Tongzoen geldt niet langer als verkrachting

De Hoge Raad oordeelt vandaag dat een gedwongen tongzoen niet langer geldt als verkrachting (art. 242 Sr). Iemand dwingen tot een tongzoen blijft strafbaar maar zou vanaf nu onder een lichter wetsartikel kunnen worden gebracht. Zo bedraagt de maximale gevangenisstraf voor ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ (art. 246 Sr) acht jaar tegenover twaalf jaar voor verkrachting.

Met deze uitspraak komt de Hoge Raad terug op zijn eerdere oordeel dat  ieder seksueel binnendringen van het lichaam, dus ook een tongzoen, moet worden gezien als verkrachting. Op dit oordeel bestond  kritiek. Het bestempelen van een tongzoen als verkrachting zou strijdig zijn met het algemene taalgebruik. Daarbij werd veroordeling voor verkrachting vanwege een tongzoen vaak als onrechtvaardig ervaren omdat een tongzoen niet op een lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een daarmee vergelijkbare gedraging. Op grond van deze overwegingen is de Hoge Raad tot zijn gewijzigde rechtsopvatting gekomen.

Lees de volledige uitspraak:

Print Friendly and PDF ^

Verandering van wetgeving

Hoge Raad 5 maart 2013, LJN BZ3257 en BZ3230

In deze arresten herhaalt de Hoge Raad de toepasselijke overwegingen uit LJN BP6878.

Het Hof is blijkens zijn overwegingen kennelijk uitgegaan van de opvatting dat onder een “verandering in de wetgeving” als bedoeld in art. 1.2 Sr ook kan worden verstaan een verandering in beleidsregels van het OM inzake het transactie- en strafvorderingsbeleid. Die opvatting is echter onjuist. In deze casus ging het om de Richtlijn strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

De Hoge Raad acht ook het oordeel van het hof, dat sprake is van een verandering in regels van sanctierecht, onjuist. Als een verandering in de regels van sanctierecht kan niet worden aangemerkt een wetswijziging waarbij in algemene zin naast strafrechtelijke afdoening óók - kort gezegd - een bestuursrechtelijke afdoening mogelijk wordt gemaakt.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Instelling hoger beroep d.m.v. een bijzondere schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker

Hoge Raad 5 maart 2013, LJN BZ2951

De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BJ7810 en HR LJN BY8357 m.b.t. de eisen die worden gesteld aan een dergelijke volmacht en de ratio van die eisen. Het middel klaagt terecht dat het Hof hetgeen in die arresten is bepaald, heeft miskend.

Feiten

De verdachte is bij vonnis van de Rechtbank Zutphen veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair 12 dagen hechtenis, ter zake van

  1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening en
  2. wederspannigheid

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De verdachte en zijn raadsman waren ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

Het hoger beroep is namens de verdachte op 27 oktober 2010 ingesteld door een - daartoe door de raadsman van de verdachte mr. P.J. Stronks schriftelijk gemachtigde - medewerker van de griffie van de rechtbank Zutphen.

Deze volmacht houdt het volgende in:

'Ik, mr. P.J. Stronks, advocaat, kantoorhoudende aan de Amstelveenseweg 54/56 bg te Amsterdam (1075 XH), verklaar hierbij dat ik door mijn cliënt, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1970, bepaaldelijk gevolmachtigd ben om appèl in te stellen tegen het vonnis d.d. 7 december 2009 van de rechtbank te Zutphen, machtig hierbij, de griffier van de rechtbank te Zutphen, om appel in te stellen tegen bovengenoemd vonnis.' 

Het hof overweegt dat de volmacht aan de strafgriffie van de Rechtbank niet voldoet aan de in het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 onder (ii) en (iii) genoemde vereisten waaraan de schriftelijke volmacht ingevolge artikel 450 Sv moet voldoen en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van 22 december 2009 (LJN BJ7810) zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen.

Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, bestaat in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen, onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de in de overwegingen van het Hof onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in zo een geval niet geschaad. Het verzuim kan daarom voor gedekt worden gehouden (vgl. HR 23 januari 2013, LJN BY8357).

Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Alleen de verschoningsgerechtigde zelf kan in een beklagprocedure, waarin het verschoningsrecht in het geding is, worden aangemerkt als belanghebbende i.d.z.v. art. 552a Sv

Hoge Raad 12 februari 2013, LJN BX4284 Feiten

Klager in deze en zijn ex-echtgenote worden ervan verdacht het kind te hebben mishandeld. Het medisch dossier van het kind, waarvan de inhoud is onderworpen aan het verschoningsrecht van de behandelend arts (B), namens wie in verband met de inbeslagneming van het dossier (mede) is opgetreden als gemachtigde, is op grond van een op art. 105 Sv gebaseerd bevel tot uitlevering van de Rechter-Commissaris door (B) in een verzegelde enveloppe overgedragen aan de Officier van Justitie.

(B) heeft zich niet met een klaagschrift tegen de inbeslagneming van het medisch dossier verzet.

Het klaagschrift strekt ertoe dat de inbeslagneming onrechtmatig zal worden verklaard, en de Officier van Justitie zal worden verboden van het medisch dossier kennis te nemen, dat dossier te gebruiken of te verspreiden, met last tot vernietiging van het dossier of teruggave daarvan aan (B).

Oordeel Hoge Raad

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de vraag of de klager belanghebbende is in de zin van art. 552a Sv bevestigend beantwoord nu klager verdachte is in een strafzaak waarin de inbeslaggenomen stukken een (cruciale) rol kunnen gaan spelen.

Het is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te bepalen of een inbeslaggenomen voorwerp gegevens bevat die onder zijn verschoningsrecht vallen. Diens standpunt daaromtrent dient door de bij het voorbereidend onderzoek betrokken functionarissen te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (HR 29 juni 2004, LJN AO5070, NJ 2005/273). Hieruit volgt dat alleen de verschoningsgerechtigde zelf in een beklagprocedure als de onderhavige waarin het verschoningsrecht in het geding is, kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv.

De Rechtbank had behoren te oordelen dat de klager niet als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kon worden aangemerkt en had hem deswege niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Afwijken uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. HR: middel stuit af op de omstandigheid dat het een verweer betreft als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1383 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft het vonnis van de Rechtbank te Arnhem bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen omtrent een door de verdediging gedaan beroep op bewijsuitsluiting.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het Hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte bij gebreke van een vermoeden van schuld onrechtmatig is aangehouden en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de schoensporen en het vergelijkend spoor van de schroevendraaier die in de auto is aangetroffen, stuit het middel af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv.

Ook overigens faalt het middel aangezien de bewijsvoering een toereikende motivering bevat van de verwerping van het in het middel bedoelde verweer, zodat het middel feitelijke grondslag mist.

Conclusie AG: anders

Het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Als zodanig stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv (HR 17 januari 2012, LJN BT2052, NJ 2012, 253, rov. 2.5).

Toch meent Vellinga dat het middel niet op deze grond dient te worden afgedaan. In de kern van de zaak klaagt het middel over het niet dan wel ontoereikend gemotiveerd beslissen op een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs. De rechter kent het recht en kan daarbij de zijns inziens toepasselijke bepaling vinden: art. 359a Sv. Daarbij tekent Vellinga aan dat de hiervoor aangehaalde uitspraak bepaald niet vanzelf spreekt. Art. 359a Sv rept immers niet van een verweer of van het passeren van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, art. 359 lid 2 Sv van dat laatste wel. De keuze van de Hoge Raad spreekt te minder voor zich omdat de Hoge Raad de - kennelijk - aan het algemene motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2 Sv ontleende verplichting tot reageren op zgn. Meer en Vaart- en Dakdekkersverweren wel rekent tot de nadien geschapen verplichting te motiveren waarom een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv wordt gepasseerd, de aanvankelijk aan art. 359 lid 2 Sv, later (mede) aan art. 359a lid 3 Sv ontleende verplichting een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs gemotiveerd te verwerpen niet. Toch gaat het ook daar om een aan een algemene motiveringsverplichting ontleende verplichting tot gemotiveerde verwerping van een verweer, niet om een wettelijke verplichting een verweer, in casu een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs, gemotiveerd te verwerpen. Dat is wel weer het geval bij verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond c.a. (art. 358 lid 3 jo 359 lid 2 Sv), een beroep dat daarom inderdaad niet geldt als een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.

Het voorgaande klemt temeer nu de Hoge Raad voor de eisen waaraan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv dient te voldoen uitdrukkelijk verwijst naar de eisen die aan een gemotiveerd te verwerpen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs worden gesteld en daarmee een gemotiveerd te weerleggen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs in wezen gelijk stelt met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Het middel laboreert dus in wezen uitsluitend aan een verwijzing naar een verkeerde wetsbepaling, een misslag die indien deze door de feitenrechter zou zijn begaan, zou worden gezien als een gebrek dat eenvoudig kan worden hersteld, aldus Vellinga.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^