Beklag, beslag & verschoningsrecht advocaten

Hoge Raad 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3108

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 29 november 2013 het door klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

In het klaagschrift is aangevoerd dat onder klaagster gegevens in beslag zijn genomen die vallen onder het verschoningsrecht. In het klaagschrift wordt in dit kader verwezen naar een brief van mr. Harmsen en mr. Kortmann, die als bijlage 8 aan het klaagschrift is gehecht. Ook bij de behandeling in raadkamer is bepleit dat gegevens in beslag zijn genomen die onder het verschoningsrecht vallen.

De in het klaagschrift genoemde brief van 4 juni 2013 van mr. C.M. Harmsen en mr. J.S. Kortmann, beiden advocaat, gericht aan officier van justitie M. Mol (bijlage 8) houdt het volgende in:

“De correspondentie en andere communicaties vanaf het moment waarop [klaagster] ons benaderde, vanaf 28 januari 2011, zijn onlosmakelijk verbonden met onze bijstand aan [klaagster] en het feitelijk onderzoek dat [klaagster] op ons verzoek verrichtte in dat kader. Aldus vallen de correspondentie en andere communicaties vanaf 28 januari 2011 onder het advocaat-cliënt privilege.”

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“De stelling van klaagster, inhoudende dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende (aan) [A] (gelieerde bedrijven, personen en onderwerpen) vallen onder het verschoningsrecht van de advocaten van [klaagster], omdat die communicatie louter in verband staat en kan staan met de door de advocaten verleende bijstand aan klaagster en het in dat kader verrichtte onderzoek kan in haar algemeenheid – zonder onderzoek naar de desbetreffende communicatie – niet als juist worden aanvaard.

Niet uit te sluiten valt dat zich op de harde schijf gegevens bevinden die zozeer in verband staan met, of het verlengde zijn van, het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt dat deze – ook al zijn zij niet afkomstig van of bestemd voor een geheimhouder zelf – onder een verschoningsrecht kunnen vallen, maar dat moet per gegeven worden beslist. Het onderzoek naar dit soort communicatie zal eveneens onder de regie van de rechter-commissaris dienen plaats te vinden (bijvoorbeeld op dezelfde wijze als overeengekomen op 15 november 2013 met betrekking tot de gegevens tot 28 januari 2011) waarbij het uiteraard in eerste instantie aan de verschoningsgerechtigde zal dienen te zijn om aangetroffen gegevens die verband houden met de adviserende rol van advocaten omtrent deze kwestie te beoordelen op een eventueel verschoningsrecht.

Een en ander brengt mee dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede de afspraken die partijen ter behandeling in raadkamer op 15 november 2013 hebben gemaakt.”

Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat de stelling van klaagster, dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende A onder het verschoningsrecht van de advocaten van klaagster vallen, in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 en 4.5 is het middel terecht voorgesteld.

Conclusie AG Knigge

In het onderhavige geval heeft de doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van klaagster. In haar klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer heeft klaagster aangevoerd dat zich onder het inbeslaggenomene correspondentie en andere communicaties bevinden ten aanzien waarvan haar advocaten, blijkens een aan het klaagschrift gehechte brief, zich beroepen op hun verschoningsrecht. Het oordeel van de Rechtbank dat deze stelling van klaagster in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd.

Voor zover de overwegingen van de Rechtbank aldus moeten worden begrepen dat zij van oordeel is dat nader onderzoek onder regie van de rechter-commissaris moet uitwijzen of het in de bedoelde brief neergelegde standpunt van de advocaten van klaagster juist is, miskent de Rechtbank dat dit standpunt moet worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor zover de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij die brief niet toereikend acht voor de beoordeling van de vraag of de bedoelde correspondentie en andere communicatie object zijn van het verschoningsrecht, miskent de Rechtbank dat zij in dat geval de betrokken advocaten als belanghebbenden in de gelegenheid had moeten stellen zich dienaangaande uit te laten.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Maatstaf artikel 94 Sv beslag onder een derde. HR herhaalt relevante overwegingen.

Hoge Raad 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3116

De Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 15 november 2013 het door klaagster ingediende klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van € 11.000.

Zij heeft daartoe het volgende overwogen: "Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 10 juni 2013 door de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland onder [betrokkene] gelegde beslag op een aan klaagster toebehorend geldbedrag van € 11.000,- en de teruggave daarvan aan klaagster. (...) 

De beoordeling

(...) Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, kan naar het oordeel van de rechtbank klaagster redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande is de rechter van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard als hierna te melden."

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie bij het parket Oost-Brabant cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans haar beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter

  • a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
  • b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

Indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en een derde op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654)

Door te overwegen als hiervoor is weergegeven heeft de Rechtbank, die zich niet heeft uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, haar beslissing ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

BTW-carrousel: Slagende bewijsklachten bedrieglijke bankbreuk & witwassen. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:3084

Het Gerechtshof Arnhem heeft bij arrest van 27 juni 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden ter zake van

  • parketnummer 16-993111-05 onder 1 en parketnummer 16-994001-07 onder 1, 2 en 6 telkens medeplegen van meermalen gepleegd, valsheid in geschrift;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 2 en parketnummer 16-994001-07 onder 3 telkens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 3 en parketnummer 16-994001-07 onder 4 telkens bedrieglijke bankbreuk; en
  • parketnummer 16-994001-07 onder 5 witwassen.

Aan verdachte wordt onder meer verweten dat hij schijntransacties heeft opgezet door het maken van valse facturen, terwijl er geen sprake was van een koopovereenkomst, noch van een intentie tot levering van goederen. Het enige doel van de facturen zou zijn het plegen van BTW-fraude. Het fiscale nadeel zou hierbij zijn gelegen in het Verenigd Koninkrijk.

De BTW-fraude waar het in deze zaak om gaat wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Het gaat bij deze vorm van BTW-fraude om een opzet waarbij verschillende vennootschappen in verschillende landen betrokken zijn. In casu gaat het om de verkoop van Computer Processing Units (CPU’s). Bij een doos met CPU’s is de inhoud zeer kwetsbaar en verliest bij opening zijn waarde, bijvoorbeeld CPU’s die stofvrij zijn verpakt. Dozen blijven hierdoor veelal ongeopend. Er vindt een aankoop van CPU's plaats vanuit een andere EU-lidstaat. Het gaat daarbij om een aankoop tegen het intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. De goederen worden vervolgens aan een binnenlandse partij verkocht waarbij BTW in rekening wordt gebracht. De importeur is gehouden de aldus ontvangen BTW af te dragen, maar blijft daarbij in gebreke. De importeur wordt ook wel aangeduid als de ploffer. De koper van de goederen verkoopt de goederen vervolgens en kan de BTW verrekenen of terugvragen. De goederen worden vervolgens veelal geëxporteerd, soms naar een land buiten de EU, zodanig dat de verkoper geen BTW in rekening hoeft te brengen.

Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meermalen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. Deze tussenschakels worden ook wel aangeduid als buffers. De winst, dat wil zeggen de niet afgedragen, maar wel teruggevorderde, BTW, wordt over de schakels verdeeld. Ook kan er sprake zijn van facturen zonder dat er enige levering van goederen plaatsvindt. Er wordt dan een fictieve handelsstroom gecreëerd.

In de zaak met parketnummer 16-994001-07 werden er op één dag dozen met CPU’s gekocht en verkocht door bedrijven in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. De goederen begonnen bij P in België en werden aan het einde van de dag weer teruggekocht door P. De partij die begon met het overboeken van het geld kreeg op zeer korte termijn (een uur tot enkele uren later) zijn geld weer terug. Het geld heeft dan een ronde gemaakt langs alle bankrekeningen van alle betrokken kopers en verkopers.

Alle betrokkenen hielden rekeningen aan bij een wisselkantoor dat in staat was om zeer snel betalingen van de ene naar de andere rekening te maken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de goederen daadwerkelijk getransporteerd en opgeslagen. Voordat de goederen aan hun ronde langs de bedrijven begonnen stond al vast wat de prijs was die ieder van de betrokkenen zou betalen en ontvangen.

In de zaak met parketnummer 16-993111-05 werden de CPU’s veelal ingekocht van buitenlandse leveranciers en werden aan een buitenlandse afnemer verkocht. De opslag geschiedde in Nederland of het Verenigd Koninkrijk. De dozen gingen vaak meerdere keren rond.

Verdachte heeft tegen de uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Verbruggen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende acht middelen van cassatie.

Zesde middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 bewezenverklaarde (bedrieglijke bankbreuk).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland, telkens terwijl ten aanzien van verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 februari 2004 (04/188 R) de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing was ter bedrieglijke verkorting van de rechten die zijn schuldeiser(s) jegens de boedel kunnen doen gelden, en terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 juli 2006 (04/188 R) failliet is verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), lasten heeft verdicht en baten niet heeft verantwoord, hebbende hij, verdachte,

  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001]) en voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de la Caixa Bank te Spanje (rekening nummer(s) [002] en [003]) en
  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat er vanaf genoemde bankrekeningen gelden zijn overgemaakt naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van [betrokkene 1]."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Op 25 februari 2004 is ten aanzien van verdachte de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard (D-197).

Verdachte heeft verklaard dat hij de beschikking had over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort (V1-1).

Voorts heeft verdachte verklaard dat de curator niet wist dat hij facturen had gezonden vanuit [A] in Spanje en ook niet dat hij over de gelden van [A] kon beschikken (V1-2).

In het dossier bevindt zich een afschrift van een Postbankrekening van [betrokkene 1] en een stortingsbewijs, waaruit blijkt dat verdachte op 15 september 2009 € 3.000,− op deze rekening heeft gestort (D-145).

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij dat geld contant in zijn zak had zitten en dat hij dat kort daarvoor contant had opgenomen bij zijn bank in Andorra. Verdachte denkt in totaal in 2006 € 60.000,− van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Dat geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

Bewindvoerder M. Verhoef heeft tegen verdachte aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk. Zij heeft verklaard dat zij niet wist dat verdachte kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland (G3-1).

Op grond van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de verdachte de beschikking had over "gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001])" noch dat vanaf genoemde bankrekening en de bankrekening bij de La Caixa Bank te Spanje "gelden zijn overgemaakt" naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van betrokkene 1.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG Vegter

De steller van het middel heeft gelijk dat de bewijsvoering gebreken vertoont. Uit de bewijsvoering die wordt gevormd door de in de aanvulling gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging kan niet volgen dat verdachte de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje onder het in de bewezenverklaring vermelde nummer.

De als bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van verdachte houdt onder meer in: “Dit geld (gedoeld wordt op € 60.000,-;PV) is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.”

Het laatste onderdeel (laatste liggende streepje) van de bewezenverklaring wordt daarmee niet zonder meer gedekt. Deze gebreken in de bewijsmotivering doen mijns inziens in het licht van het geheel aan bewezenverklaarde feiten niet af aan de ernst van het bewezenverklaarde feit 4 zodat cassatie achterwege kan blijven.

Het middel treft weliswaar doel, maar tot cassatie behoeft dit niet te leiden.

Zevende middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 5 bewezenverklaarde (witwassen).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland en/of in Spanje een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag − onmiddellijk of middellijk − afkomstig was uit enig misdrijf."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: [betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven: Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 en onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie AG Vegter

Nu van enige legale herkomst van het geldbedrag niet is gebleken, kon het Hof in het totale verband van deze strafzaak er zonder meer van uit gaan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Het Hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht dat verdachte bijvoorbeeld een tegenprestatie heeft verricht, dat een schuld werd ingelost of dat er een titel voor schenking was. Het is daarmee niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft bewezenverklaard dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Het betreft hier geld uit eigen misdrijf en dat betekent dat voor kwalificatie van het bewezenverklaarde voorhanden hebben als witwassen moet vaststaan dat verdachte handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. In het kader van een faillissement rust op verdachte de verplichting de staat van inkomen en vermogen te melden aan de curator. Dat is een bijzondere rechtsplicht en het komt mij voor dat wanneer daaraan niet voldaan wordt van verhullen of verbergen (op zijn minst tegenover de curator) kan worden gesproken.

Het middel treft geen doel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Grondslagverlating, wijziging tenlastelegging & witwassen

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 20 december 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden ter zake van

  • 1. voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
  • 2. bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben,
  • 3. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
  • 5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
  • 6. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals is,
  • 7. overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan,
  • 9. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en
  • 10. subsidiair witwassen.

Namens de verdachte heeft E. Schleeper, waarnemend griffier bij het gerechtshof te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het derde middel klaagt erover dat het hof ten aanzien van feit 10 (witwassen) de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is onder 10 tenlastegelegd dat:

"primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte van een of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten

  • een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of
  • een tas (merk Gucci) en/of
  • een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of
  • een gouden armband en/of
  • een horloge (merk Cartier) en/of
  • een gouden ring met diamanten en/of
  • een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011 te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten

  • een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of
  • een tas (merk Gucci) en/of
  • een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of
  • een gouden armband en/of
  • een horloge (merk Cartier) en/of
  • een gouden ring met diamanten en/of
  • een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf."

Het Hof heeft ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat zowel in het dossier 'witwassen' als op de behandeling in eerste aanleg het onder feit 10 onder primair en subsidiair tenlastegelegde is begrepen als gericht op het in artikel 420 bis onder b Wetboek van Strafrecht (Sr) (juncto artikel 420ter Sr) neergelegde strafbare feit. Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit valt ook onder die delictsomschrijving. Ook bij de behandeling in hoger beroep zijn de raadsman en de advocaat-generaal van die bewezen verklaarde strafbare gedragingen uitgegaan. Onder die omstandigheden en nu de strafmaat niet verschilt leest het hof de tenlastelegging verbeterd, als mede inhoudend (achter uit een misdrijf):

en/of die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 10 primair tenlastegelegde. Het heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, voorwerpen en geldbedragen, te weten

  • personenauto's, te weten een Opel, kenteken [CC-00-DD] en een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en
  • kledingstukken (met een totale waarde van ongeveer 8276,35 euro) en
  • een horloge (merk Cartier) en
  • een gouden ring met diamanten en
  • geldbedragen van in totaal ongeveer 19120 euro (zegge: negentienduizend en honderdtwintig euro),

voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit een misdrijf."

De tenlastelegging onder 10 primair is toegesneden op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr en art. 420ter Sr. De tenlastelegging onder 10 subsidiair is toegesneden op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr, onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en onder a, Sr.

Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo een verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist (vgl. HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494).

De toevoeging aan de tenlastelegging van aan art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b, Sr ontleende bestanddelen kan echter niet als het herstel van een misslag in de hiervoor bedoelde zin worden gezien, maar levert een wijziging van de tenlastelegging op die slechts op de voet van de art. 313 en 314 Sv kon plaatsvinden.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR benadrukt dat artikel 68 Sr (ne bis in idem) betrekking heeft op onherroepelijke uitspraken

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3043

Het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 april 2013 verdachte wegens

  1. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
  2. primair poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
  3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
  4. wederspannigheid
  5. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden (feit 1, 2, 3, 4), hechtenis voor de duur van 1 maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar (feit 5).

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van het vijfde tenlastegelegde feit ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard nu de verdachte voor dit feit reeds veroordeeld was.

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is in de onderhavige strafzaak gedagvaard voor de terechtzitting van de Rechtbank van 31 oktober 2011 ter zake van overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.

Nadien is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 ter zake van overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet 1994, eveneens gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.

In de onderhavige strafzaak heeft het Hof bij arrest van 11 april 2013 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot hechtenis voor de duur van een maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

In de andere strafzaak heeft de Kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 550,-, subsidiair 11 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Het door de verdachte tegen dit vonnis van de Kantonrechter op 24 april 2013 ingestelde hoger beroep is door hem ingetrokken op 6 februari 2014, dus nadat het Hof in de onderhavige strafzaak uitspraak had gedaan.

Voor zover het middel betoogt dat het Hof op grond van art. 68 Sr het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging, miskent het dat art. 68 Sr betrekking heeft op onherroepelijke uitspraken. De uitspraak van de Kantonrechter van 8 augustus 2012 was nog niet onherroepelijk ten tijde van het arrest van het Hof in de onderhavige strafzaak. Dat die uitspraak nadien onherroepelijk is geworden, zou aanleiding kunnen zijn tot het aanvragen van herziening van die uitspraak.

Voorts moet worden vooropgesteld dat ingevolge het systeem van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreffende de procesgang in beginsel de regel geldt dat, vóórdat op de grondslag van een inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de officier van justitie zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit. Ingevolge het eerste lid van art. 258 Sv neemt het rechtsgeding immers een aanvang zodra de officier van justitie de inleidende dagvaarding doet uitgaan en het zou niet stroken met dit systeem indien de verdachte ter zake van hetzelfde feit andermaal zou worden vervolgd zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist (vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985/842, rov. 5.2.1).

Voor zover het middel berust op de opvatting dat de Officier van Justitie in de onderhavige strafzaak niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging op de grond dat hij de verdachte voor hetzelfde feit tweemaal heeft gedagvaard, miskent het dat de dagvaarding in de onderhavige strafzaak is uitgebracht vóór de dagvaarding in de andere strafzaak.

Opmerking verdient nog dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 14 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9966, NJ 1995/406, doordat in die zaak zowel de verdachte als de politierechter ter terechtzitting door het openbaar ministerie verkeerd waren ingelicht over de intrekking van de tweede dagvaarding.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^