Slagende bewijsklacht overtreding artikel 9 Wet MOT

Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:261

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens 1 en 2 telkens medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken, 3 medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd, 4 opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd en 5 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het Hof heeft het onder 3 en 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd. Volgens het Hof heeft verdachte niet aan de bij art. 9 Wet MOT voorgeschreven meldingsplicht voldaan doordat hij, kort gezegd, de aldaar opgesomde zogenoemde subjectieve indicatoren niet heeft gemeld.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ter zake het onder 3, tweede gedeelte, en 4 tenlastegelegde en ter zake van de strafoplegging, tot terugwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Middelen

De middelen keren zich onder meer tegen de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4, voor zover daarbij door het Hof is bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk de voorschriften gesteld bij art. 9 van de Wet MOT heeft overtreden.

Volgens de raadsman zijn de door verdachte gedane transacties gemeld bij het meldpunt onder vermelding van de identiteit van de cliënt, terwijl de omstandigheden niet vermeld behoefden te worden en de subjectieve indicatoren geen voorkeur genieten boven de objectieve indicatoren.

Juridisch kader

De feiten 3 en 4 zijn blijkens de bewezenverklaring gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006. Het is van belang daarop te wijzen, omdat toen nog de Wet melding ongebruikelijke transacties (oud) van kracht was, zij het dat op 1 mei 2006 een wetswijziging plaatsvond die onder meer betrekking had op de hier relevante en verderop aan te halen artikelen 8 en 9. Artikel 8 Wet MOT (oud) vormde de wettelijke basis voor het zogenoemde indicatorensysteem, terwijl art. 9 van deze wet betrekking had op de meldingsplicht ingeval van een ongebruikelijke transactie.  Onder ongebruikelijke transactie verstond art. 1, onderdeel d, Wet MOT (oud) een transactie die aan de hand van de ingevolge art. 8 Wet MOT (oud) bepaalde indicatoren als zodanig werd aangemerkt. Gelet op art. 8, eerste lid, Wet MOT (oud) was op 1 januari 2002 de Regeling “Vaststelling indicatorenlijst voor ongebruikelijke transacties” (oud) in werking getreden. Deze Regeling is op 1 november 2005 – dus in de hier bedoelde tenlastegelegde periode - ingetrokken en vervangen door de “Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 houdende de vaststelling van indicatoren met betrekking tot transacties bedoeld in art. 8 van de Wet MOT” (oud).

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de onderhavige met het oog op de naleving van de Wet MOT (oud) gedane meldingen waarop de tenlasteleggingen onder 3 en 4 zien alleen de zogenoemde objectieve indicatoren hebben bevat. Blijkens de bewezenverklaring van feit 3, tweede gedeelte, tweede sterretje, en feit 4 heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte in de in de tenlastelegging vermelde periode telkens niet heeft voldaan aan de bij art. 9 (oud) Wet MOT voorgeschreven meldingsplicht doordat hij, kort gezegd, de aldaar opgesomde zogenoemde subjectieve indicatoren niet heeft gemeld.

De middelen stellen de vraag aan de orde of - zoals de verdediging gemotiveerd ten verwere heeft aangevoerd, maar waaraan het Hof geen woord heeft gewijd - in het systeem van de hier toepasselijke Wet MOT kan worden volstaan met melding van de objectieve indicatoren, zodat niet in strijd met de Wet MOT wordt gehandeld indien niet tevens subjectieve indicatoren worden vermeld. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Noch de tekst van de art. 8 en 9 (oud) Wet MOT, noch de wetsgeschiedenis biedt enig aanknopingspunt voor de opvatting dat eerst dan (volledig) aan de desbetreffende meldingsplicht is voldaan, indien naast de objectieve indicatoren ook subjectieve indicatoren worden vermeld. Aan de strekking van de Wet MOT dat de omstandigheden worden gemeld op grond waarvan de desbetreffende transactie als ongebruikelijk kan worden aangemerkt, is immers ook voldaan indien alleen objectieve indicatoren zijn vermeld.

Het kennelijk oordeel van het Hof dat een MOT-melding die is verricht op grond van objectieve indicatoren en niet tevens op subjectieve indicatoren in strijd is met voorschriften gesteld bij art. 9 (oud) Wet MOT geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover de middelen hierover klagen zijn zij gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF