Falende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:325

Feiten

Op grond van binnengekomen informatie is de politie binnengetreden bij verdachte. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking is een geldbedrag in een plastic tas aangetroffen, verstopt in een duivenhok. Verdachte heeft aanvankelijk niet willen verklaren over de herkomst van dit geld. Pas nadat een betrokkene had aangegeven dat het geld van hem zou zijn en om teruggave heeft verzocht, heeft verdachte een verklaring hierover afgelegd.

Hof

Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 september 2013 verdachte ter zake van witwassen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard.

Het Hof concludeert dat dat het door verdachte en diens raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Middel

Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.

Beoordeling Hoge Raad

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456).

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof onder meer heeft vastgesteld (i) dat het gaat om een contant geldbedrag van € 40.850, (ii) dat dit geldbedrag is aangetroffen in een plastic tas in een duivenhok direct achter de door de verdachte bewoonde woonwagen, alsmede (iii) dat de verdachte blijkens informatie van de belastingdienst samen met zijn partner als inkomsten slechts beschikte over een uitkering die gemiddeld over de voorgaande vijf jaar minder dan € 22.000,- per jaar bedroeg, en (iv) dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat betrokkene  dat geldbedrag aan hem in bewaring had gegeven, niet aannemelijk is.

Conclusie AG: contrair

Indien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Dit leidt er echter niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

In de onderhavige zaak is uit de bewijsvoering van het hof geen verband af te leiden tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daar verklaard dat hij het geld in beheer had voor betrokkene 2, een kennis van hem. Het hof heeft die verklaring niet aannemelijk geacht, gelet op het feit dat de verdachte pas over betrokkene 2 is gaan verklaren nadat betrokkene 2 had aangegeven dat het geld van hem zou zijn en om teruggave had verzocht, alsmede gelet op de hoeveelheid geld en hoe en waar het geld is aangetroffen. Dat die omstandigheden maken dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. betrokkene 2 heeft inderdaad verklaard dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van hem was. Het hof heeft niet overwogen dat het die verklaring van betrokkene 2 (ook) niet aannemelijk acht, noch aangegeven dat de verklaring van betrokkene 2 en verdachte op essentiële punten niet overeenkomen. Daar komt bij dat het hof ook geen conclusie verbindt aan zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het aangetroffen geldbedrag niet aannemelijk is. Zo overweegt het hof bijvoorbeeld niet dat het van oordeel is dat de verdachte met die verklaring de criminele herkomst van het geldbedrag heeft willen verhullen, noch overweegt het hof dat het gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Nu ook uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt dat het aangetroffen van geld van misdrijf afkomstig is, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het tweede middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF