HR: Medeplegen van oplichting, beroep op psychische overmacht

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX6734 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft geoordeeld dat het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde het strafbare feit medeplegen van oplichting oplevert, maar dat de verdachte niet strafbaar is. Het Hof heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing van de verdachte gelast in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

Kort gezegd komt het erop neer dat verdachte na de dood van zijn vader (20 jr. geleden) de gedachte had dat hij door de geest van zijn vader bezeten was. Verdachte is in 1996 in contact gekomen met een medium (betrokkene 2). Zij deed verdachte geloven dat ze in contact was met zijn overleden vader en dat zij verdachte kon helpen met alle problemen waarmee hij in zijn leven kampte, waaronder dan ook dat zij hem zou helpen zich te verlossen van de geest van zijn vader. Betrokkene 2 zou verdachte echter alleen kunnen helpen als hij al zijn geld aan haar overmaakte, puur om "de geest van zijn overleden vader tevreden te stellen". Als alle problemen opgelost zouden zijn, zou verdachte al het geld dat hij aan haar had overgemaakt, terugkrijgen.

Toen zijn eigen geld op was, diende verdachte anderen om geld te vragen. Nadat hij zelfs leningen had afgesloten om geld naar haar te kunnen overmaken, vroeg verdachte geld aan zijn moeder en later aan betrokkene 1. Betrokkene 2 vroeg om geld en gaf aan op welke wijze verdachte dat moest vergaren. Ook heeft betrokkene 2 zelf contact met betrokkene 1 gehad. Daarbij deed zij zich voor als juridisch adviseur. Betrokkene 1 maakte, aldus verdachte, ook zelf geld over naar betrokkene 2.

Betrokkene 2 bleek deel uit te maken van een in de Verenigde Staten bekende bende van "psychic swindlers". Vanuit alleen al Nederland blijken tussen 1999 en 2004 twintig personen geld naar betrokkene 2 overgemaakt te hebben (in totaal ongeveer € 1000.000,-).

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende aangevoerd:

"Strafbaarheid verdachte. De druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende bestond eruit dat zij beweerde dat er hele ernstige dingen zouden gebeuren in het leven van verdachte en zijn naasten als hij niet aan haar verzoek om geld voldeed. Als hij wel voldeed, zou het allemaal goed gaan.

Het ten laste gelegde is een direct gevolg van de druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende. Het is zonneklaar dat verdachte geheel onder de invloed van betrokkene 2 stond. De NIFP deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake zou zijn van een waanstoornis, te weten een beïnvloedingswaan: hij is ervan overtuigd dat hij faalt doordat vader hem beïnvloedt. Beide deskundigen concluderen dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat eerst de vraag naar de psychische overmacht beantwoord dient te worden, voordat de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid aan de orde komt. Immers, bij psychische overmacht gaat het om een ongewone psychische toestand, veroorzaakt door externe omstandigheden. Als iemand (tevens) een ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft, kan die omstandigheid op zichzelf geen zelfstandige betekenis hebben voor het oordeel over de overmacht. Niet ten gunste en niet ten nadele. Als dus psychische overmacht kan worden aangenomen, is de eventuele ziekelijke stoornis juridisch irrelevant.

Verdachte handelde bij het ten laste gelegde onder een van buiten komende, psychische dwang, waar het zich aan onttrekken het gemiddelde weerstandsvermogen van de mens onder dezelfde omstandigheden zou overstijgen. Weerstand bieden was redelijkerwijs niet mogelijk. Het gaat om een sociaal-ethische afweging; wat zou een ander onder dezelfde soort omstandigheden doen? Uiteraard speelt bij de beantwoording van die vraag de persoon van de dader een rol, met andere woorden: "dezelfde soort omstandigheden" betekent ook: in dezelfde psychische toestand. Een combinatie van externe en inwendige factoren sluit psychische overmacht niet uit, zolang het zwaartepunt ligt op de van buiten komende factoren.

De centrale vraag is dan of verdachte betrokkene 1 heeft bewogen tot afgifte van geld, vooral door zijn waanstoornis, of door vooral de druk die betrokkene 2 op hem uitoefende? Naar de mening van de verdediging is in casu de druk die van betrokkene 2 uitging van meer belang geweest op het ten laste gelegde handelen dan de eventuele waan. Verdachte kwam bij betrokkene 2 om zijn probleem, zo u wilt, de waan, op te lossen. Zij heeft echter misbruik gemaakt van de problemen van verdachte en hem zwaar onder druk gezet, waardoor hij uiteindelijk betrokkene 1 geld afhandig heeft gemaakt.

Aan het uiteindelijke delict is echter veel vooraf gegaan. Eerst heeft verdachte zoals gezegd zijn eigen geld aan betrokkene 2 overgemaakt en leningen afgesloten. Zoals verdachte zelf verklaarde heeft hij lang geprobeerd zich ertegen te verzetten geld van anderen (waaronder zijn eigen moeder) te vragen maar, zo verklaart hij zelf: "het was een hele zware druk". Het uiteindelijk bewegen van betrokkene 1 tot afgifte van geld staat in een veel te ver verwijderd verband met de waan. Een direct causaal verband is echter aanwezig met de druk vanuit betrokkene 2.

Betrokkene 2 heeft de eventuele waan van verdachte misbruikt als middel om haar doel te bereiken en om verdachte meer onder druk te zetten. Zonder de waan was het delict wellicht ook wel gepleegd, gezien het feit dat veel meer mensen in de oplichtingpraktijken van betrokkene 2 zijn getrapt. Op hen allen zal door haar forse psychische druk zijn uitgeoefend. Onwaarschijnlijker lijkt dat allen aan een waanstoornis lijden. Nogmaals: zonder de waan zou het delict mogelijk ook zijn gepleegd. Zonder de druk van betrokkene 2 was het feit echter nooit gepleegd. Het directe causaal verband tussen de eventuele waan en het delict ontbreekt dan ook.

Conclusie: Ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht."

Het bestreden arrest houdt, onder het hoofd "strafbaarheid van de verdachte" het volgende in: "Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat de gedragingen van verdachte, zoals verwoord in de bewezenverklaring, voortkwamen vanuit een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis, maar dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.”

Het hof neemt de conclusie van deskundigen wat betreft de toerekenbaarheid over, maakt deze tot de zijne en komt tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen niet aan verdachte kan worden toegerekend, als gevolg waarvan hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Middel

Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het beroep op psychische overmacht. Betoogd wordt dat het Hof niet naar behoren heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende "een beroep op psychische overmacht in verband met de door een derde -en dus van buitenkomende- op verzoeker uitgeoefende drang."

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge art. 358, derde lid, Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3). In zoverre faalt het middel.

Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis en dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd in het licht van het aangevoerde en de door het Hof overgenomen conclusie van de deskundigen.

Het middel faalt.

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

HR: Veroordeling schenden plicht tot gegevensverstrekking (art. 227b Sr), slagende bewijsklachten

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5475 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam  veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren wegens medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd (art. 227b Sr).

Eerste middel

Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het middel met toepassing van art. 81 RO.

Conclusie AG

Naar het oordeel van AG Vellinga faalt het middel: “In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de verdachte en haar man verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.”

Tweede en derde middel

De middelen klagen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid. In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied.

Het derde middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk geen opgave heeft gedaan van en heeft verzwegen dat haar echtgenoot in het bezit is geweest van een motorboot.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht in een hennepkwekerij. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat zij een motorboot in haar bezit heeft gehad. Het enkele feit dat haar echtgenoot (en medeverdachte) een motorboot bezat doet daaraan niet af nu het Hof niet tevens heeft vastgesteld dat zij daarvan op de hoogte was.

Voor zover de middelen hierover klagen zijn deze terecht voorgesteld.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

HR: Strafmaximum bij medeplichtigheid

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5554 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens:

  1. Medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
  2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Voorts heeft het Hof ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 15.875,00 (bestaande uit € 2.375,00 materiële schade en € 13.500,00 immateriële schade), en aan verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd: "Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op de schoonvader van zijn vader, [slachtoffer 1]. De vier medeverdachten zijn de woning van het slachtoffer binnengedrongen en hebben het slachtoffer met een vuurwapen bedreigd, vast getapet en hem ernstig mishandeld. Vervolgens zijn zij met geld en sieraden weer weggegaan waarbij zij het slachtoffer in hulpeloze toestand hebben achtergelaten. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de overval zeer veel impact heeft gehad op het slachtoffer en dat het slachtoffer ten gevolge van de overval zowel fysiek als geestelijk achteruit is gegaan en niet meer zelfstandig kan wonen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de tip heeft gegeven voor deze overval, die bovendien werd gepleegd op een familielid van verdachte."

Eerste middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof bij de straftoemeting ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het door de daders toegepaste geweld, en derhalve is uitgegaan van een te hoog strafmaximum en (kennelijk) niet van het misdrijf dat verzoeker als medeplichtige voor ogen stond, nu verzoeker slechts tipgever was en zijn opzet niet gericht was op het gebruik van geweld. De geweldpleging van de daders had bij de straftoemeting ten aanzien van verzoeker buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Beoordeling Hoge Raad

In geval van medeplichtigheid aan een misdrijf komen ingevolge art. 49, vierde lid, Sr bij het bepalen van de straf alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Daarbij verdient opmerking dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007/553, rov. 3.4).

De door het Hof gebruikte bewijsmiddelen houden niet in dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de overval op de woning met het in de bewezenverklaring sub 1 omschreven geweld gepaard zou gaan. Uit de hierboven weergegeven overweging kan niet worden afgeleid dat het Hof van opzet op dat geweld - al dan niet in voorwaardelijke vorm - bij de verdachte is uitgegaan. Het middel, dat van een andere lezing van de overweging uitgaat, faalt daarom.

Het Hof heeft het op grond van art. 49, vierde lid, Sr toepasselijke strafmaximum voor medeplichtigheid tot diefstal in vereniging, te verhogen met hetgeen art. 57 Sr bepaalt, niet overschreden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Tweede middel

Het tweede middel keert zich tegen de beslissing van het Hof dat verzoeker met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor het gehele schadebedrag, terwijl zijn aandeel als medeplichtige in de schade zeer beperkt en beduidend minder is dan dat van de daders.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de rechter de maatregel van schadevergoeding kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het Hof, dat terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid is uitgegaan, kon de betalingsverplichting van de verdachte bepalen op het toewijsbare gedeelte van het vastgestelde bedrag van de schade (vgl. HR 3 december 2002, LJN AE9053, NJ 2003/608).

Voor zover aan het middel de stelling ten grondslag ligt dat de bijdrage van een medeplichtige aan een overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de daders de grondslag kan vormen voor vergoeding van door die overval veroorzaakte schade, vindt het geen steun in het recht.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

HR: Oordeel hof, dat verdachte geen rechtens te respecteren belang bij het ingestelde hoger beroep nu het OM niet-ontvankelijk is verklaard, is niet onbegrijpelijk

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5516 Feiten

De Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 20 december 2007 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep gesteld dat het OM in eerste aanleg weliswaar terecht en op juiste gronden niet ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte, maar dat de rechtbank aan die beslissing tevens andere, destijds door de verdediging aangevoerde gronden ten grondslag had moeten leggen.

Die gronden behelsden onder meer  dat tegen de verdachte en de Hells Angels als organisatie nooit een redelijk vermoeden van schuld heeft bestaan dat de start van een onderzoek tegen hem, als lid van de Hells Angels, ten aanzien van de verdenking dat de Hells Angels een criminele organisatie vormden, rechtvaardigde noch dat de verdachte redelijkerwijs als verdachte van brandstichting en verboden wapenbezit kon worden aangemerkt. Uit het dossier dat aan deze strafzaak ten grondslag heeft gelegen valt, aldus de raadsman, evenmin enige legitimatie voor het onderzoek te ontlenen. Voorts is het dossier zeer onevenwichtig samengesteld en onbetrouwbaar. Ook vanwege deze verzuimen dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

Naar de mening van de raadsman houdt een niet-ontvankelijkheidsverklaring op de door hem aangevoerde gronden een principiëler en verdergaand oordeel in dan hetgeen door de rechtbank, hoe grootschalig ook, ten grondslag is gelegd aan haar niet-ontvankelijkheidbeslissing en is daarin het belang van het door verdachte ingestelde hoger beroep gelegen. De verdachte heeft er recht op te weten wat de aard en de gronden van de door het Openbaar Ministerie tegen hem ingebrachte beschuldigingen zijn geweest, aldus de raadsman.

Verdachte is vervolgens bij arrest van 30 november 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het Hof meent dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, mede gelet op het feit dat een onderzoek naar de legitimiteit van het strafvorderlijk handelen van politie en Openbaar Ministerie geen zelfstandig doel is van het strafproces.

Het Hof heeft het volgende overwogen: “Het hof stelt in dat verband vast dat de raadsman in hoger beroep wederom als oogmerk heeft het onderzoek ter terechtzitting te laten eindigen met een door het hof uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, echter niet enkel op de door de rechtbank aangegeven gronden, maar mede op de andere gronden die door hem in eerste aanleg en ter onderbouwing van het hoger beroep zijn aangevoerd. Niet wordt beoogd dat het hof in hoger beroep de ten laste gelegde feiten inhoudelijk zal behandelen.

De gronden die de raadsman mede aan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten grondslag legt, richten zich - kort en zakelijk weergegeven - in essentie op een beoordeling van de gang van zaken in het voorbereidend onderzoek bij het ontstaan van de verdenking tegen en bij de vervolgingsbeslissing jegens de verdachte. Het hof is van oordeel dat in beginsel in het kader van een strafzaak een nader onderzoek moet worden gedaan naar de gang van zaken in het voorbereidend onderzoek indien dat voor de uitkomst van de strafzaak van belang is, maar die situatie doet zich hier niet voor nu door de verdediging geen andere uitkomst dan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wordt beoogd."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, is juist. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval de verdachte om die reden in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de door de verdachte beoogde uitkomst van de zaak overeenkomt met de uitspraak van de Rechtbank.

Het middel faalt.

Conclusie AG

Silvis besteed in zijn conclusie uitgebreid aandacht aan de betekenis van ‘procesbelang’ als voorwaarde voor ontvankelijkheid.

Ook schetst de AG kort de achtergrond van het stranden van de vervolging van verdachte en andere leden van de Hells Angels in het Acroniemonderzoek. Daarna volgen citaten uit het proces-verbaal van de terechtzittingen en het arrest van het Hof in de onderhavige zaak. Ambtshalve wordt in verband daarmee de vraag gesteld of over de uitspraak van het Hof wel is beraadslaagd in de samenstelling van de kamer die het arrest heeft gewezen. Geconcludeerd wordt dat die beraadslaging geacht kan worden te hebben plaatsgevonden.

Vervolgens wordt een korte weergave ingelast van uitspraken over procesbelang en ontvankelijkheid van supranationale instanties als het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en in de (nationale) bestuursrechtspraak, in het civiele recht en in de strafrechtspraak. Die weergave dient als opmaat voor de bespreking van middel 2. Dat middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat verdachte bij het rechtsmiddel van hoger beroep geen procesbelang had. Het Hof heeft de beslissing behoorlijk gemotiveerd. Het middel berust bovendien deels op een onjuiste rechtsopvatting, aldus Silvis. De verdachte kan zijn gestelde belangen op andere wijzen zoeken. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

Aanvraag herziening, veroordeling ter zake van valsheid in geschrift

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX9478 Feiten

Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De aanvraag

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling.

De aanvrager voert daartoe aan dat niet de aanvrager, maar zijn broer, kentekenbewijzen heeft vervalst en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit.

Als bijlage is bij de aanvraag gevoegd de handgeschreven en door de broer op 20 april 2012 ondertekende verklaring, inhoudende: "Hierbij verklaar ik, geboren 1969, voor de zaak waar mijn broer voor veroordeeld is, is eigenlijk een zaak van mij. Ik heb dat gedaan in de tijd dat ik bang was dat ik mijn R.D.W. papieren kwijt zou raken, nu ik gehoord heb dat mijn broer die straf heb gehad, vind ik dat oneerlijk tegenover mijn broer, want ik dacht dat hij daar nooit zo voor veroordeeld kon worden papieren micra heb ik vervalst."

Beoordeling van de aanvraag

De aangevoerde omstandigheid kan niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor vermeld. De stelling waarop de aanvraag steunt, vindt onvoldoende steun in de onder weergegeven verklaring. Daarbij wordt in aanmerking genomen:

a. dat de tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van de broer inhoudt dat hij de Mercedes zonder kentekenbewijzen en met winst aan de aanvrager had verkocht, en dat de eveneens tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van de aanvrager inhoudt dat hij de kentekenbewijzen van de desbetreffende Mercedes heeft vervalst;

b. dat de aanvraag niets inhoudt omtrent de reden dat de aanvrager destijds deze (bekennende) verklaring heeft afgelegd;

c. dat, anders dan in de aanvraag wordt betoogd, de weergegeven verklaring geen ondersteuning oplevert van het door de raadsman van de aanvrager ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de aanvrager de schuld voor zijn broer op zich heeft genomen vanwege financiële motieven en/of vanwege diens gezinssituatie.

Hieruit vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is. De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^