Veroordeling wegens valsheid in geschifte. Hof heeft verweer dat er geen administratieverplichting gold terecht verworpen.

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1762 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 november 2013 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en de verdachte wegens valsheid in geschrift, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van honderdtachtig uren.

Middel

Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat een verplichting tot vastlegging van administratieve gegevens in de bewezenverklaarde periode niet aan de wet kan worden ontleend en dat om die reden het bewezenverklaarde valselijk opmaken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

De raadsman heeft zich onder verwijzing naar de artikelen 2:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 52, lid 1 AWR op het standpunt gesteld dat een verplichting tot vastlegging van de administratieve gegevens in de periode die in de (gewijzigde) tenlastelegging wordt gesteld, niet aan de wet kan worden ontleend. Mitsdien kan naar het oordeel van de raadsman niet worden bewezen dat verdachte schuldig heeft gemaakt aan het opmaken dan wel vervalsen van de bedrijfsadministratie door daarin de verkoop van koperkathodes niet op te nemen.

Het hof heeft hierop als volgt overwogen:

“In artikel 52, lid 1 van de AWR is een administratieplicht opgenomen. Krachtens deze bepaling dient een zodanige administratie te worden gevoerd waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap blijken, evenals de voor de heffing van belastingen relevante gegevens. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de administratie zodanig moet zijn dat daaruit conclusies kunnen worden getrokken omtrent de vermogenstoestand en rechten en verplichtingen en de overige voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens en om die reden dient de administratie regelmatig te worden bijgehouden, één en ander afhankelijk van de omvang van de onderneming.

Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt welke werkwijze van administreren te doen gebruikelijk was binnen [medeverdachte 3] Hieruit leidt het hof af dat de administratie van in- en verkoop tijdig werd bijgehouden en op orde was. Zoals in het voorgaande overwogen, was het binnen [medeverdachte 3] bovendien te doen gebruikelijk dat contante inkomsten direct gestort werden op de bank en in de boekhouding werden verwerkt. Het hof acht dan ook boven enige twijfel verheven dat de verkoop van de 200 ton koperkathodes met de opbrengst van € 500.000,00, welk geldbedrag verdachte op 16 februari 2009 van [betrokkene 1] contant heeft ontvangen, op enigerlei wijze in de tenlastegelegde periode in de administratie vermeld had moeten en kunnen worden. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.”

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Conclusie AG

Volgens de steller van het middel is de verwerping onjuist, althans onbegrijpelijk omdat in de periode februari tot september 2009 (nog) geen verplichting tot vastlegging van de gegevens bestond. Volgens de civielrechtelijke norm was de termijn van zes maanden (art. 2:10 lid 2 BW) nog niet verstreken en volgens de fiscale norm was nog inkeer (art. 69 lid 3 AWR) mogelijk. Redelijke wetsuitleg vraagt om afstemming van art. 225 Sr op deze normen en het zou een anomalie zijn indien er al wel van valsheid in geschrift sprake zou kunnen zijn.

Administratieverplichting op grond van het belastingrecht

Voor zover de steller van het middel thans een beroep doet op de inkeerbepaling van art. 69, derde lid, AWR overvraagt hij het Hof indien hij meent dat het Hof daaraan is voorbij gegaan. In feitelijke aanleg is er immers geen beroep op de inkeerbepaling gedaan. De mogelijkheid van inkeer lijkt mij overigens hier ook geen enkele betekenis te hebben. De enkele omstandigheid dat het recht om fiscale strafbare feiten te vervolgen kan vervallen na inkeer betekent bepaald niet dat daarmee de administratieverplichtingen van art. 52 AWR eveneens vervallen. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, gold dus in de bewezenverklaarde periode de fiscale administratieverplichting.

Civiele administratieverplichting

Voor wat betreft de civiele administratieverplichting richt art. 2:10 BW zich tot het bestuur. Bewezenverklaard is echter dat de rechtspersoon zelf valsheid in geschrift heeft gepleegd. Belangrijker is dat het tweede lid van art. 2:10 BW is beperkt tot de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon. In het onderhavige geval gaat het echter om het opnemen van bescheiden in de administratie over lopende of kort daarvoor afgeronde transacties. Daarvoor geldt de termijn van zes maanden van het tweede lid van art. 2:10 BW niet. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, gold dus in de bewezenverklaarde periode ook de administratieverplichting uit het Burgerlijk Wetboek.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF