Gebruik voor bewijs van verklaring getuige en ondervragingsrecht i.d.z.v. art. 6 EVRM

Hoge Raad 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:537

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 1 maart 2012 de verdachte wegens subsidiair “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en met verbeurdverklaring van een in beslag genomen bijl, zoals in het arrest omschreven.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de verklaring van betrokkene 1 voor het bewijs heeft gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om het in art. 6 EVRM gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen en de betrouwbaarheid van betrokkene 1 te toetsen, terwijl daarvoor aan de verdediging niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, 15 en 16 kan het middel niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG

8. Het hof heeft de op 7 augustus 2006 (bewijsmiddel 1) en 9 augustus 2006 (bewijsmiddel 2) bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 voor het bewijs gebruikt. Deze verklaringen houden het volgende in. De verdachte heeft op 7 augustus 2006 omstreeks 1:00 uur in het opvangcentrum voor vreemdelingen in Burgum een literfles wodka leeggedronken en tabletten ingenomen. betrokkene 1 is omstreeks 5:00 uur naar de receptie en de beveiliging gegaan om te klagen over de verdachte. betrokkene 1 is omstreeks 6:40 uur weer naar de receptie gegaan, waarna twee mannen van de beveiliging met hem zijn meegegaan en de (inmiddels lege) wodkafles hebben meegenomen. De verdachte verweet betrokkene 1 dat hij naar de receptie was gegaan en zei tegen hem dat hij hem daarvoor zou straffen. Vervolgens heeft de verdachte met een bijl een slaande beweging gemaakt naar betrokkene 1 en hem daarmee geraakt in zijn linkerbovenarm, hetgeen hem erge pijn deed en een diepe schram veroorzaakte. De punt van de bijl bleef haken in het T-shirt van betrokkene 1 waarna de verdachte de bijl begon los te trekken als gevolg waarvan er nog meer krassen ontstonden rond de eerste verwonding. Vervolgens is betrokkene 1 naar de receptie en de beveiliging gevlucht en is opnieuw een beveiliger met hem naar de unit meegegaan. De verdachte lag op bed te slapen met de bijl vlak naast zich. De beveiliger nam de bijl mee. betrokkene 1 heeft later hulp gekregen van de medische post, aldus nog steeds de verklaringen van betrokkene 1.

Voorts heeft het hof de op 9 augustus 2006 bij de politie afgelegde verklaring van betrokkene 2 (een beveiligingsbeambte op het asielzoekerscentrum) tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 3). Deze verklaring houdt in dat betrokkene 1 op 7 augustus 2006 omstreeks 6:30 uur bij de balie kwam om te klagen over het feit dat hij de hele nacht niet had geslapen omdat er iemand dronken was. betrokkene 2 is met een collega met betrokkene 1 meegegaan en zag dat de verdachte op bed lag. betrokkene 2 nam een fles wodka die op tafel stond mee. betrokkene 1 kwam rond 7:50 uur weer bij de receptie en vertelde dat de verdachte boos was geworden. Op de bovenarm van betrokkene 1 zat een soort schaafwond en zijn T-shirt was daar beschadigd. betrokkene 2 is daarop wederom met betrokkene 1 meegegaan naar diens unit en zag dat de verdachte nog steeds op bed lag en dat onder de deken een steel van een bijl uitstak. betrokkene 2 heeft deze bijl meegenomen naar de receptie.

Daarnaast heeft het hof de op 9 augustus 2006 bij de politie afgelegde verklaring van betrokkene 3 (een verpleegkundige op het asielzoekerscentrum) voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 4). Deze houdt in dat betrokkene 3 had gehoord dat er op 7 augustus 2006 een incident had plaatsgevonden waarbij iemand gewond zou zijn geraakt, dat betrokkene 1 in de wachtkamer zat te wachten, dat betrokkene 1 een kapot en bebloed T-shirt droeg, dat betrokkene 1 gewond was aan zijn bovenarm, en dat de wond bestond uit twee evenwijdige, niet al te diepe sneden in de huid met daaronder en daarboven een paar lichte krassen in de huid.

Bovendien heeft het hof het op 21 augustus 2006 door opsporingsambtenaar verbalisant opgemaakte proces-verbaal (bewijsmiddel 5) tot het bewijs gebezigd. Dit proces-verbaal vermeldt als relaas van de verbalisant dat twee bewoners van het asielzoekerscentrum in Burgum, de verdachte en betrokkene 1, onenigheid met elkaar hebben gehad, dat verbalisant en A. Westerveld (forensische arts) op 9 augustus 2006 een onderzoek hebben ingesteld, en dat op de linkerbovenarm van betrokkene 1 vier huidperforaties zichtbaar waren met een lengte van 3,5 tot 4 centimeter. Dit proces-verbaal houdt als conclusie van de verbalisant en de forensische arts in dat de verwonding aan de bovenarm zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een scherp voorwerp dat in een licht neergaande lijn op de arm is geplaatst, dat de verwonding kon zijn veroorzaakt met behulp de bijl (van de verdachte) en dat de verwonding geheel past in de door betrokkene 1 afgelegde verklaring.

Ten slotte heeft het hof de op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2007 afgelegde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 6) voor het bewijs gebruikt, inhoudende dat hij op 7 augustus 2006 in zijn kamer in het asielzoekerscentrum in Burgum een bijl aanwezig heeft gehad.

15. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verklaringen van betrokkene 1 wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de onderhavige poging tot zware mishandeling in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet op de hiervoor onder 8 weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, geeft dit oordeel geen blijk van miskenning van het hiervoor geschetste toetsingskader, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij een bijl aanwezig had (bewijsmiddel 6), terwijl beveiligingsbeambte betrokkene 2 kort na het incident in het bed van de verdachte een bijl heeft aangetroffen (bewijsmiddel 3). Voorts hebben zowel de beveiligingsbeambte betrokkene 2 (bewijsmiddel 3) als de verpleegkundige betrokkene 3 (bewijsmiddel 4) en de verbalisant verbalisant (bewijsmiddel 5) letsel waargenomen op de bovenarm van betrokkene 1 en hebben betrokkene 2 en betrokkene 3 verklaard dat het T-shirt van betrokkene 1 was beschadigd c.q. bebloed. Bovendien hebben verbalisant en de forensische arts Westerveld (bewijsmiddel 5) naar aanleiding van onderzoek van het letsel van betrokkene 1 geconcludeerd dat de verwonding aan zijn bovenarm kan zijn veroorzaakt door de bijl van de verdachte. Ten slotte vindt de lezing van betrokkene 1, voor zover inhoudende dat de verdachte dronken was, dat betrokkene 1 daarover bij de receptie heeft geklaagd, dat de verdachte vervolgens boos is geworden en dat betrokkene 1 na het incident weer naar de receptie is gegaan, steun in de verklaring van betrokkene 2 (bewijsmiddel 3). Nu de verklaringen van betrokkene 1 in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, kon het hof zonder inbreuk te maken op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM voor het bewijs gebruik maken van de bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte in hoger beroep naar voren heeft gebracht (een betrouwbaarheidsverweer), was het hof niet gehouden tot een nadere motivering ten aanzien van het steunbewijs.

16. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde het hof niet te toetsen of aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige betrokkene 1. Deze maatstaf is immers slechts van toepassing op gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt. Zoals hiervoor is uiteengezet, is dat in deze zaak niet het geval. Het hof heeft dan ook geen inbreuk gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF