Artikel 1 lid 2 Sr & Flora- en Faunawet

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:885

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 10 februari 2012 voor 1 en 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora-en Faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur.

Verdachte heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verweer heeft afgewezen dat sprake zou zijn van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 Sr. Het inzicht van de wetgever over de strafbaarheid van het gebruik van ringen met een grotere diameter is gewijzigd en het gebruik van die ringen is in het nieuwe stelsel geoorloofd.

Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

“De raadsman heeft betoogd dat verdachte door het gebruik van andere dan de voorgeschreven ringen heeft geageerd tegen de ten tijde van het ten laste gelegde geldende "Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens" en dat deze regeling per 1 juli 2009 is gewijzigd. Door die wijziging is de koppeling tussen ringmaat en vogelsoort niet meer zo strikt als voorheen. Volgens de raadsman doet zich het geval voor van artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht en dient aan die nieuwe regeling toepassing te worden gegeven zodat het bewezen verklaarde niet meer strafbaar is en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De toelichting bij de wijziging op 1 juli 2009 van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens houdt het volgende in:

"Op grond van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en artikel 12 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geldt een aantal vrijstellingen van onder meer het verbod op het onder zich hebben van in gevangenschap geboren en gefokte vogels.

Omdat lastig controleerbaar is of een vogel gefokt is, dan wel in het wild is gevangen, is aan de vrijstellingen de voorwaarde verbonden dat de vogel - buiten enkele specifieke situaties - voorzien moet zijn van een naadloos gesloten pootring. De regeling voorziet in technische eisen waaraan gesloten pootringen moeten voldoen en nadere regels over de aanvraag, afgifte, kosten en het gebruik van in Nederland uit te reiken gesloten pootringen.

Met de regeling is beoogd om een systeem te creëren dat waarborgt dat naadloos gesloten pootringen uitsluitend worden aangebracht op vogels die daadwerkelijk in gevangenschap geboren en gefokt zijn. Dit systeem kent de volgende elementen. De bijlage bij de regeling bevat per vogelsoort voorgeschreven ringmaten.

(...)

Met de wijziging van de regeling worden voorts enkele knelpunten in de praktijk opgelost. Het tweede knelpunt betreft het systeem van maximale diametermaten voor de gesloten pootringen per vogelsoort. De voorgeschreven maten zijn afgestemd op de gemiddelde dikte van de poten van gefokte vogels die pas geboren zijn. Naarmate met vogels doorgefokt wordt, worden de vogels in de regel forser en worden de poten dikker. Gelet hierop past de voorgeschreven ringmaat per vogelsoort niet altijd om de poot van een in gevangenschap gefokte vogel van deze soort. De voorziening die daarvoor in de regeling is opgenomen

betreft het introduceren van de mogelijkheid voor de vogelhouders om voor het ringen van in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels gesloten pootringen te gebruiken met een diameter die groter is dan de maximale diameters die genoemd zijn in de bijlage bij de regeling. Hiertoe wordt aan artikel 5 een tweede lid toegevoegd (artikel I, onderdeel B). Op het moment dat een jonge vogel geringd moet worden en de voorgeschreven ringmaat blijkt te klein te zijn, mag een ring met een grotere diameter worden gebruikt. De houder van de vogel dient dan wel aannemelijk te kunnen maken dat het gebruik van een pootring met de in de bijlage vastgestelde maximale diameter niet mogelijk is. "

Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven is het hof van oordeel dat de wijziging niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van voor de inwerkingtreding van de wijziging gepleegde overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en Faunawet. Derhalve zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in art. 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nu er ook voor het overige niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten, zijn de bewezenverklaarde feiten strafbaar.”

Beoordeling Hoge Raad

Onder de thans geldende regeling geldt als uitgangspunt dat het verboden is beschermde inheemse vogels onder zich te hebben, zij het dat de regeling in ruimere mate dan voorheen voorziet in uitzonderingen op dit verbod. Uit de wet- en regelgeving en de ontstaans geschiedenis daarvan moet worden afgeleid dat het huidige regiem niet berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het onder zich hebben van genoemde vogels vóór de inwerkingtreding van de thans geldende bepalingen, maar dat dit regiem is ingegeven door de gedachte, kort gezegd, enige knelpunten in de praktijk op te lossen, meer in het bijzonder in verband met de omstandigheid dat de voorgeschreven maximale diameter van die pootringen bij (doorgefokte) vogels niet altijd voldoende is gebleken.

Het oordeel van het Hof dat de wijziging als hiervoor bedoeld niet voortvloeit uit een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de regelwijziging begane strafbare feiten geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het Hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: De bestreden uitspraak bevat geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:895

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 28 april 2011 bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Groningen van 12 augustus 2010, waarbij de Rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 25.301,43 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.225,75.

Namens de veroordeelde heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.

De bestreden uitspraak bevat geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, is de bestreden uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door een ander door misdrijf verkregen goed

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:893

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 30 maart 2011 verzoeker wegens subsidiair het opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 84 uren, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 42 dagen hechtenis.

Namens verzoeker heeft mr. M. Mulder, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, met name voor zover die inhoudt dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de door betrokkene 1 door middel van valsheid in geschrift verkregen uitkeringsgelden.

AG Hofstee

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker en betrokkene 1 veelvuldig samen aan de a-straat 1 te Amsterdam verbleven en dat verzoeker wist dat betrokkene 1 een bijstandsuitkering ontving. Maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, die voorzieningen – gas/water/elektriciteit en levensmiddelen – geheel of gedeeltelijk werden betaald van de uitkering van betrokkene 1, en evenmin dat verzoeker telkens wist dat die voorzieningen geheel of ten dele werden bekostigd met door valsheid in geschrift verkregen geld. Het enkele antwoord van verzoeker - op de vraag wie de boodschappen (feitelijk) doet -, dat betrokkene 1 soms iets voor hem haalt, betekent nog niet dat dit iets, al aangenomen dat daarmee levensmiddelen bedoeld zijn, met het vorenbedoelde uitkeringsgeld van betrokkene 1 is betaald. Ik meen dat het middel reeds in zoverre doel treft. Overigens komt het mij voor dat ook ’s Hofs bewijsconstructie met betrekking tot de aan verzoeker verweten wetenschap dat de uitkering van betrokkene 1 telkens door valsheid in geschrift was verkregen, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt. Niet toereikend daarvoor is, lijkt mij, het antwoord van verzoeker - op de vraag wat de dienst Werk en Inkomen zou hebben gedaan als zij op de hoogte waren geweest van deze samenwoning - dat deze dienst de uitkering zou hebben beëindigd.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen noch uit hetgeen het Hof omtrent het bewijs heeft overwogen kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van enig door betrokkene 1 door misdrijf verkregen goed.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

NN-verdachte?

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:888

Feiten

Bij arrest van 18 november 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam wegens het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven.

Namens de verdachte heeft mr F. Van Baarlen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte heeft uitgesproken, onder meer door van de verdachte te eisen dat hij bij het gebruik maken van de appélbevoegdheid andere persoonsgegevens opgeeft dan gedurende de gehele strafprocedure door alle instanties zijn gebruikt.

AG Jörg

Terecht heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat geen rechtsmiddel kan worden aangewend door iemand die op andere wijze dan bij name aangeduid, dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens (HR 12 december 2006, LJN AZ3287, NJ 2007/13). Echter, dit geval doet zich hier niet voor nu het hoger beroep niet is ingesteld tegen een vonnis waarin de verdachte op andere wijze dan bij name is aangeduid. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon die zich verdachte noemt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe verklaard dat de verdachte veroordeeld is onder de naam verdachte.

De situatie dat iemand zich van verschillende namen bedient – al dan niet als alias – is, als ik het goed zie, geen bezwaar gebleken om die persoon te berechten. Het verdedigingsrecht lijkt mij in de weg te staan aan een weigering van de rechter om iemand in appél te ontvangen, omtrent wie geen twijfel bestaat dat hij dezelfde persoon is die in eerste aanleg is berecht. Dat er twijfel bestaat of de door de verdachte gebruikte naam wel de naam is waaronder hij na zijn geboorte in de registers van enige burgerlijke stand of in een register met een vergelijkbare functie is ingeschreven behoeft zeker niet in te houden dat die persoon niet te identificeren valt. Niet zelden zijn mensen algemeen bekend onder een andere naam dat de oorspronkelijke. Daarin onderscheidt dit geval zich van de NN-rechtspraak: wie in eerste aanleg als anonymus terecht heeft gestaan kan dat spelletje niet voortzetten door in de appélakte een fake-naam (zoals Jan Jansen of Piet Pietersen) aan te nemen. Kortom, de enkele omstandigheid dat iemand zich zowel in eerste als tweede aanleg van een andere naam dan zijn burgerlijke stand-naam bedient leidt niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep. Daarvoor is aanleiding als er meer dan gerede twijfel is of de persoon die in appél wordt berecht wel dezelfde is als die welke in eerste aanleg terecht stond.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2007:AZ6694.

In casu is het vonnis op naam gesteld van X, is het hoger beroep ingesteld namens X en heeft de gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat haar cliënt de persoon is ten wiens laste het vonnis is gewezen

HR: Anders dan het Hof heeft geoordeeld doet zich hier niet het geval voor dat het hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis waarin de verdachte op andere wijze dan bij naam is aangeduid. De enkele omstandigheid dat verdachte in werkelijkheid anders is genaamd leidt niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gasflessen (drukhouders) & etiketteringsvoorschrift

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:878

Feiten

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 februari 2012 wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan, veroordeeld tot een geldboete van € 1125 waarvan € 575 voorwaardelijk.

Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

Eerste Middel

Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat elke afzonderlijke drukhouder een gevaarsetiket diende te dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat een chauffeur in dienst van de verdachte met een vrachtwagen 29 in een kooi geplaatste drukhouders met propaan en/of butaan heeft vervoerd waarvan 7 nog gedeeltelijk waren gevuld en niet voorzien van een gevaarsetiket.

Voor de beoordeling van het middel gaat het meer in het bijzonder om de uit het ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route) volgende verplichting dat "elk voorwerp of elke stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2" bij het vervoer over de weg is voorzien van een etiket zoals nader vastgesteld in randnummer 5.2.2.1.1 van bijlage A bij het ADR. Propaan en butaan zijn in genoemd hoofdstuk 3.2 vermeld als gevaarlijke stoffen. Voor lege, ongereinigde drukhouders geldt dat zij mogen worden vervoerd met verouderde of beschadigde etiketten teneinde opnieuw gevuld dan wel onderzocht te worden en een nieuw etiket overeenkomstig de geldende voorschriften aan te brengen, of met het doel de drukhouders te verwijderen (randnummer 5.2.2.2.1.2).

In aanmerking genomen dat vorenbedoeld etiketteringsvoorschrift ertoe strekt dat met het oog op een doeltreffende bescherming van mens en milieu snel en eenvoudig kan worden vastgesteld of gevaarlijke stoffen worden vervoerd en zo ja welke, geeft 's Hofs oordeel dat elke gevulde althans niet geheel lege drukhouder diende te zijn voorzien van een gevaarsetiket en dat zulks niet anders is doordat alle houders dezelfde stof bevatten en in dezelfde kooi werden vervoerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

Het middel faalt.

Tweede Middel

Het middel klaagt dat het Hof de niet van een gevaarsetiket voorziene drukhouders ten onrechte niet als leeg heeft aangemerkt.

Het Hof heeft vastgesteld dat de in het middel bedoelde drukhouders gedeeltelijk gevuld waren met vloeistof. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de houders vloeistof bevond, moet worden afgeleid dat de inhoud van de houders nog onder druk stond. Tegen die achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de drukhouders leeg waren in de zin van het ADR, randnummer 5.2.2.2.1.2, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^