Instelling hoger beroep d.m.v. een bijzondere schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker

Hoge Raad 5 maart 2013, LJN BZ2951

De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BJ7810 en HR LJN BY8357 m.b.t. de eisen die worden gesteld aan een dergelijke volmacht en de ratio van die eisen. Het middel klaagt terecht dat het Hof hetgeen in die arresten is bepaald, heeft miskend.

Feiten

De verdachte is bij vonnis van de Rechtbank Zutphen veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair 12 dagen hechtenis, ter zake van

  1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening en
  2. wederspannigheid

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De verdachte en zijn raadsman waren ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

Het hoger beroep is namens de verdachte op 27 oktober 2010 ingesteld door een - daartoe door de raadsman van de verdachte mr. P.J. Stronks schriftelijk gemachtigde - medewerker van de griffie van de rechtbank Zutphen.

Deze volmacht houdt het volgende in:

'Ik, mr. P.J. Stronks, advocaat, kantoorhoudende aan de Amstelveenseweg 54/56 bg te Amsterdam (1075 XH), verklaar hierbij dat ik door mijn cliënt, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1970, bepaaldelijk gevolmachtigd ben om appèl in te stellen tegen het vonnis d.d. 7 december 2009 van de rechtbank te Zutphen, machtig hierbij, de griffier van de rechtbank te Zutphen, om appel in te stellen tegen bovengenoemd vonnis.' 

Het hof overweegt dat de volmacht aan de strafgriffie van de Rechtbank niet voldoet aan de in het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 onder (ii) en (iii) genoemde vereisten waaraan de schriftelijke volmacht ingevolge artikel 450 Sv moet voldoen en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van 22 december 2009 (LJN BJ7810) zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen.

Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, bestaat in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen, onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de in de overwegingen van het Hof onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in zo een geval niet geschaad. Het verzuim kan daarom voor gedekt worden gehouden (vgl. HR 23 januari 2013, LJN BY8357).

Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF