Verwerping verweer n-o OM wegens schending art. 255.1 en 3 Sv.

HR 11 september 2012, LJN BX4490 Feiten

Verdachte is vervolgd voor doodslag. Deze is echter onvindbaar, waarop het OM besluit tot niet verdere vervolging. Het is daarbij niet duidelijk of verdachte op enige manier kennis heeft kunnen nemen van de kennisgeving tot niet verdere vervolging.
Op 10 februari 2000 is verdachte aangehouden, kennelijk op grond van het in 1995 uitgevaardigde internationale signalement. Op 10 februari 2000 is verdachte door de politie gehoord in afwezigheid van een raadsman/raadsvrouw. De verdachte heeft tijdens dit verhoor het feit bekend. Op 11 februari 2000 is verdachte voorgeleid aan de RC. Deze heeft de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht en op vordering van de OvJ de inbewaringstelling van verdachte bevolen. Verdachte heeft bij het verhoor door de RC, in bijzijn van zijn raadsman, verklaard te blijven bij zijn bij de politie afgelegde bekennende verklaring.
Het hof oordeelt dat de inhoud van de kennisgeving tot niet verdere vervolging niet van dien aard was, dat de verdachte er een gerechtvaardigd vertrouwen uit kon ontlenen dat hij niet meer zou kunnen worden aangehouden voor hetzelfde feit. Het Openbaar Ministerie mocht dus doorgaan met de opsporingsbevoegdheden, waaronder de internationale signalering.

Het middel klaagt dat:

  • Het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Officier van Justitie niet gehouden was om na het doen uitgaan van de kennisgeving van niet verdere vervolging in 1999, welke was gegrond op de omstandigheid dat de verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten, de in 1995 gedane internationale signalering van de verdachte in te trekken.
Hoge Raad: Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht faalt.

  • Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waardoor de verdachte weer 'in rechten wordt betrokken', zodat art. 255, eerste lid, Sv niet aan de orde is.

Hoge Raad: Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 255 lid 1 Sv. De klacht kan niet tot cassatie leiden.

  • Het middel klaagt tot slot over 's Hofs oordeel inzake de niet-naleving van art. 255, derde lid, Sv, inhoudende dat de verdachte niet ter terechtzitting kan worden gedagvaard dan na een ter zake van de nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.

Hoge Raad: 's Hofs oordeel dat en waarom de verdachte niet lichtvaardig alsnog ter terechtzitting is gedagvaard, zodat aan de strekking van genoemd voorschrift niet is tekortgedaan, en dat het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Conclusie AG Vegter
Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. Allereerst wordt er geklaagd over de constatering van het hof dat de raadsvrouw op geen van de terechtzittingen een beroep op nietigverklaring van de oproeping heeft gevoerd. Daarbij wordt aangevoerd dat er een onjuiste weergave is van het proces-verbaal die later is toegevoegd. Het hof ziet terecht geen aanleiding om te oordelen dat er een onjuiste weergave is, nu het getekend is door de voorzitter van de rechtbank en omdat de feiten overeenkomen met de schriftelijke aantekeningen van de griffier ter zitting.
Ten tweede klaagt het middel over de vaststelling van het hof dat de verdachte niet is geschaad in zijn belangen, nu in de oproeping naar de terechtzitting van 8 augustus 2000 werd verwezen, in plaats van de juiste terechtzitting van 31 oktober 2000. Er is daarbij niet voldoende gesteld dat de verdachte in enig belang is geschaad.
Het tweede middel klaagt over de verwerping van het hof over het verweer welke strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie.
Nu de internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling louter opsporingshandelingen betreffen is het bepaalde in lid 1 van artikel 255 niet aan de orde. Verdachte legde bij zijn inverzekeringstelling een bekentenis af waardoor er nieuwe bezwaren kwamen, op grond waarvan hij opnieuw in rechten kon worden betrokken. Deze nieuwe bezwaren zijn niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen.
Lid 3 van artikel 255 strekt tot waarborg dat de verdachte niet te lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Uiteindelijk is het aan de rechter of er sprake is van nieuwe bezwaren. Bij deze beoordeling spelen de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek mee. Er is in de onderhavige zaak geen gerechtelijk vooronderzoek geweest, maar de RC was op de hoogte van de tevoren gesloten gerechtelijk vooronderzoek. Een inbewaringstelling kan alleen worden ingesteld indien er sprake is van ernstige bezwaren. Hieruit volgt dat er niet gezegd kan worden dat aan de strekking van lid 3 van artikel 255 geen recht is gedaan.
Zelfs indien er vast zou komen te staan dat er geen gerechtelijk vooronderzoek had plaatsgevonden en ook niet aan de strekking van artikel 255 lid 3 was voldaan, dan moet vervolgens worden beoordeeld welke gevolgen aan dit verzuim worden verbonden. De bekentenis van de dader vormt een grote mate van daderwetenschap. Het is niet denkbaar dat de latere zittingsrechter zou oordelen dat er geen sprake zou zijn geweest van nieuwe bezwaren.
Beide middelen falen.
Door Annoeska Rubbens
Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde partij. Kosten rechtsbijstand. Liquidatietarief.

