HR: geen niet-ontvankelijkheid OM bij forse overschrijding rededelijke termijn in jeugdzaken. AG anders.

Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465          Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 20 september 2012, waarbij het Openbaar Ministerie ten aanzien van een aantal ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de minderjarige verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Aanleiding en reden voor de vordering

De indiening van deze vordering wordt ingegeven door het navolgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 de uitgangspunten en regels inzake overschrijding van de redelijke termijn herijkt en daarbij tevens vastgesteld welke rechtsgevolgen aan een inbreuk op de redelijke termijn dienen te worden verbonden. Daarbij heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Door de Hoge Raad is in dit verband geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarige en minderjarige verdachten. Volgens de Hoge Raad is het regel, dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

In de feitenrechtspraak in jeugdzaken wordt deze regel niet onverkort toegepast, zoals onder andere blijkt uit onderhavige zaak waarin het OM wegens overschrijding van de redelijke termijn niet ontvankelijk werd verklaard. Zoals hierna nog uitvoeriger uiteen zal worden gezet, is er in de feitenrechtspraak sprake van verdeeldheid over de vraag of in gevallen van aanzienlijke overschrijdingen van de redelijke termijn, ondanks de rechtspraak van de Hoge Raad zoals hiervoor weergegeven, toch tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan worden besloten. Het gaat dan om gevallen waarin berechting en bestraffing van de minderjarige volgens de rechter door de lange duur van de strafrechtelijke vervolging zin- of nutteloos is geworden. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) ertoe verplichten dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen.

In dat verband is ook van belang dat in het internationale en verdragsrechtelijke verband waar Nederland deel van uitmaakt een ontwikkeling gaande is, waarin het vooropstellen van de belangen van een jeugdige verdachte bij het nemen van strafrechtelijke beslissingen in toenemende mate voorop wordt gesteld. De feitenrechters die het OM niet ontvankelijk hebben verklaard verwijzen hier ook naar.

Twee vragen

Deze vordering is er op gericht de Hoge Raad ten eerste de vraag voor te leggen of, gelet op de ontwikkelingen in de feitenrechtspraak en de ontwikkeling van de gezichtspunten ten aanzien van berechting van minderjarigen, het standpunt in de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan leiden, zou moeten worden heroverwogen.

Een tweede kwestie die zich opdringt, betreft de vraag of de termijn van zestien maanden waarbinnen jeugdstrafzaken in beginsel in iedere feitelijke aanleg moeten worden afgedaan, nog altijd als redelijk kan worden beschouwd in het licht van de eisen die aan de berechting van minderjarigen in art. 40, tweede lid onder b, iii van het IVRK worden gesteld.

Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam waarop het middel betrekking heeft

De tenlastegelegde feiten onder parketnummer 13/670164-10 waarop de niet-ont-vankelijkheid betrekking heeft, zijn de diefstal in vereniging van een of meer spijkerbroeken ter waarde van € 39, 95 uit de winkel van Hennes & Mauritz te Amsterdam op 1 november 2009 (feit 2) en de diefstal in vereniging van een of meer (jogging) broeken uit de winkel van Peek en Kloppenburg te Amsterdam op 20 oktober 2009 (feit 3). Het vonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven. Een vergelijkbaar voorschrift is te vinden in artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA 7309, NJ 2000, 721 stelt de Hoge Raad, dat, als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad in dit arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van ingewikkelde zaken en dat verdachte en/of zijn raadsman tot op heden geen invloed heeft uitgeoefend op het procesverloop. De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaken door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Integendeel. De rechtbank constateert dat de zaak met parketnummer 13/401767-09 reeds op de zitting van de kinderrechter van 20 november 2009 is aangebracht. Daarbij is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden om onder meer het rapport van de Raad af te wachten en de zaak gelijktijdig te behandelen met de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 13/670164-10. Zonder duidelijke reden heeft het vervolgens bijna 34 maanden geduurd voordat de zaken uiteindelijk op zitting behandeld zijn. In ieder geval is niet gebleken van een omstandigheid die verdachte kan worden tegengeworpen of de redelijke termijn doet verlengen.

De periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is ten aanzien van de drie genoemde feiten aangevangen op respectievelijk 20 oktober en 11 en 12 november 2009 en eindigt vooralsnog met een eindvonnis in eerste aanleg per 6 september 2012. De duur van deze periode is 34 maanden. De hiervoor vastgestelde redelijke termijn van 16 maanden wordt dus met 18 maanden overschreden.

In het arrest van 17 juni 2008 (r.o. 3.21) heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 (LJN: BL3228), alwaar het een strafzaak betrof waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast, nog eens herhaald.

De vraag rijst of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkverklaring leidt, rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

In voormelde arresten noch - voor zover de rechtbank bekend - in sindsdien gewezen arresten heeft de Hoge Raad daaraan overwegingen gewijd. Om die reden acht de rechtbank zich vrij om te onderzoeken of het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het IVRK in de onderhavige zaken ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook in het jeugdstraf(proces)recht zal dit als uitgangspunt dienen te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht bevestigd. Het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

Een periode van 34 maanden is in de onderhavige zaken, gelet op het procesverloop alsmede het tenlastegelegde feit, voor een jeugdige zoals verdachte, die destijds 16 jaar was en thans 19 jaar is, een dusdanig lange termijn dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al wordt de straf verminderd, niet alleen verloren gaat, maar tevens de huidige ontwikkeling van de verdachte op een niet langer aanvaardbare wijze zou kunnen doorkruisen. De enige beslissing die in deze zaak nu nog op zijn plaats is, dus die waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het IVRK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht in de zaak van verdachte ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde.”

Middel

Het middel strekt in de eerste plaats ertoe dat de Hoge Raad zal overgaan tot aanpassing van zijn rechtspraak over de rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In de tweede plaats stelt het middel de vraag aan de orde of de termijn van zestien maanden waarbinnen een zaak tegen een jeugdige in beginsel moet worden berecht en afgedaan als redelijk kan worden beschouwd.

Conclusie AG Spronken

De jurisprudentie van de Hoge Raad is tot nu toe duidelijk, in die zin dat er geen plaats is voor niet-ontvankelijkheid van het OM als reactie op overschrijding van de redelijke termijn. De met een zekere regelmaat voorkomende, van deze jurisprudentie afwijkende, rechterlijke uitspraken zijn de reden om door middel van deze vordering aan de Hoge Raad de vraag voor te leggen of deze rechtspraak aanpassing behoeft. Ik meen dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. Dat betekent dat ik de opvatting van de rechtbank in het vonnis waarop deze vordering betrekking heeft, die inhoudt dat in jeugdstrafzaken in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid moet bestaan het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet onjuist acht. Om daarover het oordeel van de Hoge Raad te verkrijgen heeft de AG in onderstaand middel het tegengestelde standpunt ingenomen.

De AG is van mening dat de termijn van 16 maanden die thans in het jeugdstrafrecht wordt gehanteerd voor de bepaling of de redelijke termijn is geschonden, bijstelling verdient.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende arresten van belang:

HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL9062:

"3.4. Art. 40, tweede lid, Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 107) luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

"Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:

a. (...)

b. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft;

(i) (...)

(ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen (...);

(iii) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden".

Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat art. 40, tweede lid sub b onder iii, Verdrag inzake de rechten van het kind ten aanzien van de termijn waarbinnen een strafzaak tegen een jeugdige moet worden berecht, andere, verder gaande, eisen stelt dan reeds uit art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM voortvloeien. Ook in die bepalingen wordt het in algemene termen omschreven uitgangspunt van een voortvarende behandeling uitgedrukt, terwijl bij de toepassing ervan rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn eventuele jeugdige leeftijd daaronder begrepen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov 3.15 en 3.16).

Het voorgaande strookt ook met hetgeen is opgemerkt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 24 november 1994, Stb. 862, tot goedkeuring van voormeld verdrag, alwaar voorzover hier van belang, is opgenomen:

"dat enkele verdragsbepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind rechten betreffen die in andere verdragen zijn vervat in bepalingen ten aanzien waarvan rechtstreekse werking mogelijk moet worden geacht of reeds is vastgesteld (...). Dit is bijvoorbeeld het geval (...) met het recht op een rechtvaardige behandeling in strafzaken in artikel 40, tweede lid (vergelijk artikelen 9, 14 en 15 van het IVBP en artikelen 5, 6 en 7 van het EVRM)";

en voorts is gesteld:

"In artikel 40 staan enkele bepalingen die reeds ten aanzien van het kind voortvloeien uit bestaande verdragen, zij het op een enkel punt meer toegespitst op de belangen van het kind." (Kamerstukken II 1992-1993, 22 855 (R1451), nr. 3, blz. 9 en blz. 49)"."

HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358:

"3.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721 enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. In zijn arrest van 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001, 307 heeft hij daaraan met het oog op ontnemingszaken nog het een en ander toegevoegd. Die uitgangspunten en regels zijn sedertdien in een reeks van arresten verfijnd en aangescherpt. De Hoge Raad acht het dienstig deze samen te vatten en aan te passen.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de genoemde arresten zijn cursief weergegeven. Waar hierna wordt gesproken van strafvervolging, verdachte en dagvaarding, wordt daaronder mede verstaan: ontnemingsvordering, degene tegen wie die vordering is ingesteld, alsmede diens oproeping. (...)

3.14. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (...).
3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin

a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of

b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (...).

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens (...) bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.
3.17. Daarnaast geldt in de appelfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden - en wat betreft zaken waarin op of na 1 september 2008 hoger beroep wordt ingesteld en waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast: meer dan zes maanden - na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. (...)

3.21. Overschrijding van de redelijke termijn, waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen, leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf (onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag) die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden."

HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3228:

"2.2. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Overschrijding van die termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging."

HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361, NJ 2015/133:

"3.3. Genoemd arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578,

NJ 2008/358 bevat enkele verfijningen en aanscherpingen van de vuistregels zoals die in HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721 zijn uiteengezet voor gewone strafzaken en in HR 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001/307 voor ontnemingszaken. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen leidde tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn brengt mee dat die vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, in beginsel een zekere duurzaamheid moeten hebben. (...)

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen, ziet de Hoge Raad op dit moment geen aanleiding deze aan te passen."

De in 2008 herijkte vuistregels beogen duidelijkheid te verschaffen over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan overschrijding van de redelijke termijn. Zij beogen het debat te stroomlijnen en te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het middel noch de daarin geciteerde rechterlijke uitspraken waarin wordt afgeweken van die vuistregels, geven de Hoge Raad op dit moment aanleiding tot aanpassing van zijn onder 3.2 vermelde rechtspraak in de door het middel bepleite zin.

De Hoge Raad merkt daarbij op dat het middel, op zichzelf terecht, sterke nadruk legt op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en op het grote belang van een voortvarende afdoening van zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In het midden kan overigens blijven of zich toch niet gevallen kunnen voordoen waarin het uit pedagogisch oogpunt juist niet verantwoord is dat een minderjarige van wie vaststaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict, enkel vanwege justitieel talmen ontkomt aan berechting en bestraffing.

Dat belang van een voortvarende afdoening brengt evenwel niet mee dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging het rechtsgevolg zou moeten kunnen zijn van de dadenloosheid van de justitiële autoriteiten. Dit rechtsgevolg is zelfs niet passend en geboden indien sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor berechting en wordt ook niet dwingend voorgeschreven door de in de toelichting op het middel vermelde verdragsbepalingen.

Mede gelet op andere dan in het middel genoemde belangen, bijvoorbeeld die van mogelijke slachtoffers, al dan niet in de hoedanigheid van benadeelde partij, is er onvoldoende reden om in zulke gevallen het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht te ontzeggen en niet te volstaan met een minder verstrekkend rechtsgevolg als strafvermindering of in voorkomende gevallen de in art. 9a Sr bedoelde schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Opmerking verdient ook dat een verdachte in voorkomende gevallen een verzoek als bedoeld in art. 36 Sv kan indienen.

In verband met de in het middel opgeworpen vraag of de afdoeningstermijn van zestien maanden wel als redelijk kan worden beschouwd, merkt de Hoge Raad het volgende op. De afdoeningstermijn dient zodanig te zijn dat zowel recht wordt gedaan aan het belang dat is gemoeid met een voortvarende afdoening van de zaak als aan het belang dat is gelegen in de waarborging van de kwaliteit van het strafproces. In het geval van een jeugdige verdachte dient daarbij onder meer te worden gedacht aan geactualiseerd onderzoek naar de persoon van de verdachte met het oog op de mogelijke oplegging van pedagogisch verantwoorde straffen en/of maatregelen. De door de Hoge Raad gehanteerde vuistregel dat in gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, de zaak - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - niet binnen 24 maanden maar binnen 16 maanden dient te zijn afgedaan, beoogt recht te doen aan al deze belangen. Deze vuistregel laat geheel onverlet dat een zo mogelijk voortvarender afdoening onmiskenbaar gewenst is.

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden uitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF