Slagende bewijsklacht verduistering: Het zuiver negatieve nalaten van moeite om iets aan de eigenaar terug te geven is, zelfs niet als overeengekomen is dat dit zonder aanmaning zal geschieden, geen toe-eigening in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771 Verdachte heeft op naam van B, het bedrijf waar verdachte op dat moment werkzaam was, een huurovereenkomst/ leasecontract gesloten met A, waarbij een personenauto (merk Honda, type CRV) is gehuurd/geleaset. De huurovereenkomst/ het leasecontract liep af op 14 september 2011. Hoewel verdachte van deze datum op de hoogte was, was de personenauto op 13 oktober 2011 (nog) niet bij A teruggebracht. De sleutel van de personenauto lag in huis bij betrokkene 2, een collega van verdachte en tevens medeverdachte van verdachte in een andere strafzaak. Betrokkene 2 is, net als verdachte, op 13 september 2011 aangehouden en heeft tegelijk met verdachte in beperkingen gezeten. Op 23 november 2011 is voornoemde personenauto in beslag genomen onder betrokkene 3.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens verduistering.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 15-152874-12 ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van de huurauto en geconcludeerd dat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent het volgende.

Gezien de volgende omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de door hem gehuurde auto.

- de verdachte heeft een short-leaseovereenkomst gesloten met [A];

- hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de auto moest worden geretourneerd op 14 september 2011;

- de verdachte had aan zijn medewerker [betrokkene 2] toestemming gegeven deze auto te gebruiken en onder zich te houden;

- de verdachte wist dat [betrokkene 2] tegelijkertijd met hem was aangehouden, op 13 september 2011. Dat was een dag voordat de huurovereenkomst afliep, zodat hij zich niet blindelings kon verlaten op een eventuele afwikkeling van de leaseovereenkomst door [betrokkene 2];

- de verdachte, die daartoe als contractspartij verantwoordelijk was, heeft in de gehele tenlastegelegde periode geen actie ondernomen de auto tijdig te doen terugbrengen naar de eigenaar.

Het feit dat de verdachte gedetineerd was en in alle beperkingen zat doet hier niets aan af, nu dit niet in de weg stond aan contact tussen hem en zijn raadsman. Aldus had de verdachte via zijn raadsman kunnen zorgdragen voor een tijdige terugkeer van de auto bij de verhuurder."

Middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het Hof bij de verwerping van het van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer inhoudende dat verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof, door te overwegen dat verdachte geen actie heeft ondernomen om de auto tijdig aan de eigenaar te doen terugbrengen, heeft miskend dat het nalaten van het tijdig teruggeven van de gehuurde auto aan de verhuurder niet zonder meer wederrechtelijke toe-eigening in de zin van verduistering oplevert, althans dat het Hof voornoemd verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. onder meer HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57).

Blijkens de bewijsmiddelen heeft de verdachte niet ervoor gezorgd dat de auto na afloop van de leaseovereenkomst werd teruggegeven aan A, aan wie de auto toebehoorde. Aan die omstandigheid kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte na afloop van de leaseovereenkomst over de auto 'als heer en meester is gaan beschikken'. De gebezigde bewijsmiddelen houden geen andere feiten of omstandigheden in waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat de verdachte die auto zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, is daarom niet toereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF