Aanvraag herziening, veroordeling ter zake van valsheid in geschrift

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX9478 Feiten

Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De aanvraag

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling.

De aanvrager voert daartoe aan dat niet de aanvrager, maar zijn broer, kentekenbewijzen heeft vervalst en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit.

Als bijlage is bij de aanvraag gevoegd de handgeschreven en door de broer op 20 april 2012 ondertekende verklaring, inhoudende: "Hierbij verklaar ik, geboren 1969, voor de zaak waar mijn broer voor veroordeeld is, is eigenlijk een zaak van mij. Ik heb dat gedaan in de tijd dat ik bang was dat ik mijn R.D.W. papieren kwijt zou raken, nu ik gehoord heb dat mijn broer die straf heb gehad, vind ik dat oneerlijk tegenover mijn broer, want ik dacht dat hij daar nooit zo voor veroordeeld kon worden papieren micra heb ik vervalst."

Beoordeling van de aanvraag

De aangevoerde omstandigheid kan niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor vermeld. De stelling waarop de aanvraag steunt, vindt onvoldoende steun in de onder weergegeven verklaring. Daarbij wordt in aanmerking genomen:

a. dat de tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van de broer inhoudt dat hij de Mercedes zonder kentekenbewijzen en met winst aan de aanvrager had verkocht, en dat de eveneens tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van de aanvrager inhoudt dat hij de kentekenbewijzen van de desbetreffende Mercedes heeft vervalst;

b. dat de aanvraag niets inhoudt omtrent de reden dat de aanvrager destijds deze (bekennende) verklaring heeft afgelegd;

c. dat, anders dan in de aanvraag wordt betoogd, de weergegeven verklaring geen ondersteuning oplevert van het door de raadsman van de aanvrager ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de aanvrager de schuld voor zijn broer op zich heeft genomen vanwege financiële motieven en/of vanwege diens gezinssituatie.

Hieruit vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is. De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF