Veroordeling wegens valsheid in geschifte. Hof heeft verweer dat er geen administratieverplichting gold terecht verworpen.

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1762 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 november 2013 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en de verdachte wegens valsheid in geschrift, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van honderdtachtig uren.

Middel

Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat een verplichting tot vastlegging van administratieve gegevens in de bewezenverklaarde periode niet aan de wet kan worden ontleend en dat om die reden het bewezenverklaarde valselijk opmaken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

De raadsman heeft zich onder verwijzing naar de artikelen 2:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 52, lid 1 AWR op het standpunt gesteld dat een verplichting tot vastlegging van de administratieve gegevens in de periode die in de (gewijzigde) tenlastelegging wordt gesteld, niet aan de wet kan worden ontleend. Mitsdien kan naar het oordeel van de raadsman niet worden bewezen dat verdachte schuldig heeft gemaakt aan het opmaken dan wel vervalsen van de bedrijfsadministratie door daarin de verkoop van koperkathodes niet op te nemen.

Het hof heeft hierop als volgt overwogen:

“In artikel 52, lid 1 van de AWR is een administratieplicht opgenomen. Krachtens deze bepaling dient een zodanige administratie te worden gevoerd waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap blijken, evenals de voor de heffing van belastingen relevante gegevens. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de administratie zodanig moet zijn dat daaruit conclusies kunnen worden getrokken omtrent de vermogenstoestand en rechten en verplichtingen en de overige voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens en om die reden dient de administratie regelmatig te worden bijgehouden, één en ander afhankelijk van de omvang van de onderneming.

Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt welke werkwijze van administreren te doen gebruikelijk was binnen [medeverdachte 3] Hieruit leidt het hof af dat de administratie van in- en verkoop tijdig werd bijgehouden en op orde was. Zoals in het voorgaande overwogen, was het binnen [medeverdachte 3] bovendien te doen gebruikelijk dat contante inkomsten direct gestort werden op de bank en in de boekhouding werden verwerkt. Het hof acht dan ook boven enige twijfel verheven dat de verkoop van de 200 ton koperkathodes met de opbrengst van € 500.000,00, welk geldbedrag verdachte op 16 februari 2009 van [betrokkene 1] contant heeft ontvangen, op enigerlei wijze in de tenlastegelegde periode in de administratie vermeld had moeten en kunnen worden. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.”

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Conclusie AG

Volgens de steller van het middel is de verwerping onjuist, althans onbegrijpelijk omdat in de periode februari tot september 2009 (nog) geen verplichting tot vastlegging van de gegevens bestond. Volgens de civielrechtelijke norm was de termijn van zes maanden (art. 2:10 lid 2 BW) nog niet verstreken en volgens de fiscale norm was nog inkeer (art. 69 lid 3 AWR) mogelijk. Redelijke wetsuitleg vraagt om afstemming van art. 225 Sr op deze normen en het zou een anomalie zijn indien er al wel van valsheid in geschrift sprake zou kunnen zijn.

Administratieverplichting op grond van het belastingrecht

Voor zover de steller van het middel thans een beroep doet op de inkeerbepaling van art. 69, derde lid, AWR overvraagt hij het Hof indien hij meent dat het Hof daaraan is voorbij gegaan. In feitelijke aanleg is er immers geen beroep op de inkeerbepaling gedaan. De mogelijkheid van inkeer lijkt mij overigens hier ook geen enkele betekenis te hebben. De enkele omstandigheid dat het recht om fiscale strafbare feiten te vervolgen kan vervallen na inkeer betekent bepaald niet dat daarmee de administratieverplichtingen van art. 52 AWR eveneens vervallen. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, gold dus in de bewezenverklaarde periode de fiscale administratieverplichting.

Civiele administratieverplichting

Voor wat betreft de civiele administratieverplichting richt art. 2:10 BW zich tot het bestuur. Bewezenverklaard is echter dat de rechtspersoon zelf valsheid in geschrift heeft gepleegd. Belangrijker is dat het tweede lid van art. 2:10 BW is beperkt tot de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon. In het onderhavige geval gaat het echter om het opnemen van bescheiden in de administratie over lopende of kort daarvoor afgeronde transacties. Daarvoor geldt de termijn van zes maanden van het tweede lid van art. 2:10 BW niet. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, gold dus in de bewezenverklaarde periode ook de administratieverplichting uit het Burgerlijk Wetboek.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Toepassing art. 36e lid 7 Sr & legaliteitsbeginsel | Vereist hoofdelijke aansprakelijkheid veroordeling van twee of meer daders?

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1781 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 21 mei 2013 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 9.091,11 en de betrokkene de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Derde middel: Toepassing art. 36e lid 7 Sr & legaliteitsbeginsel

Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden uitspraak houdt als beslissing van het Hof in:

"Legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.091,11."

Art. 36e, zevende lid, Sr, dat op 1 juli 2011 in werking is getreden, houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht (vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653). In zo een geval dient door de rechter op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast. Het na 1 juli 2011 geldende recht kan niet als gunstiger voor de betrokkene worden aangemerkt (vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2858).

In aanmerking genomen dat het Hof de betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt die, naar het Hof blijkens de bestreden uitspraak bewezen heeft geacht, is gepleegd in de periode van 27 april 2010 tot en met 10 augustus 2010, heeft het Hof in deze zaak ten onrechte toepassing gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr.

Het derde middel slaagt.

Vierde middel: Vereist hoofdelijke aansprakelijkheid veroordeling van twee of meer daders?

Hoewel het voorgaande meebrengt dat het vierde middel niet meer aan de orde behoeft te komen, ziet de Hoge Raad aanleiding de klacht te bespreken die inhoudt dat het Hof heeft miskend dat een hoofdelijke betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e, zevende lid, Sr alleen kan worden opgelegd, indien het strafbaar feit ter zake waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, is gepleegd door twee of meer daders die daarvoor strafrechtelijk veroordeeld zijn.

In het arrest van 7 april 2015 heeft de Hoge Raad overwogen dat art. 36e, zevende lid, Sr voorziet in het opleggen van een individuele verplichting tot betaling van het totale geschatte bedrag aan voordeel dat door twee of meer personen uit een door hen gepleegd strafbaar feit wederrechtelijk is verkregen. Voor het opleggen van zo een hoofdelijke betalingsverplichting is vereist dat het verkregen wederrechtelijk voordeel als 'gemeenschappelijk voordeel' kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken.

Niet is vereist dat de mededader(s) die uit het strafbaar feit 'gemeenschappelijk voordeel' hebben behaald, voor dat feit veroordeeld zijn. Indien een veroordeling uitblijft en aan die mededader(s) niet een betalingsverplichting als in art. 36e, zevende lid, Sr bedoeld wordt opgelegd, zal dat evenwel ten gevolge hebben dat de betrokkene aan wie de hoofdelijke betalingsverplichting is opgelegd, zijn uit de hoofdelijke verbondenheid voortvloeiend regresrecht niet zal kunnen uitoefenen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Oplichting: Valse hoedanigheid? De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide koper levert niet het aannemen van een valse hoedanigheid op.

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1805 Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 december 2013 verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren ter zake van oplichting.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 juni 2010 te Alkmaar, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van een motorfiets (BMW R1200 GS), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk

- naar aanleiding van een door voornoemde [betrokkene 1] op de website www.marktplaats.nl geplaatste advertentie onder een valse naam (te weten [A]) telefonisch contact gehad met voornoemde [betrokkene 1] en

- vervolgens aan voornoemde [betrokkene 1] gevraagd of hij, verdachte, een proefrit op voornoemde motorfiets kon maken waarvoor hij, verdachte, van voornoemde [betrokkene 1] toestemming kreeg en

- vervolgens als borg aan voornoemde [betrokkene 1] een autosleutel gegeven waardoor voornoemde [betrokkene 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

Middelen

Het eerste middel klaagt onder meer dat het bewezenverklaarde, voor zover betrekking hebbend op het aannemen van een valse hoedanigheid, niet kan volgen uit de bewijsmiddelen. Betoogd wordt dat verdachte niet, zoals is bewezenverklaard, een valse naam heeft aangenomen. Verdachte heeft enkel een voornaam opgegeven, zijnde een andere voornaam dan de zijne, hetgeen niet als een ‘valse naam’ in de zin van art. 326 Sr kan worden aangemerkt. Voorts is ’s Hofs oordeel hieromtrent volgens de steller van de middelen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

Het tweede middel klaagt onder meer over de motivering van de bewezenverklaarde valse hoedanigheid en de verwerping van het dienaangaande gevoerde verweer. Betoogd wordt dat het Hof uitgaat van een onjuiste interpretatie van het begrip ‘valse hoedanigheid’ en dat de bewezenverklaarde feiten geen oplichting opleveren. Ook ’s Hofs oordeel hieromtrent is volgens de steller van de middelen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Het hof is op grond van de inhoud van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat vast staat dat de aangever zijn motor via een advertentie op Marktplaats te koop heeft aangeboden, de verdachte onder een valse naam ([A]) hierop heeft gereageerd en vervolgens door het afgeven als onderpand van een autosleutel de aangever tot afgifte van zijn motor voor een proefrit heeft bewogen, waarna de verdachte met de motor is vertrokken. Het hof is daarom, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte zich, door het gebruik van een valse naam en het zich voordoen als bonafide koper, schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Dat de aangever meer voorzorgsmaatregelen had kunnen nemen dan het aanvaarden als onderpand van de sleutel van een in het zicht staande auto doet aan die kwalificatie naar het oordeel van het hof niet af. De verweren van de raadsvrouw worden derhalve verworpen."

Vooropgesteld moet worden dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr.

Blijkens de inhoud van de bewijsvoering heeft het Hof geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak meer omvatten dan het enkele zich voordoen als een bonafide koper. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, nu uit die gedragingen blijkt dat de verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een belangstellende die voornemens was de hem voor een proefrit ter hand gestelde motorfiets terug te brengen, waarbij de verdachte kennelijk heeft gehandeld volgens een tevoren bedachte werkwijze, welke werkwijze onder meer heeft bestaan uit het opgeven van een onjuiste naam en het achterlaten van een, zoals nadien bleek, waardeloos onderpand.

Het eerste en het tweede middel falen in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad casseert niet in beklagzaak van voormalig arts van de Haagse “CityKliniek” tegen beslag dat is gelegd op dossiers onder de IGZ

Hoge Raad 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701 De zaak heeft te maken met de strafrechtelijke vervolging van klager wegens mishandeling en oplichting van patiënten bij wie hij borstoperaties uitvoerde in zijn privékliniek “CityKliniek”. Met het aanhangig maken van de strafzaak is niet (langer) gewacht op de uitkomst van de onderhavige beklagzaak. De Rechtbank Den Haag heeft klager bij vonnis van 30 oktober 2014 vrijgesproken, waarbij een rol lijkt te hebben gespeeld dat het IGZ-dossier (waarop de onderhavige beklagzaak betrekking heeft) niet ter beschikking van de Rechtbank stond. Tegen het vrijsprekende vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Op basis van de vaststellingen van de Rechtbank in de onderhavige beklagzaak kan als vaststaand worden aangenomen dat de Officier van Justitie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen klager op 16 februari 2010 bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg op basis van art. 126nf Sv de verstrekking heeft gevorderd van de tegen CityKliniek en klager ingediende tuchtklacht van 20 oktober 1999 en alle bijlage bij die klacht. De stukken zijn op 15 maart 2010 door de IGZ aan het onderzoeksteam verstrekt.

Het aan het OM verstrekte IGZ-dossier bestaat uit de bij het regionaal tuchtcollege ingediende tuchtklacht tegen klager en diverse bijlagen bij deze klacht waaronder:

  1. meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ;
  2. verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek;
  3. 32 patiëntendossiers;
  4. verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur.

Naast de door de IGZ verstrekte stukken zijn tijdens een doorzoeking bij klager thuis op 16 november 2010 – dus negen maanden na de vordering aan de IGZ – 32 patiëntendossiers in beslag genomen. Het klaagschrift dat klager tegen het beslag op deze 32 patiëntendossiers heeft ingediend, is door de Rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. De Rechtbank overwoog in haar beschikking van 15 maart 2011 dat “hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht”. De Hoge Raad heeft klager in het hiertegen ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen middelen van cassatie waren voorgesteld.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de inhoud van de 32 patiëntendossiers die door IGZ zijn verstrekt identiek is aan de inhoud van de patiëntendossiers die onder klager in beslag zijn genomen, ook al gaat het om dezelfde patiënten en heeft klager die dossiers zelf aan de IGZ verstrekt in het kader van de tuchtklacht.

Na terugwijzing van de onderhavige zaak door de Hoge Raad is het klaagschrift opnieuw in raadkamer behandeld op 2 juli 2013. Tijdens die behandeling heeft de OvJ meegedeeld dat een nadere afbakening van het onderzoek heeft plaatsgevonden in die zin dat het GVO sinds september 2011 alleen nog betrekking heeft op (de behandeling door klager van) tien patiënten. Daarbij heeft de OvJ zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op de overige 22 patiënten niet langer een strafvorderlijk belang bestaat bij handhaving van het beslag. Dat heeft ertoe geleid dat de Rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering bij inzage in de (overige) inbeslaggenomen stukken nog altijd bestaat.

Bij de behandeling in raadkamer van 2 juli 2013, is namens de klager aangevoerd dat geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij het gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier. De Rechtbank heeft met betrekking tot dit standpunt het volgende overwogen:

“Het primaire standpunt van klager houdt nu in dat (volgens uitlatingen van de zaaksofficier van justitie) geen strafvorderlijk belang (meer) bestaat bij gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier, zodat om die reden het beslag moet worden opgeheven. Klager heeft daartoe gewezen op een e-mail van de zaaksofficier van justitie van 11 februari 2013 waarin onder meer het volgende staat: 'Het OM heeft besloten (vooralsnog) geen gebruik te gaan maken van de IGZ stukken. De HR heeft de beslissing weer uitgesteld en dat zou zomaar nog enkele keren kunnen gebeuren. Uit het nieuw verstrekte verbaal kunt u opmaken dat gekozen is voor de uitspraak van het tuchtcollege als uitgangspunt voor onze zaak. ' Daarnaast heeft klager een stukje van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de rechtercommissaris van 13 februari 2013 aangehaald, voor zover daarin staat dat de zaaksofficier van justitie heeft medegedeeld dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2013 niet leidt tot wijziging van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat (vooralsnog) geen gebruik zal worden gemaakt van de IGZ-stukken.

De officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift heeft gemotiveerd in welk licht die mededelingen van de zaaksofficier van justitie moeten worden bezien, namelijk dat de zaaksofficier van justitie er op 11 februari 2013 nog van uitging - kennelijk ten onrechte - dat de beschikking van de Hoge Raad op zich zou laten wachten en zij op 13 februari 2013 weliswaar de beschikking had over die beschikking maar nog geen enkel zicht had op (de planning van) een hernieuwde behandeling van het klaagschrift bij deze rechtbank. Dat heeft gemaakt dat de officier van justitie op dat moment en met de toevoeging 'vooralsnog' ervoor koos geen gebruik te maken van de IGZ-stukken. Nu binnen afzienbare termijn alsnog uitzicht is gekomen op een (definitieve) beslissing van de rechtbank op dit klaagschrift, wil de officier van justitie alsnog inzage in de inbeslaggenomen stukken.

De rechtbank heeft geen aanleiding aan die uitleg van de door de zaaksofficier van justitie gedane mededelingen te twijfelen, al is het maar omdat die uitleg strookt met de inhoud van de weergegeven mededelingen van de zaaksofficier van justitie en ook voorstelbaar is dat gedurende een (langlopend) strafrechtelijk onderzoek mede door procedures als deze steeds opnieuw en afhankelijk van de situatie belangen moeten worden afgewogen en keuzes, voorlopige of niet, moeten worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de zaaksofficier van justitie in elk geval door de constante toevoeging van het woordje 'vooralsnog' duidelijk heeft gemaakt dat niet uit te sluiten viel dat haar keuze van dat moment om geen gebruik te maken van de IGZ-stukken weer of nog kon veranderen. De rechtbank leest in geen van de mededelingen dat wat het Openbaar Ministerie betreft geen belang van strafvordering meer bestaat bij kennisneming van die stukken.”

Conclusie AG

Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat het is gericht tegen een feitelijk oordeel van de Rechtbank dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het om een oordeel gaat van de Officier van Justitie dat “vooralsnog” is gegeven. Vooralsnog betekent volgens Van Dale: “voor het ogenblik”, waarbij “voorlopig” en “vooreerst” als synoniemen worden gegeven. De Officier van Justitie heeft op 11 mei 2013 een tijdgebonden oordeel gegeven – op basis van de haar toen ter beschikking staande gegevens, in het bijzonder het feit dat toen nog geen uitzicht bestond op een beslissing in de beklagprocedure – waarbij zij zich het recht heeft voorbehouden later op dit voorlopige standpunt terug te komen op basis van de haar dan ter beschikking staande gegevens. Inderdaad heeft zij dat daadwerkelijk gedaan toen was gebleken dat de Hoge Raad twee dagen later de beschikking in de beklagprocedure had gegeven.

Het oordeel van de Rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de uitleg die door de Officier van Justitie aan de bedoelde uitlatingen is gegeven, acht de AG niet onbegrijpelijk. Aan het – voor het eerst in cassatie gedane – beroep op het ‘nemo debet bis vexari’-beginsel kan daarom voorbij worden gegaan.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sommige inbeslaggenomen stukken niet vallen onder het van verzoeker afgeleide verschoningsrecht van de IGZ.

Conclusie AG

De vraag is op welke stukken het middel betrekking heeft. Van de vier categorieën stukken die hiervoor zijn weergegeven, vallen er in elk geval twee af. Ten aanzien van categorie a (de meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ) heeft de Rechtbank het beklag ongegrond verklaard omdat klager (zoals de Hoge Raad al had geoordeeld) zich niet kan beroepen op een verschoningsrecht dat mogelijk aan anderen toekomt. Dat oordeel van de Rechtbank wordt door het middel niet aangevochten. Het middel heeft evenmin betrekking op categorie c (de 32 patiëntendossiers). Ten aanzien van 22 dossiers is het beklag als gezegd gegrond verklaard, zodat moet worden aangenomen dat het cassatieberoep zich daartegen niet richt. Van de resterende tien dossiers wordt in het middel uitdrukkelijk gesteld dat het daarop geen betrekking heeft (“niet zijnde de tien patiëntendossiers”).

Dat laatste behoeft niet te verbazen. Met betrekking tot die tien patiëntendossiers heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij “evident” onder het van klager afgeleide verschoningsrecht vallen. De AG merkt daarbij op dat de Rechtbank ten aanzien van deze dossiers heeft geoordeeld dat hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht. Over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.

Wat aan stukken resteert, is, behalve de ingediende tuchtklacht, het verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek (categorie b), verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur (categorie d) en eventuele andere bijlagen. Met betrekking tot deze stukken blinkt de beschikking niet uit door duidelijkheid. Er lijkt zich een discrepantie voor te doen tussen het oordeel van de Rechtbank zoals dat uit haar overwegingen blijkt en de (formulering van) de vervolgens gegeven beslissing.

Uit de aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte schriftelijke conclusie aan de hand waarvan de OvJ in raadkamer het woord voerde, blijkt dat het standpunt van het openbaar ministerie dat het strafvorderlijk belang ten aanzien van een deel van de stukken was komen te vervallen, niet alleen betrekking had op categorie c (de patiëntendossiers), maar op alle stukken die gegevens bevatten die specifiek betrekking hebben op de 22 patiënten die buiten het nader afgebakende GVO vielen. Zo wordt onder punt 10 geconcludeerd dat onder meer “overblijven” de gespreksverslagen (categorie d) “voor zover die betrekking hebben op de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO”. Het oordeel van de Rechtbank sluit bij deze standpuntbepaling aan. Overwogen wordt:

“De officier van justitie heeft betoogd dat nog steeds een belang van strafvordering bestaat bij inzage van stukken uit het IGZ-dossier, maar om andere redenen dan aangevoerd door klager het strafvorderlijk belang bij een deel van de stukken uit het IGZ-dossier prijs gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoek afgebakend en zal de rechtercommissaris uitsluitend nog vragen om toevoeging van die stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op (a.) de algemene zorgverlening door klager en (b.) de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO.

Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat - bij gebreke van een strafvorderlijk belang - het beslag op alle stukken die betrekking hebben op andere patiënten dan die tien en niet handelen over de algemene zorgverlening door klager dient te worden opgeheven en het klaagschrift in zoverre gegrond dient te worden verklaard. Zolang beslag rust op (ook) die stukken, behoudt klager belang bij zijn klacht. Het is daarom dat de rechtbank niet met de officier van justitie zal oordelen dat klager in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn klacht.”

Uit deze overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de bedoeling van de Rechtbank was om het klaagschrift gegrond te verklaren ten aanzien van “alle stukken” die betrekking hebben op andere dan de tien patiënten waarop het GVO zich richtte en bovendien ten aanzien van “alle stukken” die “niet handelen over de algemene zorgverlening door klager”. De gegrondverklaring beperkte zich derhalve niet tot de 22 buiten de boot van het GVO vallende patiëntendossiers van categorie c. In het dictum is dat echter niet, of althans niet duidelijk, tot uitdrukking gebracht. Dat betekent tegelijkertijd dat de vraag rijst waarop de ongegrondverklaring – die “voor het overige” is gedaan – precies betrekking heeft.

Hier verdient aandacht dat hetgeen de Rechtbank overweegt na de zojuist weergegeven passage, gelezen moet worden in het licht van de onmiskenbare bedoeling die uit die passage blijkt. Het gaat in het vervolg alleen nog om stukken die betrekking hebben op de tien bedoelde patiënten en om stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Zo overweegt de Rechtbank, na te hebben geoordeeld dat de klager geen beroep op een verschoningsrecht toekomt ten aanzien van NVPC-meldingen (categorie a), het volgende:

“Verder zal in elk geval het beslag op de 22 dossiers van die patiënten die geen onderwerp zijn van het GVO dienen te worden opgeheven. Voor alle andere resterende stukken geldt - voor zover hiervoor al volledig opgesomd - dat gelet op de aard daarvan niet valt uit te sluiten dat deze stukken informatie bevatten, over voornoemde tien patiënten en/of over de algemene zorgverlening door klager, die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant wordt geacht.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken uit het IGZ-dossier geldt dat een belang van strafvordering, te weten het belang van waarheidsvinding, bestaat bij inzage daarin. De officier van justitie heeft het bestaan van dat belang ook onderbouwd, namelijk door aan te geven dat ze (naar alle waarschijnlijkheid) informatie bevatten over de algemene behandelmethoden die klager hanteerde, over zijn dossiervoering en over de behandeling van die tien patiënten, welke informatie relevant kan zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid in zijn strafzaak.”

Deze overwegingen zijn alleen begrijpelijk als aangenomen wordt dat de Rechtbank met de daarin genoemde 22 dossiers waarop het beslag dient te worden opgeheven, niet alleen het oog heeft op de dossiers van categorie c, maar op alle stukken die betrekking hebben op de desbetreffende 22 patiënten, dus bijvoorbeeld ook op de gespreksverslagen die over deze patiënten gaan. Als dat anders zou zijn, valt niet goed te begrijpen waarom de Rechtbank ten aanzien van “alle andere resterende stukken” oordeelt dat niet uit te sluiten valt dat zij informatie bevatten over de tien overgebleven patiënten en/of over de algemene zorgververlening door klager. Niet uit te sluiten valt dan immers evenmin dat die stukken informatie bevatten over de bedoelde 22 patiënten. Bovendien valt dan niet te begrijpen dat de Rechtbank overweegt dat het hier gaat om “door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken”. Stukken die betrekking hebben op de 22 bedoelde patiënten had de OvJ immers uitdrukkelijk niet langer relevant geacht.

Derhalve concludeert de AG dat de hierna weergegeven overweging waarin de Rechtbank haar oordeel over al de bedoelde “andere resterende stukken” geeft, alleen betrekking heeft op stukken die gegevens bevatten over de tien patiënten die tot het onderwerp van het GVO behoren en op stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Bij een andere lezing zou die overweging weer niet goed te begrijpen zijn, nu daarin over stukken die betrekking hebben op de 22 andere patiënten niet wordt gerept. De bedoelde overweging luidt:

“Dat de tien resterende patiëntdossiers medische informatie van patiënten kunnen bevatten, is evident, zodat die vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van IGZ. Kennelijk heeft de officier van justitie met de andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken, de stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager, gedoeld op andere stukken dan die welke medische informatie van specifieke patiënten bevatten, zodat die stukken naar het oordeel van de rechtbank niet vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van de IGZ. Ten aanzien van die stukken is het klaagschrift dan ook om die reden ongegrond.”

Op het eerste gezicht is het merkwaardig dat de Rechtbank een tweedeling maakt tussen de tien patiëntendossiers en de “andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken” en ten aanzien van die andere stukken oordeelt dat die (alleen) betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager. De gespreksverslagen die op de tien patiënten betrekking hebben, lijken zo tussen de wal en het schip te zijn gevallen. Dat echter kan niet de bedoeling zijn. Aangenomen moet daarom worden dat voor de term ‘patiëntdossiers’ in deze overweging hetzelfde geldt als voor de term ‘dossiers’ in de weergegeven overweging, namelijk dat daarmee alle stukken worden bedoeld die gegevens bevatten over de desbetreffende patiënten. In diezelfde zin is de term ‘patiëntdossier’ dan kennelijk in het dictum gebezigd. Bij die uitleg is de gesignaleerde discrepantie minder groot.

Wat betekent dit alles voor het voorgestelde middel? In de eerste plaats dat het feitelijke grondslag mist voor het zover het ervan uitgaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat stukken die specifieke informatie bevatten over patiënten (zoals mogelijk het geval is met betrekking tot de gespreksverslagen) niet onder het afgeleide verschoningsrecht vallen. Hetzelfde geldt voor zover het middel ervan uitgaat dat de Rechtbank zich over bepaalde stukken in het geheel niet heeft uitgelaten. De overwegingen van de Rechtbank moeten immers zo worden verstaan dat het klaagschrift alleen ongegrond is verklaard voor zover het gaat om (i) stukken die specifiek betrekking hebben op de tien patiënten waarop het GVO zich richt en (ii) stukken die enkel betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager. Van alle onder (i) bedoelde stukken heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij onder het verschoningsrecht vallen. Van de onder (ii) bedoelde stukken heeft zij geoordeeld dat dit niet het geval is. Het voorgaande betekent daarom in de tweede plaats dat het middel enkel nog bespreking behoeft voor zover het betrekking heeft op het oordeel dat de Rechtbank gaf ten aanzien van de onder (ii) bedoelde stukken.

De aan dit oordeel ten grondslag liggende opvatting van de Rechtbank dat deze stukken niet onder het verschoningsrecht vallen omdat zij geen “medische informatie van specifieke patiënten” bevatten, wordt in de toelichting op het middel niet bestreden met argumenten die zich speciaal daarop richten. Toch gaat de AG ervan uit dat het middel zich ook tegen het bedoelde oordeel richt. De algemene klacht dat de Rechtbank haar eigen oordeel niet voor dat van de klager in de plaats had mogen stellen, geldt voor dat oordeel evenzeer. De AG merkt daarbij op dat, mocht de Rechtbank hebben bedoeld dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, mij dit niet zonder meer begrijpelijk voorkomt. Het gaat bij de bedoelde stukken niet om algemeen toegankelijke informatie over zorgverlening en behandelmethoden die in de gezondheidszorg gangbaar zijn, maar om de zorgverlening die door de klager in zijn kliniek werd gepraktiseerd en die – zo lijkt de verdenking in te houden – juist niet algemeen gangbaar was. Daarom valt niet redelijkerwijs uit te sluiten dat de bedoelde stukken informatie bevatten over de behandelingen die de patiënten in de kliniek ondergingen.

Het middel is in zoverre gegrond. De vraag is of dat tot cassatie moet leiden. De AG meent van niet en wel omdat de klager daarbij onvoldoende belang heeft. Het kan er namelijk voor gehouden worden dat de Rechtbank, als zij wél had geoordeeld dat de bedoelde stukken onder het verschoningsrecht vallen, ook ten aanzien van die stukken zou hebben geoordeeld dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Het zou immers vreemd zijn als de Rechtbank een inbreuk op het verschoningsrecht wel gerechtvaardigd zou achten ten aanzien van stukken die specifiek betrekking hebben op bepaalde patiënten, maar niet ten aanzien van stukken die dergelijke specifieke informatie niet bevatten. In het laatste geval gaat de inbreuk op het verschoningsrecht minder ver en valt de belangenafweging dus eerder in het voordeel van doorbreking uit.

Een andere oplossing zou zijn dat de Hoge Raad wel tot partiële vernietiging overgaat en vervolgens, zoals art. 448 lid 1 Sv hem voorschrijft, in zoverre beveelt wat had behoren te geschieden. De Hoge Raad doet dan dus opnieuw recht, waarbij hij zich kan baseren op het in cassatie overeind gebleven oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot de tien patiëntendossiers gaf. De uitkomst waartoe dat leidt, dient in de optiek van de AG te zijn dat het beklag opnieuw ongegrond wordt verklaard, maar dan omdat een doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd. Voor de klager komt dit op hetzelfde neer. Dat illustreert dat hij bij vernietiging onvoldoende belang heeft.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht verduistering: Het zuiver negatieve nalaten van moeite om iets aan de eigenaar terug te geven is, zelfs niet als overeengekomen is dat dit zonder aanmaning zal geschieden, geen toe-eigening in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771 Verdachte heeft op naam van B, het bedrijf waar verdachte op dat moment werkzaam was, een huurovereenkomst/ leasecontract gesloten met A, waarbij een personenauto (merk Honda, type CRV) is gehuurd/geleaset. De huurovereenkomst/ het leasecontract liep af op 14 september 2011. Hoewel verdachte van deze datum op de hoogte was, was de personenauto op 13 oktober 2011 (nog) niet bij A teruggebracht. De sleutel van de personenauto lag in huis bij betrokkene 2, een collega van verdachte en tevens medeverdachte van verdachte in een andere strafzaak. Betrokkene 2 is, net als verdachte, op 13 september 2011 aangehouden en heeft tegelijk met verdachte in beperkingen gezeten. Op 23 november 2011 is voornoemde personenauto in beslag genomen onder betrokkene 3.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens verduistering.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 15-152874-12 ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van de huurauto en geconcludeerd dat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent het volgende.

Gezien de volgende omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de door hem gehuurde auto.

- de verdachte heeft een short-leaseovereenkomst gesloten met [A];

- hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de auto moest worden geretourneerd op 14 september 2011;

- de verdachte had aan zijn medewerker [betrokkene 2] toestemming gegeven deze auto te gebruiken en onder zich te houden;

- de verdachte wist dat [betrokkene 2] tegelijkertijd met hem was aangehouden, op 13 september 2011. Dat was een dag voordat de huurovereenkomst afliep, zodat hij zich niet blindelings kon verlaten op een eventuele afwikkeling van de leaseovereenkomst door [betrokkene 2];

- de verdachte, die daartoe als contractspartij verantwoordelijk was, heeft in de gehele tenlastegelegde periode geen actie ondernomen de auto tijdig te doen terugbrengen naar de eigenaar.

Het feit dat de verdachte gedetineerd was en in alle beperkingen zat doet hier niets aan af, nu dit niet in de weg stond aan contact tussen hem en zijn raadsman. Aldus had de verdachte via zijn raadsman kunnen zorgdragen voor een tijdige terugkeer van de auto bij de verhuurder."

Middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het Hof bij de verwerping van het van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer inhoudende dat verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof, door te overwegen dat verdachte geen actie heeft ondernomen om de auto tijdig aan de eigenaar te doen terugbrengen, heeft miskend dat het nalaten van het tijdig teruggeven van de gehuurde auto aan de verhuurder niet zonder meer wederrechtelijke toe-eigening in de zin van verduistering oplevert, althans dat het Hof voornoemd verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. onder meer HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57).

Blijkens de bewijsmiddelen heeft de verdachte niet ervoor gezorgd dat de auto na afloop van de leaseovereenkomst werd teruggegeven aan A, aan wie de auto toebehoorde. Aan die omstandigheid kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte na afloop van de leaseovereenkomst over de auto 'als heer en meester is gaan beschikken'. De gebezigde bewijsmiddelen houden geen andere feiten of omstandigheden in waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat de verdachte die auto zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, is daarom niet toereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^