Verzoek tot herziening leidt tot vrijspraak door Hoge Raad: vrijstelling schoolbezoek met terugwerkende kracht

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2432

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 2 november 2012 tot en met 25 februari 2013 te Haarlem, als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten de Schoter Scholen Gemeenschap was ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken zulks terwijl ten aanzien van verdachte de (volledige) leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was geëindigd en - hij geen startkwalificatie, als bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, had behaald."

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 27 juni 2013 - het tenlastegelegde bewezenverklaard en de aanvrager ter zake van "als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen", schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Bij arrest van 11 november 2014 heeft de Hoge Raad aanvrager niet-ontvankelijk verklaard in het tegen ’s hofs arrest ingestelde cassatieberoep. De veroordeling is dus onherroepelijk.

Aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken, indien aan het Hof bekend zou zijn geweest dat hem bij beschikking van 31 oktober 2014 van de Leerplichtambtenaar Zuid-Kennemerland alsnog vrijstelling is gegeven van geregeld schoolbezoek voor de tenlastegelegde periode.

Conclusie AG

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de aanvrager zal vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

Beoordeling Hoge Raad

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

Conclusie

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013 zal worden vernietigd en de aanvrager alsnog van het hem tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal om redenen van doelmatigheid deze verwijzing achterwege blijven en zal de Hoge Raad zelf de aanvrager vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigt de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd en spreekt de aanvrager vrij van het hem tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: geen niet-ontvankelijkheid OM bij forse overschrijding rededelijke termijn in jeugdzaken. AG anders.

Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465          Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 20 september 2012, waarbij het Openbaar Ministerie ten aanzien van een aantal ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de minderjarige verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Aanleiding en reden voor de vordering

De indiening van deze vordering wordt ingegeven door het navolgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 de uitgangspunten en regels inzake overschrijding van de redelijke termijn herijkt en daarbij tevens vastgesteld welke rechtsgevolgen aan een inbreuk op de redelijke termijn dienen te worden verbonden. Daarbij heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Door de Hoge Raad is in dit verband geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarige en minderjarige verdachten. Volgens de Hoge Raad is het regel, dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

In de feitenrechtspraak in jeugdzaken wordt deze regel niet onverkort toegepast, zoals onder andere blijkt uit onderhavige zaak waarin het OM wegens overschrijding van de redelijke termijn niet ontvankelijk werd verklaard. Zoals hierna nog uitvoeriger uiteen zal worden gezet, is er in de feitenrechtspraak sprake van verdeeldheid over de vraag of in gevallen van aanzienlijke overschrijdingen van de redelijke termijn, ondanks de rechtspraak van de Hoge Raad zoals hiervoor weergegeven, toch tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan worden besloten. Het gaat dan om gevallen waarin berechting en bestraffing van de minderjarige volgens de rechter door de lange duur van de strafrechtelijke vervolging zin- of nutteloos is geworden. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) ertoe verplichten dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen.

In dat verband is ook van belang dat in het internationale en verdragsrechtelijke verband waar Nederland deel van uitmaakt een ontwikkeling gaande is, waarin het vooropstellen van de belangen van een jeugdige verdachte bij het nemen van strafrechtelijke beslissingen in toenemende mate voorop wordt gesteld. De feitenrechters die het OM niet ontvankelijk hebben verklaard verwijzen hier ook naar.

Twee vragen

Deze vordering is er op gericht de Hoge Raad ten eerste de vraag voor te leggen of, gelet op de ontwikkelingen in de feitenrechtspraak en de ontwikkeling van de gezichtspunten ten aanzien van berechting van minderjarigen, het standpunt in de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan leiden, zou moeten worden heroverwogen.

Een tweede kwestie die zich opdringt, betreft de vraag of de termijn van zestien maanden waarbinnen jeugdstrafzaken in beginsel in iedere feitelijke aanleg moeten worden afgedaan, nog altijd als redelijk kan worden beschouwd in het licht van de eisen die aan de berechting van minderjarigen in art. 40, tweede lid onder b, iii van het IVRK worden gesteld.

Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam waarop het middel betrekking heeft

De tenlastegelegde feiten onder parketnummer 13/670164-10 waarop de niet-ont-vankelijkheid betrekking heeft, zijn de diefstal in vereniging van een of meer spijkerbroeken ter waarde van € 39, 95 uit de winkel van Hennes & Mauritz te Amsterdam op 1 november 2009 (feit 2) en de diefstal in vereniging van een of meer (jogging) broeken uit de winkel van Peek en Kloppenburg te Amsterdam op 20 oktober 2009 (feit 3). Het vonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven. Een vergelijkbaar voorschrift is te vinden in artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA 7309, NJ 2000, 721 stelt de Hoge Raad, dat, als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad in dit arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van ingewikkelde zaken en dat verdachte en/of zijn raadsman tot op heden geen invloed heeft uitgeoefend op het procesverloop. De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaken door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Integendeel. De rechtbank constateert dat de zaak met parketnummer 13/401767-09 reeds op de zitting van de kinderrechter van 20 november 2009 is aangebracht. Daarbij is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden om onder meer het rapport van de Raad af te wachten en de zaak gelijktijdig te behandelen met de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 13/670164-10. Zonder duidelijke reden heeft het vervolgens bijna 34 maanden geduurd voordat de zaken uiteindelijk op zitting behandeld zijn. In ieder geval is niet gebleken van een omstandigheid die verdachte kan worden tegengeworpen of de redelijke termijn doet verlengen.

De periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is ten aanzien van de drie genoemde feiten aangevangen op respectievelijk 20 oktober en 11 en 12 november 2009 en eindigt vooralsnog met een eindvonnis in eerste aanleg per 6 september 2012. De duur van deze periode is 34 maanden. De hiervoor vastgestelde redelijke termijn van 16 maanden wordt dus met 18 maanden overschreden.

In het arrest van 17 juni 2008 (r.o. 3.21) heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 (LJN: BL3228), alwaar het een strafzaak betrof waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast, nog eens herhaald.

De vraag rijst of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkverklaring leidt, rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

In voormelde arresten noch - voor zover de rechtbank bekend - in sindsdien gewezen arresten heeft de Hoge Raad daaraan overwegingen gewijd. Om die reden acht de rechtbank zich vrij om te onderzoeken of het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het IVRK in de onderhavige zaken ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook in het jeugdstraf(proces)recht zal dit als uitgangspunt dienen te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht bevestigd. Het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

Een periode van 34 maanden is in de onderhavige zaken, gelet op het procesverloop alsmede het tenlastegelegde feit, voor een jeugdige zoals verdachte, die destijds 16 jaar was en thans 19 jaar is, een dusdanig lange termijn dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al wordt de straf verminderd, niet alleen verloren gaat, maar tevens de huidige ontwikkeling van de verdachte op een niet langer aanvaardbare wijze zou kunnen doorkruisen. De enige beslissing die in deze zaak nu nog op zijn plaats is, dus die waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het IVRK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht in de zaak van verdachte ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde.”

Middel

Het middel strekt in de eerste plaats ertoe dat de Hoge Raad zal overgaan tot aanpassing van zijn rechtspraak over de rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In de tweede plaats stelt het middel de vraag aan de orde of de termijn van zestien maanden waarbinnen een zaak tegen een jeugdige in beginsel moet worden berecht en afgedaan als redelijk kan worden beschouwd.

Conclusie AG Spronken

De jurisprudentie van de Hoge Raad is tot nu toe duidelijk, in die zin dat er geen plaats is voor niet-ontvankelijkheid van het OM als reactie op overschrijding van de redelijke termijn. De met een zekere regelmaat voorkomende, van deze jurisprudentie afwijkende, rechterlijke uitspraken zijn de reden om door middel van deze vordering aan de Hoge Raad de vraag voor te leggen of deze rechtspraak aanpassing behoeft. Ik meen dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. Dat betekent dat ik de opvatting van de rechtbank in het vonnis waarop deze vordering betrekking heeft, die inhoudt dat in jeugdstrafzaken in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid moet bestaan het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet onjuist acht. Om daarover het oordeel van de Hoge Raad te verkrijgen heeft de AG in onderstaand middel het tegengestelde standpunt ingenomen.

De AG is van mening dat de termijn van 16 maanden die thans in het jeugdstrafrecht wordt gehanteerd voor de bepaling of de redelijke termijn is geschonden, bijstelling verdient.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende arresten van belang:

HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL9062:

"3.4. Art. 40, tweede lid, Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 107) luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

"Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:

a. (...)

b. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft;

(i) (...)

(ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen (...);

(iii) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden".

Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat art. 40, tweede lid sub b onder iii, Verdrag inzake de rechten van het kind ten aanzien van de termijn waarbinnen een strafzaak tegen een jeugdige moet worden berecht, andere, verder gaande, eisen stelt dan reeds uit art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM voortvloeien. Ook in die bepalingen wordt het in algemene termen omschreven uitgangspunt van een voortvarende behandeling uitgedrukt, terwijl bij de toepassing ervan rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn eventuele jeugdige leeftijd daaronder begrepen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov 3.15 en 3.16).

Het voorgaande strookt ook met hetgeen is opgemerkt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 24 november 1994, Stb. 862, tot goedkeuring van voormeld verdrag, alwaar voorzover hier van belang, is opgenomen:

"dat enkele verdragsbepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind rechten betreffen die in andere verdragen zijn vervat in bepalingen ten aanzien waarvan rechtstreekse werking mogelijk moet worden geacht of reeds is vastgesteld (...). Dit is bijvoorbeeld het geval (...) met het recht op een rechtvaardige behandeling in strafzaken in artikel 40, tweede lid (vergelijk artikelen 9, 14 en 15 van het IVBP en artikelen 5, 6 en 7 van het EVRM)";

en voorts is gesteld:

"In artikel 40 staan enkele bepalingen die reeds ten aanzien van het kind voortvloeien uit bestaande verdragen, zij het op een enkel punt meer toegespitst op de belangen van het kind." (Kamerstukken II 1992-1993, 22 855 (R1451), nr. 3, blz. 9 en blz. 49)"."

HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358:

"3.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721 enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. In zijn arrest van 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001, 307 heeft hij daaraan met het oog op ontnemingszaken nog het een en ander toegevoegd. Die uitgangspunten en regels zijn sedertdien in een reeks van arresten verfijnd en aangescherpt. De Hoge Raad acht het dienstig deze samen te vatten en aan te passen.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de genoemde arresten zijn cursief weergegeven. Waar hierna wordt gesproken van strafvervolging, verdachte en dagvaarding, wordt daaronder mede verstaan: ontnemingsvordering, degene tegen wie die vordering is ingesteld, alsmede diens oproeping. (...)

3.14. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (...).
3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin

a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of

b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (...).

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens (...) bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.
3.17. Daarnaast geldt in de appelfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden - en wat betreft zaken waarin op of na 1 september 2008 hoger beroep wordt ingesteld en waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast: meer dan zes maanden - na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. (...)

3.21. Overschrijding van de redelijke termijn, waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen, leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf (onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag) die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden."

HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3228:

"2.2. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Overschrijding van die termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging."

HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361, NJ 2015/133:

"3.3. Genoemd arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578,

NJ 2008/358 bevat enkele verfijningen en aanscherpingen van de vuistregels zoals die in HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721 zijn uiteengezet voor gewone strafzaken en in HR 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001/307 voor ontnemingszaken. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen leidde tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn brengt mee dat die vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, in beginsel een zekere duurzaamheid moeten hebben. (...)

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen, ziet de Hoge Raad op dit moment geen aanleiding deze aan te passen."

De in 2008 herijkte vuistregels beogen duidelijkheid te verschaffen over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan overschrijding van de redelijke termijn. Zij beogen het debat te stroomlijnen en te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het middel noch de daarin geciteerde rechterlijke uitspraken waarin wordt afgeweken van die vuistregels, geven de Hoge Raad op dit moment aanleiding tot aanpassing van zijn onder 3.2 vermelde rechtspraak in de door het middel bepleite zin.

De Hoge Raad merkt daarbij op dat het middel, op zichzelf terecht, sterke nadruk legt op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en op het grote belang van een voortvarende afdoening van zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In het midden kan overigens blijven of zich toch niet gevallen kunnen voordoen waarin het uit pedagogisch oogpunt juist niet verantwoord is dat een minderjarige van wie vaststaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict, enkel vanwege justitieel talmen ontkomt aan berechting en bestraffing.

Dat belang van een voortvarende afdoening brengt evenwel niet mee dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging het rechtsgevolg zou moeten kunnen zijn van de dadenloosheid van de justitiële autoriteiten. Dit rechtsgevolg is zelfs niet passend en geboden indien sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor berechting en wordt ook niet dwingend voorgeschreven door de in de toelichting op het middel vermelde verdragsbepalingen.

Mede gelet op andere dan in het middel genoemde belangen, bijvoorbeeld die van mogelijke slachtoffers, al dan niet in de hoedanigheid van benadeelde partij, is er onvoldoende reden om in zulke gevallen het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht te ontzeggen en niet te volstaan met een minder verstrekkend rechtsgevolg als strafvermindering of in voorkomende gevallen de in art. 9a Sr bedoelde schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Opmerking verdient ook dat een verdachte in voorkomende gevallen een verzoek als bedoeld in art. 36 Sv kan indienen.

In verband met de in het middel opgeworpen vraag of de afdoeningstermijn van zestien maanden wel als redelijk kan worden beschouwd, merkt de Hoge Raad het volgende op. De afdoeningstermijn dient zodanig te zijn dat zowel recht wordt gedaan aan het belang dat is gemoeid met een voortvarende afdoening van de zaak als aan het belang dat is gelegen in de waarborging van de kwaliteit van het strafproces. In het geval van een jeugdige verdachte dient daarbij onder meer te worden gedacht aan geactualiseerd onderzoek naar de persoon van de verdachte met het oog op de mogelijke oplegging van pedagogisch verantwoorde straffen en/of maatregelen. De door de Hoge Raad gehanteerde vuistregel dat in gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, de zaak - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - niet binnen 24 maanden maar binnen 16 maanden dient te zijn afgedaan, beoogt recht te doen aan al deze belangen. Deze vuistregel laat geheel onverlet dat een zo mogelijk voortvarender afdoening onmiskenbaar gewenst is.

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden uitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vervolging heling & witwassen bij identiek feitencomplex

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2445

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"2. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot 8 april 2009 in de gemeente Raalte en/of Kampen en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (hierna genoemde) auto's en/of kentekenbewijzen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto's wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof te weten (onder andere):

- een op of omstreeks 12 december 2008 in Vught weggenomen BMW X5 ( [AA-00-AA] ) (ZD 205) en/of

- een in of omstreeks de periode van 28 tot 30 maart 2009 in Rotterdam Volkswagen Golf GTI ( [BB-00-BB] ) (ZD 315) en/of

- een op of omstreeks 11 december 2008 in Alphen a/d Rijn weggenomen Peugeot 207, 1.6 HDI ( [CC-00-CC] ) (ZD 249) en/of

- een in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot 8 april 2009 in Frankrijk weggenomen Volkswagen Golf ( [DD-00-DD] ) (ZD 254) en/of

- een in of omstreeks de periode van 19 tot 21 februari 2008 in Rotterdam weggenomen Volkswagen Polo ( [EE-00-EE] ) (ZD 317);

(...)

5. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot 8 april 2009 in de gemeente Raalte en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer auto's te weten (onder andere)

- een BMW X5 ( [AA-00-AA] ) (ZD 205) en/of

- een Volkswagen Golf GTI ( [BB-00-BB] ) (ZD 3I5) en/of

- een Peugeot 207, 1.6 HDI ( [CC-00-CC] ) (ZD 249) en/of

- een Volkswagen Golf ( [DD-00-DD] ) (ZD 254) en/of

- een Volkswagen Polo ( [EE-00-EE] ) (ZD 317)

en/of een of meer geldbedragen (welke door de verkoop van die auto('s) was/waren verkregen) en/of een of meer kentekenbewijzen (welke bij die auto('s) was/waren gevoegd) en/of andere voorwerpen/goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf."

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"2. hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot 8 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, hierna genoemde auto's voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto's wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof te weten:

- een in de periode van 28 tot 30 maart 2009 in Rotterdam Volkswagen Golf GTI ( [BB-00-BB] ) (ZD 315) en

- een in de periode van 19 tot 21 februari 2008 in Rotterdam weggenomen Volkswagen Polo ( [EE-00-EE] ) (ZD 317);

5. hij in de periode van 1 januari 2009 tot 8 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een voorwerp, te weten een auto te weten:

- een Volkswagen Golf GTI ( [BB-00-BB] ) (ZD 315)

heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader wist dat bovenomschreven voorwerp

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de pleitnota heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het Hof een beroep gedaan op de (partiële) niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.

Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. Nochtans leidt de gegrondheid van het middel niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat berust op het volgende.

Verweer en middel - waarin terecht niet wordt geklaagd over schending van art. 68 Sr aangezien hier geen sprake is van 'andermaal vervolgen' in de zin van die bepaling ter zake van een feit waarover ten aanzien van de verdachte bij onherroepelijk gewijsde is beslist - steunen op de opvatting dat ingeval een verdachte ter zake van een (identiek) feitencomplex vervolgd zou kunnen worden voor zowel (schuld)heling als (schuld)witwassen, het openbaar ministerie - op straffe van niet-ontvankelijkheid in de vervolging - gehouden is bij het opstellen van de tenlastelegging een keuze te maken tussen die heling en dat witwassen. Die opvatting is onjuist. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, dwingt de wetsgeschiedenis niet tot zo een keuze. Die wetsgeschiedenis, die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11 is weergegeven, houdt op dit punt immers niet meer in dan: "De officier van justitie kan in zo'n geval kiezen welk feit hij telastelegt (eventueel kan hij de twee feiten ook alternatief telaste leggen)." De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501 uitgelegd dat ingeval het openbaar ministerie geen keuze heeft gemaakt, de samenloopbepalingen van de art. 55 e.v. Sr grenzen stellen aan de cumulatie van de op de verschillende feiten gestelde maximumstraffen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht opzettelijk voordeel trekken uit steunfraude

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2456 Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij verstek-arrest van 6 mei 2014 het vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2012 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte ter zake vanopzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren met een proeftijd van twee jaren.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 15 november 2004 tot en met 29 juli 2010 te Utrecht opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene] , met wie zij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, door middel van het opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan zij, verdachte, deel uitmaakte."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzettelijk voordeel trekken uit steunfraude niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte "opzettelijk" voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld.

Uit de bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de verdachte en betrokkene in de tenlastegelegde periode feitelijk samenwoonden, dat de verdachte wist dat betrokkene een uitkering genoot en dat de verdachte gebruik maakte van geld van betrokkene dat werd besteed aan het huishouden. Uit de bewijsmiddelen volgt niet zonder meer dat de verdachte wist dat betrokkene niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand en zonder nadere overweging evenmin dat zij "opzettelijk" voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is dus in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ambtshalve: de partiële verjaring van het meer subsidiair tlgd. leidt niet tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak, nu verdachte daarbij onvoldoende belang heeft

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2457 Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3968, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 11 februari 2014 - met vernietiging van het vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Almelo van 10 april 2008 - het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, doch het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging, de verdachte vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 30h van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Economische Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging van dat feit voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Middelen

Het eerste middel klaagt, mede in het licht van een daartoe strekkend door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer, over de (motivering van de) bewezenverklaring van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, nu een bewezenverklaring in strijd is met de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv (unus testis, nullus testis) wegens gebrek aan (toereikend) steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 2.  Daartoe is aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun geven aan de verklaringen van [betrokkene 2] dat verdachte (als medepleger) betrokken was bij het tenlastegelegde, nu deze bewijsmiddelen “op zichzelf en in onderlinge samenhang niets over de juistheid en waarheid van de verklaring van [betrokkene 2] zeggen”. Voorts is aangevoerd dat alle door het Hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zijn te herleiden tot één bron, [betrokkene 2] , terwijl de strekking van art. 342, tweede lid, Sv noopt tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.

Het tweede middel klaagt over de motivering van de verwerping door het Hof van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] zodanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het derde middel klaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van een zevental getuigen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Eerste middel

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat het steunbewijs dient te zien op de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten. Doorslaggevend is echter of de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, behelst het vereiste van voldoende steun niet dat de tweede bewijsgrond de verklaring van de getuige of de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit moet bevestigen. Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis sterkt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.

Uit de overweging volgt dat het Hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Daarbij wijst het Hof op verdachtes eerdere betrokkenheid bij de activiteiten in [A] (bewijsmiddel 5), op verdachtes betrokkenheid als leverancier van de internetzuilen (bewijsmiddelen 2, 5 en 6), op het overzicht “budget [A] ”, waaruit volgt dat verdachte een aanzienlijk bedrag van de opbrengst uit [A] ontving (bewijsmiddelen 3 en 4), op het tapgesprek tussen ‘[betrokkene 8]’, verhuurder van het pand waarin [A] was gevestigd, en [betrokkene 2] , waaruit kan worden afgeleid dat verdachte en [betrokkene 2] geld verdienden aan het “hok” en dat [betrokkene 2] nu, na de inval, met verdachte moet overleggen hoe het nu verder gaat (bewijsmiddel 18) en op de afgetapte telefoongesprekken tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waaruit volgt dat [betrokkene 2] wekelijks geld aan verdachte heeft afgestaan, terwijl verdachte niets deed, en dat [betrokkene 2] verdachte niet heeft “verluld” en dat er – kort gezegd – sprake was van een zekere machtsverhouding en een jarenlang samenwerkingsverband tussen [betrokkene 2] en verdachte (bewijsmiddelen 12, 13, 15, 16 en 17). Ook wijst het Hof erop dat verdachte nooit betaling heeft ontvangen voor de door hem reeds in 2003 geleverde internetzuilen (bewijsmiddel 6) en dat [betrokkene 2] heeft aangegeven dat er een beroep kon worden gedaan op een van de monteurs van [verdachte] als er iets kapot was en dat zij daarvoor niet hoefden te betalen (bewijsmiddel 11).

Nu het voorgaande meebrengt dat van het steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) zelfs kan worden gezegd dat het ziet op de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit (en daarmee overigens ook de verklaring van verdachte dat hij niet betrokken was bij het hem tenlastegelegde feit ontkracht), is aan het vereiste van voldoende steun ruimschoots voldaan. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel, mede gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep te berde is gebracht, voldoende gemotiveerd.

Voor zover door de steller van het middel voorts is aangevoerd dat voornoemde bewijsmiddelen allen zijn te herleiden tot één bron, te weten [betrokkene 2] , merk ik het volgende op. Van het schriftelijke bescheid “budget [A] ” is niet vastgesteld door wie het is opgemaakt en de inhoudelijk relevante passages uit de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken zijn afkomstig van de gesprekspartners van [betrokkene 2] in die telefoongesprekken en niet van [betrokkene 2] zelf. De verklaring dat er (zonder kosten) een beroep kon worden gedaan op de monteurs van verdachte is wel afkomstig van [betrokkene 2] , maar noopt niet tot een ander oordeel dan weergegeven onder 11.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het Hof heeft geoordeeld dat het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van [betrokkene 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd omdat deze onbetrouwbaar zijn en geen steun vinden in ander bewijsmateriaal, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het Hof heeft geconstateerd dat de getuige [betrokkene 2] wisselende verklaringen heeft afgelegd en heeft aangegeven bij het gebruik van die verklaringen de nodige behoedzaamheid te hebben betracht, terwijl het voor uitsluiting van het bewijs geen reden ziet.

In de bewijsoverweging van het Hof ligt besloten dat het de belastende verklaringen van de getuige [betrokkene 2] , het door de verdediging daaromtrent aangevoerde ten spijt, betrouwbaar heeft geacht, nu deze voldoende steun vinden in ander (objectief) bewijs. Dat steunbewijs bestaat onder meer, zoals reeds weergegeven bij de bespreking van het eerste middel, uit de tapgesprekken en het overzicht “budget [A] ”. Door de inhoudelijke betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [betrokkene 2] uitvoerig te toetsen aan het voorhanden steunbewijs, heeft het Hof zich verantwoord voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs. Het Hof heeft de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.

Voor zover de steller van het middel voorts heeft aangevoerd dat uit het arrest niets blijkt van de behoedzaamheid die het Hof stelt te hebben betracht, merk ik op dat, anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, de behoedzaamheid niet enkel tot uitdrukking kan worden gebracht door (essentiële) onderdelen van de verklaringen van de getuige niet voor het bewijs te bezigen, maar bijvoorbeeld ook, zoals in het onderhavige geval, door de verklaringen uitvoerig te toetsen aan ander voorhanden bewijs.

Het middel faalt.

Derde middel

Op 29 december 2009 heeft het Hof arrest gewezen, waartegen namens verdachte op 11 januari 2010 beroep in cassatie is ingesteld. Op 29 maart 2011 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof. Namens de advocaat-generaal is de raadsman op 9 februari 2012 middels mailbericht verzocht eventuele onderzoekswensen schriftelijk kenbaar te maken. De raadsman heeft vervolgens bij brief van 22 februari 2012 verzocht tot het horen van een zevental getuigen.

Voor zover de steller van het middel klaagt dat het Hof bij de beoordeling van het bij brief van 22 februari 2012 gedane getuigenverzoek in zijn tussenarrest acht had moeten slaan op de door de verdediging ingediende appelschriftuur9, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het op 14 juli 2008 bij de griffie van de Rechtbank binnengekomen appelschriftuur van 6 mei 2008 bevat, anders dan de steller van het middel veronderstelt, immers niet het verzoek [betrokkene 2] , [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9], [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] als getuige(n) te horen. Ook indien een dergelijk verzoek wel bij voornoemd appelschriftuur zou zijn gedaan, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn art. 410, derde lid, Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414, tweede lid tweede volzin, en art. 418, derde lid, Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad immers niet van toepassing.

Voorts heeft de steller van het middel aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de zeven getuigen bij arrest van 11 februari 2014 ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium heeft gehanteerd, althans dat het Hof onvoldoende gemotiveerd het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen, nu door de verdediging subsidiair is aangevoerd waarom het horen van de getuigen noodzakelijk was voor de waarheidsvinding.

Ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 2014 heeft de raadsman van verdachte het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het Hof van oordeel is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, [betrokkene 2] , [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Bij arrest van 11 februari 2014 heeft het Hof het verzoek afgewezen. Bedoeld herhaald verzoek, op het bij brief van 22 februari 2012 gedane gelijkluidende verzoek heeft het Hof reeds bij tussenarrest van 13 november 2012 beslist, is een verzoek op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.

De verdediging heeft aan het verzoek voornoemde getuigen te horen ten grondslag gelegd dat deze personen wellicht hun reeds eerder afgelegde verklaringen dat verdachte geen betrokkenheid had bij de illegale gokactiviteiten nader kunnen toelichten. Ook kan door het horen van deze getuigen de validiteit en betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 2] worden vastgesteld. Bovendien kunnen de getuigen worden bevraagd naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 6] die weer een ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Hof, dat voor het toewijzen van het herhaald verzoek van de raadsman geen noodzaak ziet, heeft, voor zover het de getuigen betreft die reeds eerder bij tussenarrest zijn afgewezen, het verzoek op dezelfde gronden afgewezen als die waarop dat verzoek de vorige keer is afgewezen. Het gegeven dat daarna de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn gehoord maakt dat niet anders. Voor het toewijzen van het verzoek de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] te horen ziet het Hof evenmin noodzaak, nu deze getuigen ten overstaan van het Hof zijn gehoord en van noodzaak tot het opnieuw horen niet is gebleken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toepast. Nu in de motivering van de afwijzing besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is deze beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 31 tot en met 33 is de Hoge Raad van oordeel dat het meer subsidiair tenlastegelegde gedeeltelijk - te weten voor zover dit zou zijn begaan tot twaalf jaar vóór de uitspraak van dit arrest, derhalve tot 1 september 2003 - is verjaard. Nu de bewezenverklaring de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005 betreft, de partiële verjaring geen invloed heeft op de kwalificatie en voor vermindering van de opgelegde straffen onvoldoende grond bestaat, aangezien de aard en de ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële verjaring, heeft de verdachte onvoldoende belang bij ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^