“Toebehorende aan” in de zin van artikel 321 Sr

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3377

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 november 2013 de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf weken wegens

  1. subsidiair verduistering
  2. oplichting
  3. diefstal, meermalen gepleegd

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte: "in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 september 2003 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk enige goederen, te weten geldbedragen (in totaal 4.133,59 euro), toebehorende aan betrokkene 1, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van aan hem, verdachte, verstrekte gelden (ten behoeve van de aankoop van goederen), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

Middel

Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het geldbedrag van € 4.133,59 (volledig) toebehoorde aan betrokkene 1, zoals onder 1 is bewezenverklaard.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 321 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "toebehorende aan" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende uitdrukking.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:

  • aan de verdachte een bedrag van € 4.917,47 ter beschikking was gesteld door betrokkene 1 met als doel voor betrokkene 1, kort gezegd, badkamermeubilair te bestellen en dat met dit geld te betalen;
  • dit geldbedrag een deel provisie omvatte;
  • ter waarde van € 783,88 aan goederen door de verdachte is geleverd aan betrokkene 1;
  • de verdachte het resterende geldbedrag, groot € 4.133,59, voor andere doeleinden heeft aangewend dan de aanschaf en betaling van badkamermeubilair.

Gelet hierop heeft het Hof zonder miskenning van de uitdrukking "toebehorende aan" uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich het, in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag van (in totaal) € 4.133,59 heeft toegeëigend terwijl dat geld aan betrokkene 1 toebehoorde. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verdachte dit geldbedrag slechts ontving teneinde daarmee de door hem te bestellen goederen te betalen en dat, nu hij die betaling van de goederen niet heeft verricht, sprake is gebleven van een onlosmakelijke samenhang tussen het in dit bedrag begrepen, niet gespecificeerde provisiedeel en de rest van dit bedrag. Een en ander brengt mee dat het totale geldbedrag van € 4.133,59 in de bewezenverklaring kon worden betrokken.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF