Hoge Raad laat veroordeling wegens overtredingen van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten in stand

Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2273 (gepubliceerd op 20 augustus 2015) Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 18 januari 2013 voor overtreding van artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten veroordeeld tot een geldboete van € 1000, waarvan € 500 voorwaardelijk. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

Hoger beroep

De bezwaren van verdachte tegen de veroordeling in eerste aanleg zijn weergegeven in de verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring heeft de volgende inhoud:

“Ik ben ex- lid van het Nederlands Instituut van Registeraccountants ('NIVRA'). Op een gegeven moment is er vanuit de Nederlandse Orde van Accountants - Administratieconsulenten ('NOvAA') bekeken welke personen niet meer bij het NIVRA waren aangesloten .

De aangifte is ook afkomstig van de NOvAA.

Ik ben vennoot van [A] V.O.F, die onder de handelsnaam [A] is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag.

De term 'accounting ' is Engelstalig en betekent simpelweg boekhouden. Als vennootschap onder firma met een internationale clientèle is het handig om ook een internationale term voor onze werkzaamheden te hanteren.

U houdt mij voor het arrest van de Hoge Raad d.d . 25 januari 2000, LJN : AA4576, waarin kort gezegd werd geoordeeld dat het bezigen van de term 'accountancy 'de indruk bij het publiek kan wekken dat men tot het voeren van de benaming 'accountant' gerechtigd is. Daarop verklaar ik dat een accountant zich richt op zakelijk deskundige clientèle en niet op het brede publiek. Het oordeel dat de term 'accountancy' een afgeleide is van de benaming 'accountant' vind ik ver gaan. Ik wil een linguïstisch standpunt, maar daartoe krijg ik geen mogelijkheid. Gelet op het arrest van de Hoge Raad zal ik waarschijnlijk naar Straatsburg moeten.”

Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op meerdere tijdstippen in de periode van 6 augustus 2010 tot en met 8 september 2010 in de gemeente nieuwkoop terwijl hij niet was ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 van de Wet op de Accountants- Administratieconsulenten en/of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants telkens anders dan in besloten kring zich zodanig heeft gedragen dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet zijn gewekt, dat hij tot het voeren van de benaming accountant gerechtigd was, door – zakelijk weergegeven – telkens de handelsnaam "[A]" te voeren en de aanduiding "[A] V.O.F." te vermelden op diverse namens het administratie- en advieskantoor aan cliënten verzonden declaraties, terwijl hij, verdachte, noch een andere op voornoemd kantoor werkzame perso(o)n(en) in het/de accountantsregister(s) ingeschreven was/waren."

Voorts heeft het hof in zijn arrest een nadere bewijsmotivering opgenomen met de volgende inhoud:

"Artikel 41, eerste lid van de wet op de Accountants- Administratieconsulenten luidt als volgt:

"1. Het is degene die niet is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants verboden om anders dan in besloten kring de benaming accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren, dan wel zich zodanig te gedragen, dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet worden gewekt, dat hij tot het voeren van die benaming gerechtigd is".

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt die bepaling tot strafrechtelijke handhaving van het verbod op het voeren van met de titel Accountant-Administratieconsulent en Registeraccountant verwante titels of aanduidingen door niet tot het dragen van deze titels bevoegde personen (Kamerstukken II, 1991 - 1992, 22 313, nr. 5, blz. 37).

De verdachte is vennoot van [A] V.O.F. Deze onderneming is onder meer onder de handelsnaam [A] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag. Deze onderneming heeft facturen d.d. 6 augustus 2010 en 2 en 6 september 2010 doen uitgaan aan klanten, op welke facturen als naam van de onderneming staat vermeld :[A] V.O.F. Dezelfde naam is vermeld op het door de onderneming gebruikte briefpapier.

Uit het proces-verbaal van de Belastingdienst/Holland-Midden d.d. 13 september 2009, verbalisant [verbalisant], blijkt dat van de hiervoor aangeduide V.O.F geen bestuurder en/of ander daar werkend personeel is ingeschreven in de door het Nederlands Instituut van Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-administratieconsulenten gehouden accountantsregisters.

De vraag is thans of de verdachte door het hanteren van de hiervoor weergegeven naam heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 41, eerste lid, van de Wet de Accountants-Administratieconsulenten.

De verdachte heeft het verweer gevoerd dat de Engelstalige term "accounting" boekhouden betekent en dat het als zodanig een breed begrip is dat geen speciale bescherming geniet of behoort te genieten. Voor de onderneming van verdachte is de term "accounting" van belang omdat de onderneming cliënten in het buitenland heeft. Bedrijven als dat van de verdachte en accountants richten zich op de zakelijke markt van deskundige personen en niet op het algemene publiek, zodat geen verwarring kan ontstaan. De verdachte is voorstander van een linguïstische interpretatie.

Het hof verwerpt het verweer. De aanduiding "accounting" stamt zozeer overeen met en wekt associaties op met de benaming "accountant" (of een samenstelling of afkorting die terug te voeren is tot die benaming), dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat de verdachte tot het voeren van die benaming gerechtigd is. Daaraan kan niet afdoen dat de Engelstalige term "accounting" een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming van accountant te voeren mogen worden verricht. Evenmin is het nodig dat vastgesteld wordt dat bij een of meer personen uit het publiek daadwerkelijk de in de bewezenverklaring genoemde indruk is gewekt.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit als in dit arrest omschreven.”

Middelen

  1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het beroep op artikel 11 EVRM, althans over het veronachtzamen van de betekenis van dit verdragsartikel.
  2. Het tweede middel bevat een overeenkomstige klacht maar dan over artikel 14 EVRM.
  3. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft verworpen.
  4. Het vierde middel klaagt over de verwerping van een beroep op artikel 6 EVRM, omdat relevante informatie uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep is gelaten.
  5. Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De eerste vier middelen, die inhouden dat het hof geen recht heeft gedaan aan de verweren die verdachte heeft gevoerd, missen feitelijke grondslag omdat van zulke verweren niet kan blijken.

Vierde middel

Ten aanzien van het vierde middel wijst de AG erop dat moet worden vooropgesteld dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en de inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de verdachte. Dit uitgangspunt geldt ook voor de verdachte die niet is voorzien van rechtsgeleerde bijstand. Weliswaar kan van de rechter in een dergelijk geval wellicht een welwillende en toeschietelijke houding jegens de verdachte worden gevergd, maar dat gaat niet zover dat de rechter de verdachte verweren in de mond moet leggen waar deze geen enkel aanknopingspunt voor biedt. Zulke aanknopingspunten ontbreken hier. Uit het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep blijkt enkel dat verdachte van oordeel is dat er zoveel ruimte is tussen het Engelse woord 'accountancy' en de aanduiding (register)accountant dat het gebruik van het eerste woord niet onder artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten kan worden gebracht. Verdachte heeft geen beroep gedaan op artikel 6, artikel 11, artikel 14 EVRM of op artikel 1 van het Eerste Protocol, of op aan deze artikelen ten grondslag liggende beginselen gerefereerd. Het hof heeft toereikend gemotiveerd het verweer van verdachte verworpen en hoefde hetgeen verdachte heeft aangevoerd niet te begrijpen in een zo ruime zin als wordt voorgestaan in de schriftuur.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting. De opgelegde straf is ontoereikend gemotiveerd gelet op de straf die is opgelegd aan de verdachte in de zaak HR 25 januari 2000, NJ 2000, 242, welke verdachte niet was gekwalificeerd als registeraccountant of accountant-administratieconsulent, waar verdachte wel gekwalificeerd is.

Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. Door aldus te handelen heeft de verdachte indruk gemaakt op het vertrouwen dat in het algemeen pleegt te worden gesteld een titulair termen als die van accountant. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie of politie in aanraking is gekomen. Als overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt."

Inzake de strafoplegging geldt als uitgangspunt dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en in cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Alleen wanneer de strafoplegging toch verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen. Tevens zal de cassatierechter ingrijpen als ter terechtzitting een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is verwoord waarvan de feitenrechter is afgeweken zonder in het bijzonder de redenen voor deze afwijking op te geven. Van een grond voor ingrijpen door de cassatierechter in de ene noch in de andere zin is mij gebleken. Het enkele feit dat een hof in een andere zaak in 1998 een lagere straf heeft opgelegd dan het hof heeft gedaan in de onderhavige zaak is onvoldoende om de strafmotivering van het hof gebrekkig te doen zijn. Wat de steller van het middel overigens nog als bezwaar tegen de strafmotivering formuleert, mist feitelijke grondslag omdat ter terechtzitting van het hof op geen van de omstandigheden die de steller van het middel noemt is gewezen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG in tipgeverszaken: getuigen hoefden naam tipgever niet te geven, aanslagen vernietigd

De belastingambtenaren die getuigen waren in tipgeverszaken, hoefden de naam van de tipgever niet te noemen. Dat schrijft advocaat-generaal IJzerman in zijn advies aan de Hoge Raad. In hun cassatieberoep tegen de beslissing van het hof dat zij de naam van de tipgever ten onrechte niet noemden, zijn zij echter niet ontvankelijk. Alleen partijen in een zaak kunnen cassatieberoep instellen. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van het hof waarin de opgelegde aanslagen en boetes werden vernietigd, in stand blijft.

In deze twee zogenoemde tipgeverszaken is de Belastingdienst op de hoogte gekomen van een (vermeende) Luxemburgse bankrekening van de belastingplichtige via een tipgever. Deze heeft tegen een financiële vergoeding (tipgeld) informatie over buitenlandse bankrekeningen aan de Belastingdienst gegeven, onder voorwaarde dat de identiteit van de tipgever niet bekend wordt gemaakt.
Op basis van de verkregen bankinformatie heeft de Belastingdienst aanslagen en boetes opgelegd. In de daarop volgende procedure heeft de inspecteur geweigerd de identiteit van de tipgever bekend te maken aan de rechter en daarmee aan de belastingplichtige.
Bij de rechtbank zijn door de inspecteur alleen stukken, waaronder de overeenkomst met de tipgever, overgelegd waarin namen en andere gegevens zijn zwartgemaakt of weggelaten. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dat in zijn beslissing niet juist geacht, maar de inspecteur is blijven weigeren de volledige stukken over te leggen. In hoger beroep bij het hof heeft de inspecteur laten weten geen hernieuwde beoordeling van die beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank te wensen.
Door het hof zijn vervolgens twee door de inspecteur meegebrachte belastingambtenaren als getuigen gehoord. Met een beroep op hun wettelijke geheimhoudingsplicht en het daaraan door hen ontleende verschoningsrecht, hebben de getuigen geweigerd de naam van de tipgever te noemen. Het hof vond dat onjuist. In cassatie bij de Hoge Raad verzetten de getuigen zich tegen die beslissing. Dit beroep in cassatie is volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk, omdat naar zijn mening het fiscale procesrecht niet voorziet in de mogelijkheid dat, naast de partijen, ook bij het hof gehoorde getuigen cassatieberoep zouden kunnen instellen. Ondanks dat gaat de advocaat-generaal inhoudelijk in op de vraag of de getuigen de naam van de tipgever moesten noemen of niet.
De advocaat-generaal meent dat de vraag naar de naam van de tipgever al was afgehandeld in de geheimhoudingsprocedure over de door de inspecteur over te leggen stukken. Daarvan uitgaande stond het de getuigen, gezien het stadium waarin de procedure was gekomen,  vrij de naam van de tipgever niet te noemen.
Indien de Belastingdienst ervoor kiest om een anonieme tipgever te gebruiken, kan rechterlijke controle daarop er volgens de advocaat-generaal toe leiden dat de naam van de tipgever in principe bekend moet worden gemaakt. Zo niet, dan bestaat het risico dat belastingaanslagen en boetes die zijn opgelegd met informatie van de tipgever door de rechter worden vernietigd, zoals het hof hier gedaan heeft.
Overigens vindt de advocaat-generaal dat er ten onrechte over wordt geklaagd dat het recht van de inspecteur op berechting van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter door het hof zou zijn geschonden. Dat het hof in zijn uitspraak scherpe bewoordingen hanteert met betrekking tot de weigering om de naam van de tipgever bekend te maken en het hof grondig van mening verschilt met de inspecteur, betekent volgens de advocaat-generaal nog niet dat het hof vooringenomen is tegen de inspecteur.
De volledige tekst van de conclusies:
Print Friendly and PDF ^

Gebruik voor bewijs van op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevoegde opsporingsambtenaar

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 augustus 2013 de verdachte wegens 1.) overtreding van art. 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 en 2.) wederspannigheid en wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorijtuigen te besturen voor de duur van negentig dagen.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat verdachte integraal van het onder (...) 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verklaringen van de verbalisanten niet betrouwbaar zijn, omdat zij emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er een beklagprocedure omtrent de omstandigheden die zich op 9 september 2009 rond het ten laste gelegde hebben voorgedaan tegen hen liep en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan. Gelet daarop, mogen die verklaringen niet voor het bewijs gebezigd worden. (...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen van de verbalisanten

Het hof stelt voorop dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen op het proces-verbaal van één opsporingsambtenaar. Door te stellen dat dit artikel in de onderhavige zaak geen toepassing behoort te vinden, omdat de verbalisanten emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er tegen hen een beklagprocedure is gestart en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan, stelt de verdediging een eis die de wet niet kent.

Het hof overweegt daarbij bovendien dat de beklagprocedure eerst op 13 augustus 2010 zijdens verdachte werd opgestart, derhalve bijna een jaar na de ten laste gelegde feiten, zodat de kort na het ten laste gelegde afgelegde verklaringen van de verbalisanten niet op elkaar afgestemd kunnen zijn met de beklagprocedure in het achterhoofd. (...)

Het hof overweegt voorts dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan bovendien niet enkel berust op verklaringen van de verbalisanten, doch daarnaast voldoende steun vindt in andere zich in het dossier bevindende objectieve bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is dan ook aan het wettelijk bewijsminimum ruimschoots voldaan.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 344, tweede lid, Sv aangezien de bewezenverklaring berust "op enkel de verklaringen van twee verbalisanten, ondanks de omstandigheid dat deze nauw en persoonlijk betrokken waren bij het gebeuren".

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het tweede lid van art. 344 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). Aldus geeft art. 344, tweede lid, Sv blijk van een bijzonder vertrouwen van de wetgever in de betrouwbaarheid van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452).

Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd - onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal ten volle gerechtvaardigd is.

Uitgangspunt is daarbij dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Dat geldt ook voor het al dan niet als enig bewijsmiddel tot het bewijs bezigen van een proces-verbaal waaraan krachtens art. 344, tweede lid, Sv de daar voorziene bijzondere bewijskracht toekomt.

Op voormeld uitgangspunt is in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv evenwel een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens de verdachte een standpunt is ingenomen dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ter terechtzitting naar voren is gebracht, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Die motiveringsplicht geldt ook indien het standpunt betrekking heeft op een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv en dit standpunt niet wordt aanvaard.

Het Hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Hetgeen hiervoor is weergegeven bevat voldoende gegevens ter motivering van het niet aanvaarden van het naar voren gebrachte standpunt. Aldus heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793 De militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bevestigd een vonnis van de militaire kamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2013, waarbij de verdachte ter zake van feit 1 van het plegen van witwassen een gewoonte maken is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet die uit enig misdrijf afkomstig waren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging dat laatste betwist en, onder verwijzing naar over meerdere jaren gespaarde inkomsten, gesteld dat de voorwerpen een legale herkomst hadden. Gelet hierop is het door het Hof bevestigde oordeel van de Rechtbank dat de "verdachte weigert op hem gestelde vragen te antwoorden en weigert inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon (...) of over bronnen van contant geld" zodat het "bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven (...) niet anders [kan] dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf (...) heeft witgewassen", niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aan art. 420bis lid 1 aanhef en onder b Sr jo. art. 420ter lid 1 Sr ontleende termen “omzetten” en “een gewoonte maken”: Nietige dagvaarding?

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 15 november 2013 de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1, 5 en 6 tenlastegelegde en de verdachte wegens 2A), 2B) medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 2C) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 3) van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 4) oplichting” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderdduizend euro.

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

"zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 september 2009, te Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)personen, althans alleen, een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 1.406.180,00, zijnde de stortingen in de kas ad 2.100.000,00 minus het onder verdachte in beslag genomen bedrag ad € 693.820,00) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende zij, verdachte, al dan niet van het plegen van (het) voormelde strafbare feit(en), een gewoonte gemaakt."

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 september 2009, te Emmen althans in Nederland, een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 1.406.180,00, zijnde de stortingen in de kas ad 2.100.000,00 minus het onder verdachte in beslag genomen bedrag ad € 693.820,00) heeft overgedragen en heeft omgezet en voorhanden gehad terwijl zij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende zij, verdachte, van het plegen van voormelde strafbare feiten, een gewoonte gemaakt."

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middelen

Het eerste en tweede middel keren zich met verschillende klachten tegen ’s Hofs beslissingen ten aanzien van de in het kader van feit 3 gebruikte bestanddelen ‘omzetten’ en ‘een gewoonte maken’ als bedoeld in art. 420bis Sr respectievelijk art. 420ter Sr.

Eerste middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit wat betreft het bestanddeel "omzetten" ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het onderdeel "omzetten" nietig dient te worden verklaard, nu dit bestanddeel onvoldoende feitelijk is omschreven en het voor de verdediging onduidelijk is wat de steller van de tenlastelegging voor ogen had.

Het hof overweegt dat bij de beoordeling of een tenlastelegging een opgave van het feit behelst, het er uiteindelijk op aan komt of het aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk kan zijn welke feitelijke gedragingen het strafbare feit zouden moeten uitmaken dat de verdachte wordt verweten.

Zoals door de Hoge Raad eerder is bepaald komt aan de termen "verbergen en/of verhullen" voldoende feitelijke betekenis toe. Het hof is van oordeel dat het begrip "omzetten" tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven en dat voldoende duidelijk is waar deze handeling op ziet. Uit de memorie van toelichting bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat voor de betekenis van "omzetten" aansluiting is gezocht bij de betekenis zoals is omschreven in de Van Dale, te weten het (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Uit de memorie van toelichting volgt voorts: "Het gaat om die handeling (vervanging, ruil, investering) waardoor de betrokkene een ander voorwerp verkrijgt dat het voordeel uit het oorspronkelijke misdrijf belichaamt. Het hiervoor genoemde kopen van luxegoederen kan dus behalve gebruik maken ook omzetten opleveren. Omzetten zal veelal tot doel hebben de criminele opbrengsten weer in het legale verkeer te investeren."

Het hof is - anders dan de rechtbank en verdediging - van oordeel dat het bestanddeel "omzetten" tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "omzetten" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.

Tweede middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit wat betreft het bestanddeel "een gewoonte maken" ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 (...) op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het bestanddeel "gewoontewitwassen" nietig dient te worden verklaard, nu niet nader is omschreven uit welke handelingen die gewoonte heeft bestaan.

Het hof is van oordeel dat het bestanddeel 'gewoontewitwassen' tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven en dat het voor de verdediging en verdachte voldoende duidelijk is uit welke handelingen die gewoonte heeft bestaan. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dienaangaande."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "een gewoonte maken" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, vermindert de geldboete in die zin dat deze €497.500 bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^