Beklag: de toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de Rb bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit & subsidiariteit

Hoge Raad 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311

Op 25 mei 2011 is onder de klager een auto met kenteken op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen, welk beslag met schriftelijke machtiging van de Rechter-Commissaris als conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv is gehandhaafd. Tegen de klager loopt een strafrechtelijk onderzoek op verdenking van witwassen.

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 13 november 2013 het namens klager ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van een onder hem inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, gegrond verklaard.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift "Beoordeling" het volgende in:

"Namens klager is aangevoerd dat de auto zijn eigendom is en dat hij en zijn moeder weer over de auto willen kunnen beschikken. De auto van klager tweeënhalf jaar geleden in beslag is genomen. Klager schade heeft geleden door waardevermindering. Voorts heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat tegen klager nog een onderzoek op verdenking van witwassen loopt. De zaak panklaar bij de officier van justitie ligt om ingestuurd te worden. Het openbaar ministerie de verhaalsmogelijkheid wil benutten nu er ter grootte van € 250.000,- conservatoir beslag is gelegd. Er nog geen zittingsdatum bekend is, maar dat dit zeker geen jaar meer zal duren.

De rechtbank stelt op basis van de feiten en omstandigheden zoals door de officier van justitie in raadkamer naar voren gebracht, vast dat jegens klager de verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, een misdrijf dat gelet op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht naar wettelijke omschrijving wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. Met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gevorderd een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering te verlenen, welke machtiging - zoals hierboven weergegeven - door de rechter-commissaris is verleend.

Gelet op meergenoemde verdenking van witwassen zoals door de officier van justitie gepreciseerd en nader toegelicht, doet zich niet de situatie voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht tot verhaal voor een dergelijke geldboete of ontnemingsvordering. Nu echter door de officier van justitie in raadkamer is aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren."

Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. D.E. van Hout, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag de onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen op de voet van art. 94a Sv onder de klager gelegd conservatoir beslag dient de rechter te onderzoeken

  1. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
  2. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Blijkens de overwegingen heeft de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift betrokken dat jegens de klager de verdenking is gerezen van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd.

Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).

Aan de door de Rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden "dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is", kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Het oordeel van de Rechtbank is dan ook niet toereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF