HR: Medeplegen van oplichting, beroep op psychische overmacht

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX6734 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft geoordeeld dat het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde het strafbare feit medeplegen van oplichting oplevert, maar dat de verdachte niet strafbaar is. Het Hof heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing van de verdachte gelast in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

Kort gezegd komt het erop neer dat verdachte na de dood van zijn vader (20 jr. geleden) de gedachte had dat hij door de geest van zijn vader bezeten was. Verdachte is in 1996 in contact gekomen met een medium (betrokkene 2). Zij deed verdachte geloven dat ze in contact was met zijn overleden vader en dat zij verdachte kon helpen met alle problemen waarmee hij in zijn leven kampte, waaronder dan ook dat zij hem zou helpen zich te verlossen van de geest van zijn vader. Betrokkene 2 zou verdachte echter alleen kunnen helpen als hij al zijn geld aan haar overmaakte, puur om "de geest van zijn overleden vader tevreden te stellen". Als alle problemen opgelost zouden zijn, zou verdachte al het geld dat hij aan haar had overgemaakt, terugkrijgen.

Toen zijn eigen geld op was, diende verdachte anderen om geld te vragen. Nadat hij zelfs leningen had afgesloten om geld naar haar te kunnen overmaken, vroeg verdachte geld aan zijn moeder en later aan betrokkene 1. Betrokkene 2 vroeg om geld en gaf aan op welke wijze verdachte dat moest vergaren. Ook heeft betrokkene 2 zelf contact met betrokkene 1 gehad. Daarbij deed zij zich voor als juridisch adviseur. Betrokkene 1 maakte, aldus verdachte, ook zelf geld over naar betrokkene 2.

Betrokkene 2 bleek deel uit te maken van een in de Verenigde Staten bekende bende van "psychic swindlers". Vanuit alleen al Nederland blijken tussen 1999 en 2004 twintig personen geld naar betrokkene 2 overgemaakt te hebben (in totaal ongeveer € 1000.000,-).

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende aangevoerd:

"Strafbaarheid verdachte. De druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende bestond eruit dat zij beweerde dat er hele ernstige dingen zouden gebeuren in het leven van verdachte en zijn naasten als hij niet aan haar verzoek om geld voldeed. Als hij wel voldeed, zou het allemaal goed gaan.

Het ten laste gelegde is een direct gevolg van de druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende. Het is zonneklaar dat verdachte geheel onder de invloed van betrokkene 2 stond. De NIFP deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake zou zijn van een waanstoornis, te weten een beïnvloedingswaan: hij is ervan overtuigd dat hij faalt doordat vader hem beïnvloedt. Beide deskundigen concluderen dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat eerst de vraag naar de psychische overmacht beantwoord dient te worden, voordat de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid aan de orde komt. Immers, bij psychische overmacht gaat het om een ongewone psychische toestand, veroorzaakt door externe omstandigheden. Als iemand (tevens) een ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft, kan die omstandigheid op zichzelf geen zelfstandige betekenis hebben voor het oordeel over de overmacht. Niet ten gunste en niet ten nadele. Als dus psychische overmacht kan worden aangenomen, is de eventuele ziekelijke stoornis juridisch irrelevant.

Verdachte handelde bij het ten laste gelegde onder een van buiten komende, psychische dwang, waar het zich aan onttrekken het gemiddelde weerstandsvermogen van de mens onder dezelfde omstandigheden zou overstijgen. Weerstand bieden was redelijkerwijs niet mogelijk. Het gaat om een sociaal-ethische afweging; wat zou een ander onder dezelfde soort omstandigheden doen? Uiteraard speelt bij de beantwoording van die vraag de persoon van de dader een rol, met andere woorden: "dezelfde soort omstandigheden" betekent ook: in dezelfde psychische toestand. Een combinatie van externe en inwendige factoren sluit psychische overmacht niet uit, zolang het zwaartepunt ligt op de van buiten komende factoren.

De centrale vraag is dan of verdachte betrokkene 1 heeft bewogen tot afgifte van geld, vooral door zijn waanstoornis, of door vooral de druk die betrokkene 2 op hem uitoefende? Naar de mening van de verdediging is in casu de druk die van betrokkene 2 uitging van meer belang geweest op het ten laste gelegde handelen dan de eventuele waan. Verdachte kwam bij betrokkene 2 om zijn probleem, zo u wilt, de waan, op te lossen. Zij heeft echter misbruik gemaakt van de problemen van verdachte en hem zwaar onder druk gezet, waardoor hij uiteindelijk betrokkene 1 geld afhandig heeft gemaakt.

Aan het uiteindelijke delict is echter veel vooraf gegaan. Eerst heeft verdachte zoals gezegd zijn eigen geld aan betrokkene 2 overgemaakt en leningen afgesloten. Zoals verdachte zelf verklaarde heeft hij lang geprobeerd zich ertegen te verzetten geld van anderen (waaronder zijn eigen moeder) te vragen maar, zo verklaart hij zelf: "het was een hele zware druk". Het uiteindelijk bewegen van betrokkene 1 tot afgifte van geld staat in een veel te ver verwijderd verband met de waan. Een direct causaal verband is echter aanwezig met de druk vanuit betrokkene 2.

Betrokkene 2 heeft de eventuele waan van verdachte misbruikt als middel om haar doel te bereiken en om verdachte meer onder druk te zetten. Zonder de waan was het delict wellicht ook wel gepleegd, gezien het feit dat veel meer mensen in de oplichtingpraktijken van betrokkene 2 zijn getrapt. Op hen allen zal door haar forse psychische druk zijn uitgeoefend. Onwaarschijnlijker lijkt dat allen aan een waanstoornis lijden. Nogmaals: zonder de waan zou het delict mogelijk ook zijn gepleegd. Zonder de druk van betrokkene 2 was het feit echter nooit gepleegd. Het directe causaal verband tussen de eventuele waan en het delict ontbreekt dan ook.

Conclusie: Ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht."

Het bestreden arrest houdt, onder het hoofd "strafbaarheid van de verdachte" het volgende in: "Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat de gedragingen van verdachte, zoals verwoord in de bewezenverklaring, voortkwamen vanuit een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis, maar dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.”

Het hof neemt de conclusie van deskundigen wat betreft de toerekenbaarheid over, maakt deze tot de zijne en komt tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen niet aan verdachte kan worden toegerekend, als gevolg waarvan hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Middel

Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het beroep op psychische overmacht. Betoogd wordt dat het Hof niet naar behoren heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende "een beroep op psychische overmacht in verband met de door een derde -en dus van buitenkomende- op verzoeker uitgeoefende drang."

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge art. 358, derde lid, Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3). In zoverre faalt het middel.

Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis en dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd in het licht van het aangevoerde en de door het Hof overgenomen conclusie van de deskundigen.

Het middel faalt.

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF