HR: Oordeel hof, dat verdachte geen rechtens te respecteren belang bij het ingestelde hoger beroep nu het OM niet-ontvankelijk is verklaard, is niet onbegrijpelijk

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5516 Feiten

De Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 20 december 2007 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep gesteld dat het OM in eerste aanleg weliswaar terecht en op juiste gronden niet ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte, maar dat de rechtbank aan die beslissing tevens andere, destijds door de verdediging aangevoerde gronden ten grondslag had moeten leggen.

Die gronden behelsden onder meer  dat tegen de verdachte en de Hells Angels als organisatie nooit een redelijk vermoeden van schuld heeft bestaan dat de start van een onderzoek tegen hem, als lid van de Hells Angels, ten aanzien van de verdenking dat de Hells Angels een criminele organisatie vormden, rechtvaardigde noch dat de verdachte redelijkerwijs als verdachte van brandstichting en verboden wapenbezit kon worden aangemerkt. Uit het dossier dat aan deze strafzaak ten grondslag heeft gelegen valt, aldus de raadsman, evenmin enige legitimatie voor het onderzoek te ontlenen. Voorts is het dossier zeer onevenwichtig samengesteld en onbetrouwbaar. Ook vanwege deze verzuimen dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

Naar de mening van de raadsman houdt een niet-ontvankelijkheidsverklaring op de door hem aangevoerde gronden een principiëler en verdergaand oordeel in dan hetgeen door de rechtbank, hoe grootschalig ook, ten grondslag is gelegd aan haar niet-ontvankelijkheidbeslissing en is daarin het belang van het door verdachte ingestelde hoger beroep gelegen. De verdachte heeft er recht op te weten wat de aard en de gronden van de door het Openbaar Ministerie tegen hem ingebrachte beschuldigingen zijn geweest, aldus de raadsman.

Verdachte is vervolgens bij arrest van 30 november 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het Hof meent dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, mede gelet op het feit dat een onderzoek naar de legitimiteit van het strafvorderlijk handelen van politie en Openbaar Ministerie geen zelfstandig doel is van het strafproces.

Het Hof heeft het volgende overwogen: “Het hof stelt in dat verband vast dat de raadsman in hoger beroep wederom als oogmerk heeft het onderzoek ter terechtzitting te laten eindigen met een door het hof uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, echter niet enkel op de door de rechtbank aangegeven gronden, maar mede op de andere gronden die door hem in eerste aanleg en ter onderbouwing van het hoger beroep zijn aangevoerd. Niet wordt beoogd dat het hof in hoger beroep de ten laste gelegde feiten inhoudelijk zal behandelen.

De gronden die de raadsman mede aan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten grondslag legt, richten zich - kort en zakelijk weergegeven - in essentie op een beoordeling van de gang van zaken in het voorbereidend onderzoek bij het ontstaan van de verdenking tegen en bij de vervolgingsbeslissing jegens de verdachte. Het hof is van oordeel dat in beginsel in het kader van een strafzaak een nader onderzoek moet worden gedaan naar de gang van zaken in het voorbereidend onderzoek indien dat voor de uitkomst van de strafzaak van belang is, maar die situatie doet zich hier niet voor nu door de verdediging geen andere uitkomst dan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wordt beoogd."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, is juist. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval de verdachte om die reden in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de door de verdachte beoogde uitkomst van de zaak overeenkomt met de uitspraak van de Rechtbank.

Het middel faalt.

Conclusie AG

Silvis besteed in zijn conclusie uitgebreid aandacht aan de betekenis van ‘procesbelang’ als voorwaarde voor ontvankelijkheid.

Ook schetst de AG kort de achtergrond van het stranden van de vervolging van verdachte en andere leden van de Hells Angels in het Acroniemonderzoek. Daarna volgen citaten uit het proces-verbaal van de terechtzittingen en het arrest van het Hof in de onderhavige zaak. Ambtshalve wordt in verband daarmee de vraag gesteld of over de uitspraak van het Hof wel is beraadslaagd in de samenstelling van de kamer die het arrest heeft gewezen. Geconcludeerd wordt dat die beraadslaging geacht kan worden te hebben plaatsgevonden.

Vervolgens wordt een korte weergave ingelast van uitspraken over procesbelang en ontvankelijkheid van supranationale instanties als het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en in de (nationale) bestuursrechtspraak, in het civiele recht en in de strafrechtspraak. Die weergave dient als opmaat voor de bespreking van middel 2. Dat middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat verdachte bij het rechtsmiddel van hoger beroep geen procesbelang had. Het Hof heeft de beslissing behoorlijk gemotiveerd. Het middel berust bovendien deels op een onjuiste rechtsopvatting, aldus Silvis. De verdachte kan zijn gestelde belangen op andere wijzen zoeken. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF