Verzoek tot herziening leidt tot vrijspraak door Hoge Raad: vrijstelling schoolbezoek met terugwerkende kracht

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2432

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 2 november 2012 tot en met 25 februari 2013 te Haarlem, als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten de Schoter Scholen Gemeenschap was ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken zulks terwijl ten aanzien van verdachte de (volledige) leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was geëindigd en - hij geen startkwalificatie, als bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, had behaald."

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 27 juni 2013 - het tenlastegelegde bewezenverklaard en de aanvrager ter zake van "als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen", schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Bij arrest van 11 november 2014 heeft de Hoge Raad aanvrager niet-ontvankelijk verklaard in het tegen ’s hofs arrest ingestelde cassatieberoep. De veroordeling is dus onherroepelijk.

Aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken, indien aan het Hof bekend zou zijn geweest dat hem bij beschikking van 31 oktober 2014 van de Leerplichtambtenaar Zuid-Kennemerland alsnog vrijstelling is gegeven van geregeld schoolbezoek voor de tenlastegelegde periode.

Conclusie AG

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de aanvrager zal vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

Beoordeling Hoge Raad

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

Conclusie

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013 zal worden vernietigd en de aanvrager alsnog van het hem tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal om redenen van doelmatigheid deze verwijzing achterwege blijven en zal de Hoge Raad zelf de aanvrager vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigt de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd en spreekt de aanvrager vrij van het hem tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF