Gebruik voor bewijs van verklaring getuige en ondervragingsrecht i.d.z.v. art. 6 EVRM

Hoge Raad 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:537

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 1 maart 2012 de verdachte wegens subsidiair “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en met verbeurdverklaring van een in beslag genomen bijl, zoals in het arrest omschreven.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de verklaring van betrokkene 1 voor het bewijs heeft gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om het in art. 6 EVRM gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen en de betrouwbaarheid van betrokkene 1 te toetsen, terwijl daarvoor aan de verdediging niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, 15 en 16 kan het middel niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG

8. Het hof heeft de op 7 augustus 2006 (bewijsmiddel 1) en 9 augustus 2006 (bewijsmiddel 2) bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 voor het bewijs gebruikt. Deze verklaringen houden het volgende in. De verdachte heeft op 7 augustus 2006 omstreeks 1:00 uur in het opvangcentrum voor vreemdelingen in Burgum een literfles wodka leeggedronken en tabletten ingenomen. betrokkene 1 is omstreeks 5:00 uur naar de receptie en de beveiliging gegaan om te klagen over de verdachte. betrokkene 1 is omstreeks 6:40 uur weer naar de receptie gegaan, waarna twee mannen van de beveiliging met hem zijn meegegaan en de (inmiddels lege) wodkafles hebben meegenomen. De verdachte verweet betrokkene 1 dat hij naar de receptie was gegaan en zei tegen hem dat hij hem daarvoor zou straffen. Vervolgens heeft de verdachte met een bijl een slaande beweging gemaakt naar betrokkene 1 en hem daarmee geraakt in zijn linkerbovenarm, hetgeen hem erge pijn deed en een diepe schram veroorzaakte. De punt van de bijl bleef haken in het T-shirt van betrokkene 1 waarna de verdachte de bijl begon los te trekken als gevolg waarvan er nog meer krassen ontstonden rond de eerste verwonding. Vervolgens is betrokkene 1 naar de receptie en de beveiliging gevlucht en is opnieuw een beveiliger met hem naar de unit meegegaan. De verdachte lag op bed te slapen met de bijl vlak naast zich. De beveiliger nam de bijl mee. betrokkene 1 heeft later hulp gekregen van de medische post, aldus nog steeds de verklaringen van betrokkene 1.

Voorts heeft het hof de op 9 augustus 2006 bij de politie afgelegde verklaring van betrokkene 2 (een beveiligingsbeambte op het asielzoekerscentrum) tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 3). Deze verklaring houdt in dat betrokkene 1 op 7 augustus 2006 omstreeks 6:30 uur bij de balie kwam om te klagen over het feit dat hij de hele nacht niet had geslapen omdat er iemand dronken was. betrokkene 2 is met een collega met betrokkene 1 meegegaan en zag dat de verdachte op bed lag. betrokkene 2 nam een fles wodka die op tafel stond mee. betrokkene 1 kwam rond 7:50 uur weer bij de receptie en vertelde dat de verdachte boos was geworden. Op de bovenarm van betrokkene 1 zat een soort schaafwond en zijn T-shirt was daar beschadigd. betrokkene 2 is daarop wederom met betrokkene 1 meegegaan naar diens unit en zag dat de verdachte nog steeds op bed lag en dat onder de deken een steel van een bijl uitstak. betrokkene 2 heeft deze bijl meegenomen naar de receptie.

Daarnaast heeft het hof de op 9 augustus 2006 bij de politie afgelegde verklaring van betrokkene 3 (een verpleegkundige op het asielzoekerscentrum) voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 4). Deze houdt in dat betrokkene 3 had gehoord dat er op 7 augustus 2006 een incident had plaatsgevonden waarbij iemand gewond zou zijn geraakt, dat betrokkene 1 in de wachtkamer zat te wachten, dat betrokkene 1 een kapot en bebloed T-shirt droeg, dat betrokkene 1 gewond was aan zijn bovenarm, en dat de wond bestond uit twee evenwijdige, niet al te diepe sneden in de huid met daaronder en daarboven een paar lichte krassen in de huid.

Bovendien heeft het hof het op 21 augustus 2006 door opsporingsambtenaar verbalisant opgemaakte proces-verbaal (bewijsmiddel 5) tot het bewijs gebezigd. Dit proces-verbaal vermeldt als relaas van de verbalisant dat twee bewoners van het asielzoekerscentrum in Burgum, de verdachte en betrokkene 1, onenigheid met elkaar hebben gehad, dat verbalisant en A. Westerveld (forensische arts) op 9 augustus 2006 een onderzoek hebben ingesteld, en dat op de linkerbovenarm van betrokkene 1 vier huidperforaties zichtbaar waren met een lengte van 3,5 tot 4 centimeter. Dit proces-verbaal houdt als conclusie van de verbalisant en de forensische arts in dat de verwonding aan de bovenarm zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een scherp voorwerp dat in een licht neergaande lijn op de arm is geplaatst, dat de verwonding kon zijn veroorzaakt met behulp de bijl (van de verdachte) en dat de verwonding geheel past in de door betrokkene 1 afgelegde verklaring.

Ten slotte heeft het hof de op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2007 afgelegde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 6) voor het bewijs gebruikt, inhoudende dat hij op 7 augustus 2006 in zijn kamer in het asielzoekerscentrum in Burgum een bijl aanwezig heeft gehad.

15. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verklaringen van betrokkene 1 wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de onderhavige poging tot zware mishandeling in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet op de hiervoor onder 8 weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, geeft dit oordeel geen blijk van miskenning van het hiervoor geschetste toetsingskader, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij een bijl aanwezig had (bewijsmiddel 6), terwijl beveiligingsbeambte betrokkene 2 kort na het incident in het bed van de verdachte een bijl heeft aangetroffen (bewijsmiddel 3). Voorts hebben zowel de beveiligingsbeambte betrokkene 2 (bewijsmiddel 3) als de verpleegkundige betrokkene 3 (bewijsmiddel 4) en de verbalisant verbalisant (bewijsmiddel 5) letsel waargenomen op de bovenarm van betrokkene 1 en hebben betrokkene 2 en betrokkene 3 verklaard dat het T-shirt van betrokkene 1 was beschadigd c.q. bebloed. Bovendien hebben verbalisant en de forensische arts Westerveld (bewijsmiddel 5) naar aanleiding van onderzoek van het letsel van betrokkene 1 geconcludeerd dat de verwonding aan zijn bovenarm kan zijn veroorzaakt door de bijl van de verdachte. Ten slotte vindt de lezing van betrokkene 1, voor zover inhoudende dat de verdachte dronken was, dat betrokkene 1 daarover bij de receptie heeft geklaagd, dat de verdachte vervolgens boos is geworden en dat betrokkene 1 na het incident weer naar de receptie is gegaan, steun in de verklaring van betrokkene 2 (bewijsmiddel 3). Nu de verklaringen van betrokkene 1 in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, kon het hof zonder inbreuk te maken op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM voor het bewijs gebruik maken van de bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte in hoger beroep naar voren heeft gebracht (een betrouwbaarheidsverweer), was het hof niet gehouden tot een nadere motivering ten aanzien van het steunbewijs.

16. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde het hof niet te toetsen of aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige betrokkene 1. Deze maatstaf is immers slechts van toepassing op gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt. Zoals hiervoor is uiteengezet, is dat in deze zaak niet het geval. Het hof heeft dan ook geen inbreuk gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Afwijking uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bruikbaarheid verklaringen getuige voor bewijs

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 december 2011 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden met een proeftijd van twee jaar wegens 1) afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, 2) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en, 3) poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Voorts heeft het Hof de vordering van benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.937,00 en aan verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Met het middel wordt gesteld dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven van zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van betrokkene 2 onbetrouwbaar is omdat deze betrekking heeft op een bezoek dat plaatsvond op 21 september in plaats van 6 november 2008. In weerwil daarvan heeft het Hof de door betrokkene 2 afgelegde verklaring voor het bewijs bruikbaar geacht omdat het aangevoerde door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd. Nu in die bewijsmiddelen in dit verband is vastgesteld dat benadeelde partij - over wie betrokkene 2 verklaart dat hij die al zestien jaar kent - verklaart dat betrokkene 2 op 6 november 2008 samen met een aantal Turkse mannen op bezoek kwam alsmede dat betrokkene 2 over zijn bezoek verklaart dat hij "aan de Turken vroeg of het opgelost was; zij zeiden dat het niet opgelost kan worden op dit moment maar pas over een week omdat benadeelde partij over een week zou betalen", terwijl bewijsmiddel 9 inhoudt dat betrokkene 2 vervolgens ruim een week later, op 16 november 2008, heeft gebeld met de vraag of de zaak was "opgelost", voldoen 's Hofs overwegingen aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en noopte die bepaling het Hof niet tot een nadere motivering.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid cassatieberoep: beperking van cassatieberoep tot de beslissingen over onderdelen van de tll

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:479

Feiten

Bij arrest van 19 juli 2011 heeft het Hof te Arnhem de verdachte wegens medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd en de uitvoer van 2800 gram heroïne, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden.

Namens de verdachte heeft mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Vervolgens heeft mr. M.J.M. van Beckhoven, advocaat te Amsterdam, namens de verdachte het ingestelde cassatieberoep bij akte van 22 juli 2013 ingetrokken met betrekking tot de feiten 2, 5, 6 en 7. Nadien heeft mr. G.A. Jansen, eveneens namens de verdachte, het cassatieberoep ingetrokken met betrekking tot feit 3 en tevens met betrekking tot de feiten 4, 8, 9 en 10 maar alleen ten aanzien van de vrijspraak van het tenlastegelegde ‘behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis’. Het cassatieberoep kan met betrekking tot de feiten 4, 8, 9 en 10 niet aldus worden beperkt nu het een vrijspraak betreft van de ‘voor de strafrechtelijke waardering van het tenlastegelegde niet relevante alternatieven’.

Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende twaalf middelen van cassatie ingediend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 429 Sv kan het beroep in cassatie tegen een gedeelte van een in hoger beroep gewezen uitspraak worden ingesteld. Niet elke beperking van het cassatieberoep kan echter worden aanvaard. In geval van een samengestelde tenlastelegging kan het cassatieberoep worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, rov. 2).

De hiervoor bewezenverklaringen van de onderdelen van de tenlastelegging waartoe het cassatieberoep door de raadsman van de verdachte is beperkt, zijn niet als zodanige zelfstandige strafrechtelijke verwijten te beschouwen. De Hoge Raad verstaat voormelde akte aldus dat namens de verdachte cassatieberoep is ingesteld tegen alle beslissingen ter zake van het onder 4, 8, 9 en 10 tenlastegelegde, en dat in de akte slechts ten overvloede is opgenomen op welke gedeelten van de bestreden uitspraak de bezwaren in het bijzonder betrekking hebben. De verdachte kan worden ontvangen in het ingestelde beroep tegen de beslissingen ter zake van het tenlastegelegde onder 4, 8, 9 en 10.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994

Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:352

Feiten

Verdachte is bij arrest van 22 juni 2012 door het gerechtshof Arnhem wegens “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 150 uren. Ook heeft het hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van een jaar.

Middel

Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde "schuld" als bedoeld in art. 6 Wegenverkeerswet 1994.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252).

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte met een - gelet op de bijzondere omstandigheden (op 1 januari 2010 omstreeks 00:25 uur, veel mensen op straat, volop afsteken van vuurwerk) - te hoge snelheid en onvoldoende anticiperend heeft gereden door niet stapvoets maar met een snelheid van 40 à 50 km per uur te rijden alsmede door plotseling naar links te sturen en te gaan rijden over een links van de rijbaan gelegen verdrijvingsvlak waarop zich meerdere personen bevonden, en daar met de op dat verdrijvingsvlak vuurwerk afstekende slachtoffer in botsing te komen.

Gelet op die vaststellingen geeft 's Hofs oordeel dat de verdachte "zeer onvoorzichtig" heeft gereden en er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Fiscus kan langs privaatrechtelijke schade verhalen op onrechtmatig handelende belastingadviseur

Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:397

Samenvatting

Door de werking van het open systeem is het mogelijk dat de ontvanger van de belastingen een onrechtmatig handelende belastingadviseur schadeplichtig stelt. Dit is bevestigd door de Hoge Raad.

Feiten

Eiser is belastingadviseur. Hij is strafrechtelijk veroordeeld in verband met zijn betrokkenheid – samen met anderen – bij transacties waarin kasgelden van vennootschappen zijn overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen. Daarbij is door die vennootschappen verschuldigde vennootschapsbelasting onbetaald gebleven.

De Ontvanger heeft een gedeelte van de onbetaald gebleven vennootschapsbelasting kunnen verhalen door aansprakelijkstelling van een bank. Volgens de Ontvanger staat nog een schuld open van € 17.976.767.

Vordering

De Ontvanger vordert in dit geding (hoofdelijke) betaling door (onder meer) eiser van het hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde bedrag als schadevergoeding. De Ontvanger heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat eiser (samen met anderen) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich willens en wetens schuldig te maken aan het benadelen van de Ontvanger door actief mee te werken aan het wegmaken van voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, waarvan (onder anderen) eiser in belangrijke mate financieel heeft geprofiteerd. De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van € 17.077.929 toegewezen en voor het overige afgewezen.

Hoger beroep Het hof heeft het principale hoger beroep van eiser tegen het vonnis van de rechtbank verworpen. In het incidentele hoger beroep heeft het hof dat vonnis vernietigd en de vordering van de Ontvanger toegewezen voor zover deze door de rechtbank was afgewezen.

Het hof heeft onder meer geoordeeld dat gebruikmaking door de Ontvanger van het zogenoemde “open systeem” van art. 3 lid 2 Iw 1990 (oud), thans art. 4:124 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de in de Iw 1990 gegeven publiekrechtelijke regeling. De Ontvanger vordert in het onderhavige geding geen belasting in, maar neemt een maatregel tegen verkorting van zijn verhaalsrecht, hetgeen hem vrijstaat. Daaraan doet niet af, enerzijds, dat de Ontvanger langs deze weg slechts verhaal kan zoeken voor schulden die (op juiste wijze) in een belastingaanslag zijn vastgelegd, en anderzijds, dat wat de Ontvanger op grond van deze verhaalsactie betaald krijgt, in mindering strekt op de desbetreffende belastingschulden. (rov. 6.15)

Voorts heeft het hof geoordeeld dat een eventuele verjaring van de onderhavige belastingaanslagen niet eraan in de weg staat dat de Ontvanger de desbetreffende bedragen op de grondslag van onrechtmatige daad als schadevergoeding van (onder anderen) eiser kan vorderen. Op zichzelf houdt de Leidraad Invordering in dat de Ontvanger een vordering wegens verkorting van zijn verhaalsrecht langs civielrechtelijke weg achterwege dient te laten, indien het recht tot dwanginvordering is verjaard. Dit laatste was echter ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaardingen in deze zaak nog niet het geval. De (enkele) omstandigheid dat in de loop van dit geding het recht op dwanginvordering van de betrokken belastingschulden is verjaard leidt niet ertoe dat het ten tijde van de aanvang van de procedure bestaande recht van de Ontvanger om zijn schade op onder anderen eiser te verhalen, alsnog is komen te vervallen. Dat dit anders is volgt ook niet uit de Leidraad. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de Ontvanger gehouden zou zijn geweest om, uitsluitend met het oog op en in het kader van de onderhavige verhaalsprocedure, ten opzichte van de betrokken belastingplichtigen stuitingshandelingen te verrichten. Dit zou nodeloos formalistisch zijn. Het hof nam daarbij nog in aanmerking dat het geen enkele rechtvaardiging zag voor het voordeel dat onder anderen eiser zou genieten indien aan een dergelijk (gering) verzuim van de Ontvanger in de gegeven omstandigheden de door onder anderen [eiser] gewenste rechtsgevolgen zouden worden verbonden. (rov. 6.53)

Middel

Samengevat klaagt het middel vanuit verschillende invalshoeken dat het hof ten onrechte dan wel niet toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de (enkele) omstandigheid dat het recht op dwanginvordering van de belastingschulden in de loop van het geding zou zijn verjaard, niet ertoe leidt dat het recht van de Ontvanger om zijn schade te verhalen alsnog is komen te vervallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

Het in art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 neergelegde “open systeem” houdt in dat de Ontvanger vrij is in de keuze van de middelen die hij aanwendt om belastingschulden in te vorderen. Dat betekent dat hij tegenover de belastingschuldenaar ook de privaatrechtelijke bevoegdheden mag uitoefenen die hij ontleent aan zijn positie van schuldeiser.

Zijn keuzevrijheid wordt slechts begrensd door het bepaalde in de Leidraad Invordering 1990 en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102 (Van Maarseveen c.s./Ontvanger), is geoordeeld dat de bevoegdheden van een schuldeiser – en dus ook van de Ontvanger – zich mede uitstrekken tot maatregelen om tegen verkorting van zijn verhaalsrecht op te komen. Het stelsel van art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 laat derhalve toe dat de Ontvanger schadevergoeding vordert van een derde zoals eiser op de grond dat deze derde onrechtmatig de invordering van belastingschulden heeft verhinderd. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt voor het thans geldende art. 4:124 Awb (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.19).

Art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 – en thans art. 4:124 Awb – brengt niet mee dat voor de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden door de Ontvanger andere regels gelden dan uit het privaatrecht voortvloeien (vgl. ook de passage uit de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). Dit betekent dat voor een door de Ontvanger ingestelde vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad – tegen de belastingschuldige of tegen een derde als eiser – de verjaringsregels van het Burgerlijk Wetboek gelden (art. 3:306 e.v. BW).

Uit de Leidraad Invordering 1990 kan evenwel voortvloeien dat de Ontvanger zijn privaatrechtelijke bevoegdheden niet onverkort mag uitoefenen. Het middel doet in dit verband een beroep op art. 27 § 1 van die Leidraad. Deze bepaling bevatte inzake de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden nadat het recht tot dwanginvordering is verjaard, het volgende voorschrift:

“Artikel 27 van de wet bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die belastingaanslag geheel invorderbaar is dan wel, als dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging terzake van die belastingaanslag aan de belastingschuldige is betekend. Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke gevallen de verjaring wordt geschorst. Alhoewel artikel 27 invordering door middel van een dagvaarding na verloop van de in dat artikel genoemde termijn onverlet laat wordt van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt wanneer de in artikel 27 genoemde verjaring is ingetreden.”

Uit zijn bewoordingen volgt dat dit voorschrift ziet op de situatie dat de Ontvanger langs privaatrechtelijke weg belasting invordert. Dit vindt bevestiging in de parlementaire stukken waarin het voorschrift werd aangekondigd, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.22. Het voorschrift ziet derhalve niet op een situatie als de onderhavige, waarin de Ontvanger van een ander dan de belastingschuldenaar schadevergoeding vordert wegens een door deze gepleegde onrechtmatige daad, bestaande in het belemmeren van verhaal voor de belastingschuld.

Het bovenstaande brengt mee dat het middel ook tevergeefs een beroep doet op art. 27 § 2 van de Leidraad Invordering 1990, waarin was bepaald:

“Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechtelijke bepaling voor de belasting aansprakelijk is gesteld, is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring, maar is uitsluitend van belang of ten aanzien van de belastingschuldige van verjaring sprake is.”

Uit de passage luidende “is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring” blijkt immers dat ook dit voorschrift betrekking heeft op de invordering van de daadwerkelijke belastingschuld – met de bij die schuld behorende verjaringsregels – en dus niet op een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tot schadevergoeding als voormeld.

Er is evenmin grond voor het oordeel dat beginselen van behoorlijk bestuur steeds meebrengen dat de Ontvanger geen vordering als de onderhavige mag instellen (of een reeds aangevangen procedure moet staken) na verjaring van de belastingschuld waarvan het verhaal onrechtmatig is verhinderd. Weliswaar volgt uit art. 3 § 1 Leidraad Invordering 1990 dat de Ontvanger bij zijn keuze voor gebruikmaking van civielrechtelijke bevoegdheden in plaats van fiscale bevoegdheden het belang van de invordering moet afwegen tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden, maar daaruit volgt nog niet dat de belangen van zodanige derden steeds moeten worden ontzien. Ook overigens valt niet in te zien waarom enig beginsel van behoorlijk bestuur zou meebrengen dat de Ontvanger steeds of in beginsel gehouden is de belangen te ontzien van derden die door onrechtmatig handelen zijn verhaal hebben belemmerd. Wat betreft een verjaringskwestie als de onderhavige verdient daarbij nog opmerking dat de identiteit van zodanige derden langdurig voor de Ontvanger verborgen kan zijn gebleven. Dit maakt het temeer gerechtvaardigd om tot uitgangspunt te nemen dat de Ontvanger zijn bevoegdheid tot verhaal van schade kan uitoefenen totdat de rechtsvordering volgens art. 3:310 BW is verjaard.

Op het voorgaande stuiten alle klachten van het middel af.

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^