Witwassen & hawala-bankieren

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens schuldwitwassen veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en verbeurdverklaring van twee geldbedragen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van 70.000 euro en 350 euro voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

De criminele herkomst van het geld kan niet worden vastgesteld. Weliswaar is er sprake geweest van een vorm van Hawala-bankieren, waarbij zonder vergunning geldtransacties worden verricht, maar dat brengt nog niet mee dat gelden die op deze manier worden ingezameld en overgemaakt per se van een misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankieren is strafbaar, maar het levert geen witwassen op. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 29 april 2008 (LJN BD2799) en naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2008 (LJN BC9951).

(...)

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] binnen het bedrijf [A] de facto een kantoor hield gericht op het verrichten van geldtransacties. Bij dit kantoor konden mensen in Nederland bedragen storten die door of vanwege de verdachte op de één of andere wijze in Suriname terecht kwamen. In het kader van deze geldtransacties werden één à twee keer per week al dan niet grote bedragen geld die in die week waren verzameld, door [medeverdachte] gebundeld en via een derde - in deze de verdachte - afgestort bij een bank ten behoeve van een rekening van een in Suriname gevestigd bedrijf, te weten [B] B.V.

Medeverdachte [medeverdachte] verrichtte deze handelingen zonder dat aan hem of aan [betrokkene], in wiens opdracht [medeverdachte] naar eigen zeggen deze handelingen verrichtte, daartoe een vergunning was afgegeven. Zij hebben zich daarbij gerealiseerd - of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard - dat een dergelijke vergunning wel nodig was voor deze activiteiten. Het hof leidt daaruit af dat sprake is van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1 sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komen onvoldoende aanwijzingen naar voren dat het geld dat [medeverdachte] van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. [medeverdachte] heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als 'afkomstig uit enig misdrijf', als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen."

Namens verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag van € 70.000,- afkomstig is uit enig misdrijf.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die de verdachte en zijn mededader in het kader van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen 'daardoor' uit misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van art. 420quater Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring wat betreft het geldbedrag van € 70.000,- kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044).

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

“Toebehorende aan” in de zin van artikel 321 Sr

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3377

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 november 2013 de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf weken wegens

  1. subsidiair verduistering
  2. oplichting
  3. diefstal, meermalen gepleegd

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte: "in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 september 2003 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk enige goederen, te weten geldbedragen (in totaal 4.133,59 euro), toebehorende aan betrokkene 1, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van aan hem, verdachte, verstrekte gelden (ten behoeve van de aankoop van goederen), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

Middel

Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het geldbedrag van € 4.133,59 (volledig) toebehoorde aan betrokkene 1, zoals onder 1 is bewezenverklaard.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 321 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "toebehorende aan" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende uitdrukking.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:

  • aan de verdachte een bedrag van € 4.917,47 ter beschikking was gesteld door betrokkene 1 met als doel voor betrokkene 1, kort gezegd, badkamermeubilair te bestellen en dat met dit geld te betalen;
  • dit geldbedrag een deel provisie omvatte;
  • ter waarde van € 783,88 aan goederen door de verdachte is geleverd aan betrokkene 1;
  • de verdachte het resterende geldbedrag, groot € 4.133,59, voor andere doeleinden heeft aangewend dan de aanschaf en betaling van badkamermeubilair.

Gelet hierop heeft het Hof zonder miskenning van de uitdrukking "toebehorende aan" uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich het, in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag van (in totaal) € 4.133,59 heeft toegeëigend terwijl dat geld aan betrokkene 1 toebehoorde. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verdachte dit geldbedrag slechts ontving teneinde daarmee de door hem te bestellen goederen te betalen en dat, nu hij die betaling van de goederen niet heeft verricht, sprake is gebleven van een onlosmakelijke samenhang tussen het in dit bedrag begrepen, niet gespecificeerde provisiedeel en de rest van dit bedrag. Een en ander brengt mee dat het totale geldbedrag van € 4.133,59 in de bewezenverklaring kon worden betrokken.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag: de toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de Rb bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit & subsidiariteit

Hoge Raad 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311

Op 25 mei 2011 is onder de klager een auto met kenteken op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen, welk beslag met schriftelijke machtiging van de Rechter-Commissaris als conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv is gehandhaafd. Tegen de klager loopt een strafrechtelijk onderzoek op verdenking van witwassen.

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 13 november 2013 het namens klager ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van een onder hem inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, gegrond verklaard.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift "Beoordeling" het volgende in:

"Namens klager is aangevoerd dat de auto zijn eigendom is en dat hij en zijn moeder weer over de auto willen kunnen beschikken. De auto van klager tweeënhalf jaar geleden in beslag is genomen. Klager schade heeft geleden door waardevermindering. Voorts heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat tegen klager nog een onderzoek op verdenking van witwassen loopt. De zaak panklaar bij de officier van justitie ligt om ingestuurd te worden. Het openbaar ministerie de verhaalsmogelijkheid wil benutten nu er ter grootte van € 250.000,- conservatoir beslag is gelegd. Er nog geen zittingsdatum bekend is, maar dat dit zeker geen jaar meer zal duren.

De rechtbank stelt op basis van de feiten en omstandigheden zoals door de officier van justitie in raadkamer naar voren gebracht, vast dat jegens klager de verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, een misdrijf dat gelet op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht naar wettelijke omschrijving wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. Met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gevorderd een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering te verlenen, welke machtiging - zoals hierboven weergegeven - door de rechter-commissaris is verleend.

Gelet op meergenoemde verdenking van witwassen zoals door de officier van justitie gepreciseerd en nader toegelicht, doet zich niet de situatie voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht tot verhaal voor een dergelijke geldboete of ontnemingsvordering. Nu echter door de officier van justitie in raadkamer is aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren."

Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. D.E. van Hout, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag de onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen op de voet van art. 94a Sv onder de klager gelegd conservatoir beslag dient de rechter te onderzoeken

  1. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
  2. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Blijkens de overwegingen heeft de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift betrokken dat jegens de klager de verdenking is gerezen van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd.

Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).

Aan de door de Rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden "dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is", kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Het oordeel van de Rechtbank is dan ook niet toereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht bedrieglijke bankbreuk

Hoge Raad 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2954

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 7 augustus 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren waarvan negen maanden voorwaardelijk voor

  • feit 2D: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,
  • feit 2E: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,
  • feit 3: In een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen,
  • feit 4: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,
  • feit 5: Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk,
  • feit 6: Medeplegen van poging tot oplichting,
  • feit 7: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
  • feit 8A: Medeplegen van oplichting, en feit 8B: Medeplegen van poging tot oplichting.

Mr. M. Wiersma, advocaat, heeft cassatie ingesteld. Mrs. S.F.W. van 't Hullenaar en mr. C.H.W. Janssen, advocaten te Arnhem, hebben een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

Middel

Het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed. Meer in het bijzonder kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte wist dat betrokkene 6 failliet was verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat hij: "in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 in Nederland en/of in België en/of Hong Kong, tezamen en in vereniging met [betrokkene 6] en een ander, terwijl die [betrokkene 6], bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 april 2006, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [betrokkene 6], een bate niet heeft verantwoord, immers hebben hij, verdachte, die [betrokkene 6] en die ander een geldbedrag ontvangen zonder de curator daarvan in kennis te stellen, te weten in de maand maart 2007 een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-."

Voorts heeft het Hof ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Als feit 5 is verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 bedrieglijke bankbreuk zou hebben gepleegd in het kader van een of meer faillissementen. Er worden drie faillissementen genoemd: het faillissement van [B] BV, van [H] BV, beide uitgesproken op 25 januari 2006, en het faillissement van [betrokkene 6] privé, uitgesproken op 5 april 2006.

Verdachte zou, al dan niet samen met [betrokkene 6] en/of anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [betrokkene 6] en die ondernemingen baten niet hebben verantwoord en/of goederen aan de boedel hebben onttrokken, door geen melding te maken van het bezit c.q. de ontvangst van EUR 30.000,- in de maand maart van 2007.

Het hof acht bewezen dat verdachte dit feit samen met [getuige 3], directeur van [T], en [betrokkene 6] heeft gepleegd.

Het hof baseert dat oordeel op het volgende.

Op 12 maart 2007 heeft [betrokkene 6], aldus [getuige 3] in zijn verklaring bij de politie, in een telefoongesprek aan hem gevraagd of hij geld, afkomstig van wat dingen die "[verdachte]" (het hof begrijpt: verdachte) verkocht had, op de derdengeldrekening van [T] mocht laten storten en of hij dat geld dan kon krijgen. [getuige 3] ging daarmee akkoord. Op 19 maart 2007 werd in opdracht van [verdachte] van de rekening van zijn bedrijf [S] een bedrag van EUR 30.000,- min kosten gestort op de rekening van [T] onder de vermelding "cost of sales". Dit geld is doorgeboekt naar de rekening van een zekere [betrokkene 6]. Op 23 maart 2007 is het geld contant afgehaald. [getuige 3] heeft verklaard dat "[betrokkene 6]" [betrokkene 6] is. [getuige 3] heeft in een mailbericht aan de raadsman van [betrokkene 6] weliswaar verklaard dat hij niet meer zeker is van zijn eerdere veronderstelling met betrekking tot de som van EUR 30.000,- welke [betrokkene 6] zou hebben ontvangen via zijn derdengeldrekeing, maar het hof ziet daarin geen aanleiding om aan de juistheid van zijn eerdere verklaring te twijfelen.

Het geld is door [betrokkene 6] niet aan de curator gemeld.

[verdachte] ontkent goederen voor [betrokkene 6] te hebben verkocht en denkt dat de boeking van het geld van [S] naar [T] verband hield met het [U]-project waarin [getuige 3] deelnam. Dit geuite vermoeden wordt echter niet door enig stuk of enige verklaring ondersteund, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Gelet op het feit dat [verdachte] wist dat [betrokkene 6] failliet was verklaard en gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken heeft [verdachte] naar het oordeel van het hof op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [betrokkene 6] het geld niet zou verantwoorden bij de curator en daarbij zo nauw met hem samengewerkt dat hij als mededader kan worden aangemerkt."

Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof bij diens oordeel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van betrokkene 6 niet verantwoorden van een bate, betrokken de omstandigheid dat de verdachte "wist dat betrokkene 6 failliet was verklaard". Nu zulks echter niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, is de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Internetoplichting & Aannemen valse hoedanigheid

Hoge Raad 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 juli 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden ter zake van

  1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolg van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen een persoon met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken
  2. oplichting, meermalen gepleegd

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

Middel

Het 2e middel klaagt over een ontoereikend gemotiveerde bewezenverklaring van feit 2.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 februari 2012 tot en met 17 mei 2012 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid, een persoon heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een verkoper van een goed door het plaatsen van een advertentie op Marktplaats of Speurders en daarbij een goed te koop aan te bieden, waardoor een persoon werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, door:

    • onder de naam [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@live.nl zich op Marktplaats voor te doen als verkoper van een telefoon, waardoor [betrokkene 1] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag; en
    • onder de naam [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@hotmail.nl zich op Marktplaats voor te doen als verkoper van een telefoon, waardoor [betrokkene 2] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag; en
    • onder de naam [verdachte] en/of [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@hotmail.nl zich op Marktplaats voor te doen als verkoper van een armband, waardoor [betrokkene 3] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag; en
    • onder de naam [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@hotmail.nl zich op Marktplaats voor te doen als verkoper van een paar schoenen, waardoor [betrokkene 4] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag; en
    • onder de naam [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@hotmail.nl zich op Marktplaats voor te doen als verkoper van een telefoon, waardoor [betrokkene 5] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag; en
    • onder de naam [verdachte], met gebruikmaking van het mailadres [emailadres]@live.nl zich op Speurders.nl voor te doen als verkoper van een armband, waardoor [betrokkene 6] werd bewogen tot het overmaken van een geldbedrag, terwijl verdachte bovengenoemde goederen telkens niet heeft geleverd."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Uit de bestaande jurisprudentie volgt dat voor een veroordeling ter zake van oplichting het enkele zich voordoen als betrouwbare contractspartij - wetende dat je niet aan je verplichtingen kunt voldoen - niet valt aan te merken als een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht, door welke hoedanigheid, kunstgrepen en/of verdichtsels de andere partij is bewogen tot diens prestatie.

Verdachte heeft over zijn werkwijze ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het ging om een "foutje". Hij verklaarde eerst een telefoontje te hebben verkocht en geleverd (aan een klant die niet in de tenlastelegging staat genoemd), en toen te hebben "ontdekt dat het geld toch wel kwam, ook zonder levering". Omdat hij het "confronterend" vond om benaderd te worden door reclamerende klanten heeft hij zich bediend van verschillende e-mailadressen.

Het hof overweegt dat verdachte zich jegens de kopers strikt genomen niet heeft bediend van méér oplichtingsmiddelen (valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen, samenweefsel van verdichtsels) dan het enkele zich voordoen als bonafide verkoper (zijnde het oplichtingsmiddel "valse hoedanigheid"), teneinde hen te bewegen tot betaling over te gaan. Door zich te bedienen van iets afwijkende namen en verschillende e-mailadressen, heeft verdachte immers niet de afgifte van het geld willen bewerkstelligen, maar enkel de mogelijkheid tot verhaal willen bemoeilijken/onmogelijk maken.

Desalniettemin overweegt het hof dat het opzettelijk aannemen van de valse hoedanigheid van bonafide verkoper (teneinde klanten tot afgifte van geld te bewegen) èn het opzettelijk hanteren van foutieve namen en verschillende e-mailadressen (teneinde verhaal te bemoeilijken/onmogelijk te maken) in zijn geheel valt aan te merken als oplichting in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht."

Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en aan hem vooruitbetaalde goederen te leveren, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak meer omvatten dan het enkele zich voordoen als zo een bonafide verkoper, nu die gedragingen ook inhouden dat de verdachte telkens opzettelijk "foutieve namen en verschillende e-mailadressen" hanteerde met het doel de mogelijkheden van de gedupeerde kopers tot verhaal op de verdachte te bemoeilijken.

Gelet hierop moeten 's Hofs overwegingen aldus worden verstaan dat de door de verdachte aangenomen valse hoedanigheid niet louter bestond uit het zich in strijd met de waarheid voordoen als bona fide verkoper, maar tevens uit het als verkoper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan zijn wederpartij. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte vallen aan te merken als oplichting in de zin van art. 326 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^