Afwijken uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. HR: middel stuit af op de omstandigheid dat het een verweer betreft als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1383 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft het vonnis van de Rechtbank te Arnhem bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen omtrent een door de verdediging gedaan beroep op bewijsuitsluiting.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het Hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte bij gebreke van een vermoeden van schuld onrechtmatig is aangehouden en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de schoensporen en het vergelijkend spoor van de schroevendraaier die in de auto is aangetroffen, stuit het middel af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv.

Ook overigens faalt het middel aangezien de bewijsvoering een toereikende motivering bevat van de verwerping van het in het middel bedoelde verweer, zodat het middel feitelijke grondslag mist.

Conclusie AG: anders

Het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Als zodanig stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv (HR 17 januari 2012, LJN BT2052, NJ 2012, 253, rov. 2.5).

Toch meent Vellinga dat het middel niet op deze grond dient te worden afgedaan. In de kern van de zaak klaagt het middel over het niet dan wel ontoereikend gemotiveerd beslissen op een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs. De rechter kent het recht en kan daarbij de zijns inziens toepasselijke bepaling vinden: art. 359a Sv. Daarbij tekent Vellinga aan dat de hiervoor aangehaalde uitspraak bepaald niet vanzelf spreekt. Art. 359a Sv rept immers niet van een verweer of van het passeren van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, art. 359 lid 2 Sv van dat laatste wel. De keuze van de Hoge Raad spreekt te minder voor zich omdat de Hoge Raad de - kennelijk - aan het algemene motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2 Sv ontleende verplichting tot reageren op zgn. Meer en Vaart- en Dakdekkersverweren wel rekent tot de nadien geschapen verplichting te motiveren waarom een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv wordt gepasseerd, de aanvankelijk aan art. 359 lid 2 Sv, later (mede) aan art. 359a lid 3 Sv ontleende verplichting een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs gemotiveerd te verwerpen niet. Toch gaat het ook daar om een aan een algemene motiveringsverplichting ontleende verplichting tot gemotiveerde verwerping van een verweer, niet om een wettelijke verplichting een verweer, in casu een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs, gemotiveerd te verwerpen. Dat is wel weer het geval bij verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond c.a. (art. 358 lid 3 jo 359 lid 2 Sv), een beroep dat daarom inderdaad niet geldt als een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.

Het voorgaande klemt temeer nu de Hoge Raad voor de eisen waaraan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv dient te voldoen uitdrukkelijk verwijst naar de eisen die aan een gemotiveerd te verwerpen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs worden gesteld en daarmee een gemotiveerd te weerleggen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs in wezen gelijk stelt met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Het middel laboreert dus in wezen uitsluitend aan een verwijzing naar een verkeerde wetsbepaling, een misslag die indien deze door de feitenrechter zou zijn begaan, zou worden gezien als een gebrek dat eenvoudig kan worden hersteld, aldus Vellinga.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF