Afwijking uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bruikbaarheid verklaringen getuige voor bewijs

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 december 2011 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden met een proeftijd van twee jaar wegens 1) afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, 2) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en, 3) poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Voorts heeft het Hof de vordering van benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.937,00 en aan verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Met het middel wordt gesteld dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven van zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van betrokkene 2 onbetrouwbaar is omdat deze betrekking heeft op een bezoek dat plaatsvond op 21 september in plaats van 6 november 2008. In weerwil daarvan heeft het Hof de door betrokkene 2 afgelegde verklaring voor het bewijs bruikbaar geacht omdat het aangevoerde door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd. Nu in die bewijsmiddelen in dit verband is vastgesteld dat benadeelde partij - over wie betrokkene 2 verklaart dat hij die al zestien jaar kent - verklaart dat betrokkene 2 op 6 november 2008 samen met een aantal Turkse mannen op bezoek kwam alsmede dat betrokkene 2 over zijn bezoek verklaart dat hij "aan de Turken vroeg of het opgelost was; zij zeiden dat het niet opgelost kan worden op dit moment maar pas over een week omdat benadeelde partij over een week zou betalen", terwijl bewijsmiddel 9 inhoudt dat betrokkene 2 vervolgens ruim een week later, op 16 november 2008, heeft gebeld met de vraag of de zaak was "opgelost", voldoen 's Hofs overwegingen aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en noopte die bepaling het Hof niet tot een nadere motivering.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF