'Forse overschrijding berechtingstermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid OM'

Op 17 februari 2015 is door de politierechter in Leeuwarden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechter had de berechting te lang geduurd. De uitspraak is opmerkelijk omdat de Hoge Raad op overschrijding van deze redelijke berechtingstermijn geen niet-ontvankelijkheid (meer) stelt. De rechter honoreerde met deze uitspraak het verweer van raadsman Hans Anker. De cliënt,  een 23-jarige man, werd verdacht van het rijden onder invloed van drugs op 2 oktober 2011. Pas zo’n drieëneenhalf jaar later vond de behandeling van de strafzaak plaats.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: motiveringsklacht OvJ slaagt

Hoge Raad 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:341

Feiten

Bij brief van 23 april 2014 heeft de raadsman van klager de OvJ verzocht om teruggave van een personenauto. Er kan vanuit worden uitgegaan dat het hier een op de voet van art. 94 Sv onder de klager in beslag genomen auto betreft. Toen de raadsman geen reactie op de brief ontving, heeft hij op 29 april 2014 een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de Rechtbank ingediend en daarbij wederom verzocht om teruggave van - onder meer – dit voertuig.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft het parket de raadsman bericht dat de auto niet werd teruggegeven, omdat de auto zou zijn omgekat. Deze mededeling werd niet onderbouwd. In het schriftelijk standpunt van de OvJ van 18 juni 2014 wordt verder niet gerept over de auto en wordt meegedeeld dat de inbeslagneming betrekking heeft op “helingsonderzoek naar navigatiesystemen”. Enkele dagen vóór de zitting van de raadkamer zijn door de OvJ nog wel stukken overgelegd, maar deze betreffen niet de auto.

Rechtbank

Gelet op deze gang van zaken concludeert de Rechtbank dat blijkbaar aan het strafvorderlijk belang aan teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat.

De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 27 juni 2014 het beklag van klager ex art. 552a Sv ten aanzien van de auto dan ook deels gegrond verklaard en teruggave van de personenauto aan klager gelast.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat:

  • de administratie kan worden teruggegeven omdat deze kan worden gekopieerd;
  • de herkomst van het geld nog nader moet worden onderzocht;
  • er nog een onderzoek loopt naar de navigatiesystemen;
  • er momenteel geen stukken voorhanden zijn t.a.v. het omkatten,

en verzoekt derhalve om aanhouding, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om het onderhavige dossier aan te vullen met de noodzakelijke stukken. (…)

De beoordeling (…)

Ten aanzien van de in beslag genomen Volkswagen Polo stelt de rechtbank het volgende vast. Bij brief van 23 april 2014 heeft de raadsman van klager de officier van justitie verzocht om teruggave van dit voertuig. Toen de raadsman hierop geen reactie ontving, heeft hij op 29 april 2014 een klaagschrift bij de rechtbank ingediend en daarbij wederom verzocht om teruggave van - onder meer - de Volkswagen Polo. Bij brief van 14 mei 2014 heeft het parket de raadsman bericht dat de auto niet werd teruggegeven, omdat de auto zou zijn omgekat. Deze mededeling werd verder niet onderbouwd. In het schriftelijk standpunt van de officier van justitie van 18 juni 2014 wordt verder niet gerept over de Volkswagen Polo en wordt meegedeeld dat de inbeslagneming betrekking heeft op “helingsonderzoek naar navigatiesystemen”. Enkele dagen vóór de zitting van de raadkamer zijn door de officier van justitie nog wel stukken overgelegd, maar deze betreffen niet de Volkswagen Polo. Gelet op deze gang van zaken concludeert de rechtbank dat blijkbaar het strafvorderlijk belang teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat. De rechtbank zal het beklag ten aanzien van de auto dan ook gegrond verklaren. (…)

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond en gelast de teruggave van

• een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van buitenlands kenteken [0001]; (…)

aan [klager], beslagene. (…)”

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. J.M. Kramer, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat er nog een onderzoek loopt naar de navigatiesystemen en er momenteel geen stukken voorhanden zijn t.a.v. het omkatten.

Het middel verzoekt derhalve om aanhouding, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om het onderhavige dossier aan te vullen met de noodzakelijke stukken.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en daartoe overwogen dat uit het handelen en nalaten van de OvJ met betrekking tot het beslag moet worden afgeleid dat "blijkbaar het strafvorderlijk belang teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat". Mede in het licht van het door de OvJ gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde het dossier te kunnen aanvullen met ontbrekende stukken, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom die gelegenheid niet kon worden geboden.

De motiveringsklacht slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:325

Feiten

Op grond van binnengekomen informatie is de politie binnengetreden bij verdachte. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking is een geldbedrag in een plastic tas aangetroffen, verstopt in een duivenhok. Verdachte heeft aanvankelijk niet willen verklaren over de herkomst van dit geld. Pas nadat een betrokkene had aangegeven dat het geld van hem zou zijn en om teruggave heeft verzocht, heeft verdachte een verklaring hierover afgelegd.

Hof

Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 september 2013 verdachte ter zake van witwassen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard.

Het Hof concludeert dat dat het door verdachte en diens raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Middel

Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.

Beoordeling Hoge Raad

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456).

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof onder meer heeft vastgesteld (i) dat het gaat om een contant geldbedrag van € 40.850, (ii) dat dit geldbedrag is aangetroffen in een plastic tas in een duivenhok direct achter de door de verdachte bewoonde woonwagen, alsmede (iii) dat de verdachte blijkens informatie van de belastingdienst samen met zijn partner als inkomsten slechts beschikte over een uitkering die gemiddeld over de voorgaande vijf jaar minder dan € 22.000,- per jaar bedroeg, en (iv) dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat betrokkene  dat geldbedrag aan hem in bewaring had gegeven, niet aannemelijk is.

Conclusie AG: contrair

Indien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Dit leidt er echter niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

In de onderhavige zaak is uit de bewijsvoering van het hof geen verband af te leiden tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daar verklaard dat hij het geld in beheer had voor betrokkene 2, een kennis van hem. Het hof heeft die verklaring niet aannemelijk geacht, gelet op het feit dat de verdachte pas over betrokkene 2 is gaan verklaren nadat betrokkene 2 had aangegeven dat het geld van hem zou zijn en om teruggave had verzocht, alsmede gelet op de hoeveelheid geld en hoe en waar het geld is aangetroffen. Dat die omstandigheden maken dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. betrokkene 2 heeft inderdaad verklaard dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van hem was. Het hof heeft niet overwogen dat het die verklaring van betrokkene 2 (ook) niet aannemelijk acht, noch aangegeven dat de verklaring van betrokkene 2 en verdachte op essentiële punten niet overeenkomen. Daar komt bij dat het hof ook geen conclusie verbindt aan zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het aangetroffen geldbedrag niet aannemelijk is. Zo overweegt het hof bijvoorbeeld niet dat het van oordeel is dat de verdachte met die verklaring de criminele herkomst van het geldbedrag heeft willen verhullen, noch overweegt het hof dat het gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Nu ook uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt dat het aangetroffen van geld van misdrijf afkomstig is, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het tweede middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Rol advocaat in Havenschandaal moet opnieuw onderzocht

Het hof heeft te gemakkelijk aangenomen dat de verkeerde informatie die advocaat C. aan de RDM en financiers gaf geen opzettelijke valsheid in geschrift oplevert. Het hof moet de mogelijkheid van valsheid in geschrift opnieuw onderzoeken, zo oordeelt de Hoge Raad vandaag.

De verdachte adviseerde bij een overeenkomst waarbij het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam garanties verstrekte voor leningen die werden aangegaan door de RDM. Deze garanties werden in het geheim verstrekt door het hoofd van dienst van het Havenbedrijf zonder dat de toezichthoudende instanties daarvan wisten en zonder dat zij toestemming hadden gegeven. Toen de bedrijven van het RDM-concern de kredieten niet konden terugbetalen werd het Havenbedrijf voor die terugbetaling aangesproken.

In een voor het doorgaan van de garantieovereenkomst belangrijk advies, een zogenoemde ‘legal opinion’, liet de advocaat een cruciale passage uit de statuten van het Havenbedrijf weg. In die passage staat dat voor het afgeven van de garanties de voorafgaande toestemming nodig was van de raad van commissarissen. De advocaat schreef juist dat die toestemming niet nodig was. Volgens de verdachte was het weglaten van die passage een ‘oenige vergissing’.

Het hof stelde vast dat zijn legal opinions weliswaar onjuiste informatie bevatten maar dat daarin ook een opmerking stond die erop wijst dat de advocaat aandacht vroeg voor een mogelijk dispuut over de eis van toestemming van de commissarissen. Daarom achtte het hof de adviezen geen valsheid in geschrift en sprak het de advocaat daarvan vrij. Die redenering vindt de Hoge Raad niet juist. Dat geldt ook voor het oordeel van het hof dat de advocaat de door hem opgestelde zogenoemde ‘certificates’ niet opzettelijk vals zou hebben opgemaakt omdat deze documenten door de directeur van het Havenbedrijf waren ondertekend. In de certificates staat onjuist vermeld dat de commissarissen toestemming hadden gegeven.

Bron: de Rechtspraak

 

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht overtreding artikel 9 Wet MOT

Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:261

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens 1 en 2 telkens medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken, 3 medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd, 4 opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd en 5 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het Hof heeft het onder 3 en 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd. Volgens het Hof heeft verdachte niet aan de bij art. 9 Wet MOT voorgeschreven meldingsplicht voldaan doordat hij, kort gezegd, de aldaar opgesomde zogenoemde subjectieve indicatoren niet heeft gemeld.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ter zake het onder 3, tweede gedeelte, en 4 tenlastegelegde en ter zake van de strafoplegging, tot terugwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Middelen

De middelen keren zich onder meer tegen de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4, voor zover daarbij door het Hof is bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk de voorschriften gesteld bij art. 9 van de Wet MOT heeft overtreden.

Volgens de raadsman zijn de door verdachte gedane transacties gemeld bij het meldpunt onder vermelding van de identiteit van de cliënt, terwijl de omstandigheden niet vermeld behoefden te worden en de subjectieve indicatoren geen voorkeur genieten boven de objectieve indicatoren.

Juridisch kader

De feiten 3 en 4 zijn blijkens de bewezenverklaring gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006. Het is van belang daarop te wijzen, omdat toen nog de Wet melding ongebruikelijke transacties (oud) van kracht was, zij het dat op 1 mei 2006 een wetswijziging plaatsvond die onder meer betrekking had op de hier relevante en verderop aan te halen artikelen 8 en 9. Artikel 8 Wet MOT (oud) vormde de wettelijke basis voor het zogenoemde indicatorensysteem, terwijl art. 9 van deze wet betrekking had op de meldingsplicht ingeval van een ongebruikelijke transactie.  Onder ongebruikelijke transactie verstond art. 1, onderdeel d, Wet MOT (oud) een transactie die aan de hand van de ingevolge art. 8 Wet MOT (oud) bepaalde indicatoren als zodanig werd aangemerkt. Gelet op art. 8, eerste lid, Wet MOT (oud) was op 1 januari 2002 de Regeling “Vaststelling indicatorenlijst voor ongebruikelijke transacties” (oud) in werking getreden. Deze Regeling is op 1 november 2005 – dus in de hier bedoelde tenlastegelegde periode - ingetrokken en vervangen door de “Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 houdende de vaststelling van indicatoren met betrekking tot transacties bedoeld in art. 8 van de Wet MOT” (oud).

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de onderhavige met het oog op de naleving van de Wet MOT (oud) gedane meldingen waarop de tenlasteleggingen onder 3 en 4 zien alleen de zogenoemde objectieve indicatoren hebben bevat. Blijkens de bewezenverklaring van feit 3, tweede gedeelte, tweede sterretje, en feit 4 heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte in de in de tenlastelegging vermelde periode telkens niet heeft voldaan aan de bij art. 9 (oud) Wet MOT voorgeschreven meldingsplicht doordat hij, kort gezegd, de aldaar opgesomde zogenoemde subjectieve indicatoren niet heeft gemeld.

De middelen stellen de vraag aan de orde of - zoals de verdediging gemotiveerd ten verwere heeft aangevoerd, maar waaraan het Hof geen woord heeft gewijd - in het systeem van de hier toepasselijke Wet MOT kan worden volstaan met melding van de objectieve indicatoren, zodat niet in strijd met de Wet MOT wordt gehandeld indien niet tevens subjectieve indicatoren worden vermeld. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Noch de tekst van de art. 8 en 9 (oud) Wet MOT, noch de wetsgeschiedenis biedt enig aanknopingspunt voor de opvatting dat eerst dan (volledig) aan de desbetreffende meldingsplicht is voldaan, indien naast de objectieve indicatoren ook subjectieve indicatoren worden vermeld. Aan de strekking van de Wet MOT dat de omstandigheden worden gemeld op grond waarvan de desbetreffende transactie als ongebruikelijk kan worden aangemerkt, is immers ook voldaan indien alleen objectieve indicatoren zijn vermeld.

Het kennelijk oordeel van het Hof dat een MOT-melding die is verricht op grond van objectieve indicatoren en niet tevens op subjectieve indicatoren in strijd is met voorschriften gesteld bij art. 9 (oud) Wet MOT geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover de middelen hierover klagen zijn zij gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^