten tijde van de beantwoording van die vraag en dus niet naar de stand van het recht ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding.

Dit betekent in het onderhavige geval dat bij de beoordeling van de verjaring moet worden uitgegaan van art. 175 WVW 1994 zoals dat thans luidt en dat de tenlastelegging moet worden verstaan in overeenstemming met die (huidige) bepaling. Dat brengt mee dat bij de beoordeling van de verjaring ervan moet worden uitgegaan dat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, kort gezegd, roekeloos rijgedrag in de zin van het huidige art. 175 WVW 1994 en (impliciet) subsidiair aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag en voorts meer subsidiair hetgeen in de tenlastelegging als "subsidiair" is aangeduid. Nu echter het Hof de verdachte heeft vrijgesproken van het roekeloze rijgedrag en het beroep kennelijk niet tegen deze vrijspraak is gericht, staat dat onderdeel van de tenlastelegging niet ter toetsing in cassatie.

Het tenlastegelegde aanmerkelijk onvoorzichtig rijden dat wel aan de beoordeling door de Hoge Raad is onderworpen, is bij art. 6 in verbinding met de art. 175 en 178 WVW 1994, zoals deze bepalingen thans luiden, strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en drie maanden is gesteld. Het (meer) subsidiair tenlastegelegde sub 1 en 2 is bij art. 163 onderscheidenlijk art. 8 in verbinding met de art. 176 en 178 WVW 1994 strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden is gesteld. Het (meer) subsidiair tenlastegelegde sub 3 is bij art. 5 in verbinding met de art. 177 en 178 WVW 1994 strafbaar gesteld als overtreding.

De feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 1 november 2002. Wat betreft de misdrijven beloopt de verjaringstermijn ingevolge art. 70, eerste lid aanhef en onder 2˚, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft de overtreding beloopt de verjaringstermijn op grond van het tweede lid van art. 72 Sr tien jaren.

Uit het vorenstaande volgt dat met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten, voor zover die aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen, het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. De Hoge Raad zal daarom, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank Amsterdam is vernietigd en verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting enkel strafbaar indien het werkelijke belastbaar bedrag hoger is

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3432 Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verdachte veroordeeld tot een geldboete van €540.000 wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 1).

Het gaat in deze zaak om schijnleveringen van prepaidtelefoonkaarten door verdachte aan een in het buitenland gevestigde ondernemer met het doel het plegen van BTW-fraude. Door verdachte zijn prepaidtelefoonkaarten ingekocht en vervolgens doorverkocht. Een groot deel van deze telefoonkaarten zou aan het Belgische bedrijf A zijn doorgeleverd. Calling Card, de onderneming waar de telefoonkaarten door verdachte hoofdzakelijk werden ingekocht, heeft bij de verkoop omzetbelasting in rekening gebracht, hetgeen door verdachte als voorbelasting is afgetrokken. Door verdachte is bij het doorleveren van de telefoonkaarten aan A geen BTW in rekening gebracht en afgedragen.

In de boekhouding van verdachte zijn verkoopfacturen opgenomen gericht aan A te Antwerpen in België, waarop telefoonkaarten van Nederlandse telecomproviders in rekening worden gebracht. Voorts volgt uit de boekhouding dat de facturen allemaal contant zijn betaald en de zendingen telefoonkaarten door B uit Rotterdam naar Antwerpen zijn vervoerd en aldaar bij A zijn afgeleverd. Feitelijk zouden deze aan A gefactureerde telefoonkaarten evenwel nimmer bij A zijn afgeleverd, maar vanaf het bedrijfsadres van verdachte zijn afgeleverd bij personen op diverse locaties in Rotterdam. Voor het ondertekenen van de noodzakelijke afleveringsbescheiden door een functionaris van A te Antwerpen, zou gebruik worden gemaakt van een “stroman”, betrokkene 2, door wie de facturen en pakbonnen van verdachte voor ontvangst werden afgestempeld en ondertekend. De aan verdachte toekomende gelden zouden door diverse verdachten contant op de rekening van verdachte zijn gestort, waartoe door verdachte een bankpasje beschikbaar werd gesteld. Het gestorte geld werd door de diverse verdachten voorafgaande aan de stortingen opgehaald (op het kantooradres) bij de personen in Rotterdam alwaar de telefoonkaarten zijn afgeleverd. Deze laatste personen hebben de telefoonkaarten vervolgens op de Nederlandse markt verkocht.

Door deze handelswijze is bewerkstelligd dat door verdachte telefoonkaarten ten onrechte, nu de transacties feitelijk geen intracommunautaire leveringen betroffen, zonder omzetbelasting zijn verkocht en geleverd. Medeverdachte wordt, als directeur en leidinggevende functionaris van verdachte, verweten daaraan feitelijk leiding te hebben gegeven.

Middel

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring.

Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat “zij in de periode van 01 juli 2003 tot en met 06 mei 2004 te Breda en/of Heerlen en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden juli 2003 tot en met april 2004 (op naam van verdachte) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.”

Beoordeling Hoge Raad

Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat door de verdachte in de periode juli 2003 tot en met april 2004 telkens op de aangiftebiljetten omzetbelasting een te laag belastbaar bedrag is opgegeven.

Die klacht berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige waarin - ook al noopt art. 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen daartoe niet - niet alleen ten laste is gelegd dat onjuiste of onvolledige aangiften zijn gedaan, maar ook dat in die aangiften een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, dat laatste slechts kan worden bewezen indien vaststaat dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is. Deze opvatting is juist.

Het Hof heeft dat miskend. Het Hof had, in aanmerking genomen het in hoger beroep gevoerde verweer dat blijkens de uitspraak van 2 juli 2010 van de belastingkamer van het Hof de aan de verdachte in rekening gebrachte omzetbelasting in de aangiften terecht in vooraftrek is gebracht, niet in het midden mogen laten hoe die uitspraak zich verhoudt tot de vraag of het werkelijk in aanmerking te nemen belastbare bedrag hoger is dan het door de verdachte opgegeven belastbare bedrag. Daarom is de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat "zij immers telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag belastbaar bedrag aan belasting heeft opgegeven", ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is dus in zoverre gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR oordeelt over strekkingsvereiste art. 69 Awr. Gedraging moet "naar haar aard in het algemeen geschikt zijn om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven".

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de wijze van aangifte niet de strekking had dat minder belasting werd geheven. Er is dus geen overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De raadsman voegt hier nog aan toe dat het feit een zuiver voorbeeld betreft van oplichting (artikel 326 Sr), nu er immers geld is gevraagd en verkregen wat niet aan de verdachte toekwam. Dit feit is echter niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 23) is voor de vaststelling of een gedraging voornoemde strekking heeft, bepalend of de gedraging gezien de effecten die dergelijke gedragingen in het algemeen plegen te hebben, als gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven. De in dit feit omschreven gedragingen zijn, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van dit feit voldaan. Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat verdachte voor oplichting vervolgd had kunnen worden, overweegt het hof dat het de bevoegdheid is van het openbaar ministerie om te beslissen op welke wijze en in welke vorm dit een gedraging als de onderhavige te laste legt.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte onder dreiging van strafvervolging en een gevangenisstraf stukken ter onderbouwing van zijn aangifte aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Nu het hier om wilsafhankelijk materiaal gaat, is deze gang van zaken in strijd met artikel 6 van het EVRM. De verdediging verbindt hieraan de conclusie dat alle door verdachte na de door de ambtenaren uitgeoefende druk overgelegde stukken niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat het gebruik van deze stukken in strijd is met het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken (nemo tenetur). Nu aan de hand van de overgelegde stukken nader onderzoek is gedaan, dienen vervolgens ook de getuigenverklaringen en overige stukken te worden uitgesloten van het bewijs. Deze bewijsuitsluiting dient tot vrijspraak te leiden van het tenlastegelegde feit, aldus de raadsman.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde stukken materiaal betreft dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat. Het gebruik daarvan als bewijsmiddel is om die reden niet in strijd met het nemo tenetur-beginsel en kan dan ook als bewijs in de strafprocedure worden betrokken. Naar het oordeel van het hof is bovendien op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat door de controle-ambtenaren handelingen zijn verricht die in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. De enkele omstandigheid dat verdachte is gewezen op mogelijke strafrechtelijke consequenties van het niet voldoen aan een wettelijke verplichting, doet daar niet aan af en levert geen zodanige ontoelaatbare druk op dat sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel berust op de opvatting dat een aangifte die is gedaan naar aanleiding van 'fictieve' handel teneinde ten onrechte teruggaven van omzetbelasting te bewerkstelligen, niet heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR omdat zo een aangifte niet ertoe kan strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Die opvatting is onjuist, omdat - blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 weergegeven wetsgeschiedenis - de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging - in dit geval het ten onrechte claimen van belastingteruggaven - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (vgl. HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493).

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: De opvatting dat bij een rechtspersoon geen redelijke vrees kan ontstaan is onjuist

Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3360 Het Gerechtshof `s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting A.

Beoordeling Hoge Raad

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met brandstichting is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat brand zou worden gesticht (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448).

Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat bij een rechtspersoon, anders dan bij een natuurlijk persoon, geen 'redelijke vrees' kan ontstaan, berust het middel op een onjuiste opvatting. Van het ontstaan van zulke vrees bij een rechtspersoon kan sprake zijn indien bij voor een rechtspersoon relevante natuurlijke personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee de rechtspersoon is bedreigd, zou kunnen worden gepleegd.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij de balie van Woningstichting A heeft gezegd "als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik", en dat ter plaatse heeft herhaald tijdens een telefoongesprek met de deurwaarder. Aldus heeft het Hof vastgesteld dat de bedreiging inhield dat het kantoor van Woningstichting A in brand zou worden gestoken. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat bij aangeefster, die als interim woonconsulent werkzaam is bij Woningstichting A, daadwerkelijk vrees is ontstaan dat verdachte tot die brandstichting zou overgaan, en dat ook de overige medewerkers van de woningstichting zich door de uitlatingen van de verdachte daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat door de uitlatingen van de verdachte bij voor de Woningstichting relevante personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het kantoor van de woningstichting in brand zou worden gestoken.

Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte Woningstichting A met brandstichting heeft bedreigd, niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr en is, mede gelet op de bewijsvoering, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^