HR 11 september 2012, LJN BX4442

Feiten
Het hof acht voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 29.165,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
 
Benadeelde heeft € 1.963,97 gevorderd voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank stond een bedrag tot maximaal € 410,- toe, het hof wijst maximaal € 579,- toe. Het hof heeft dit gebaseerd op het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven in plaats van voor kantonzaken voor de vaststelling van de vergoeding. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden waarom hiervan afgeweken zou moeten worden.

Het middel

Het middel klaagt dat het Hof aan de benadeelde partij een bedrag, althans een hoger bedrag dan in eerste aanleg was toegekend, heeft toegewezen als vergoeding voor kosten voor rechtsbijstand, althans dat die beslissing tot toewijzing ontoereikend is gemotiveerd.

Oordeel HR


Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten, staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, LJN ZD1786, NJ 2000/413). De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. HR 22 mei 1935, NJ 1936/1064 en HR 29 mei 2001, LJN AB1819, NJ 2002/123).

Door Annoeska Rubbens
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing getuigenverzoeken. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen met betrekking tot vereisten voor opgave van getuigen of deskundigen als bedoeld in art. 410 lid 3 Sv en de beperkte toetsing door de Hoge Raad van het oordeel of sprake is van een dergelijke opgave.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4150


Het middel klaagt onder meer dat het Hof het verzoek tot het horen van getuige 4 en betrokkene 9 als getuigen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

De raadsvrouwe heeft bij appelschriftuur van 6 augustus 2008 de volgende personen als getuigen opgegeven: "Alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting en de aanvulling van het verkorte vonnis zullen namens appellant de wensen omtrent de te horen getuigen nader worden gepreciseerd."

Vervolgens heeft raadsvrouwe op 17 maart 2009 een brief aan het Hof gezonden inzake een verzoek tot het oproepen van getuigen. Deze brief houdt onder meer in:
"[Getuige 4]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt.
[Betrokkene 9]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt. [Betrokkene 10] verklaart over haar bij de politie op 14 augustus 2007 bladzijde 016864."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2009 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Voor wat betreft het horen van getuigen verwijs ik naar mijn brief van 16 maart jongstleden. (...)
[Getuige 4] is nog niet eerder gehoord.
De getuige "[betrokkene 9]". Deze vrouw wordt genoemd in de verklaring van [betrokkene 10]. Over de identiteit van deze [betrokkene 9] heb ik geen verdere gegevens. Mogelijk is dit via de politie Utrecht te achterhalen omdat de vrouwen die werkten aan het Zandpad geregistreerd stonden bij de politie."

Het Hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen afgewezen en daartoe het volgende overwogen: "Met betrekking tot de gevraagde getuige [getuige 4] is het hof van oordeel dat de motivering van het verzoek haar nader te horen onvoldoende concreet is, in het bijzonder wat betreft de vraagstelling. Het enkele feit dat deze getuige heeft verklaard dat [betrokkene 10] in Vinkeveen heeft gewoond en in Utrecht heeft gewerkt is onvoldoende om haar nader te horen. Hetzelfde geldt voor "[betrokkene 9]", van wie bovendien geen nadere personalia bekend zijn. De verzoeken worden afgewezen, nu het horen niet van belang is voor enige te nemen beslissing."
 
Hoge Raad

In art. 410, derde lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede lid, Sv ligt als vereiste besloten dat de daar bedoelde opgave van getuigen of deskundigen voldoende stellig en duidelijk als zodanig in de appelschriftuur moet zijn vermeld. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur zo'n opgave van getuigen of deskundigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv bevat, is aan het Hof. Zijn oordeel dienaangaande kan als steunend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg der gedingstukken, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9036).

Het Hof heeft kennelijk de bij appelschriftuur gedane opgave van "alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt" niet aangemerkt als een verzoek tot oproeping van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, zodat in gevolge art. 418, derde lid, Sv de noodzaak tot het horen van de getuigen de voor de beslissing toepasselijke maatstaf is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat de aanvullende brief waarin wordt verzocht om [getuige 4] en '[betrokkene 9]' als getuigen op te roepen dit niet anders maakt.

Voorts heeft het Hof de aanvullende brief kennelijk niet aangemerkt als een overeenkomstig art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv gedaan verzoek tot oproeping. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn en bij de juiste instantie is ingediend. 's Hofs afwijzing van het gedane verzoek getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde, gelet op hetgeen door de verdediging daaraan ten grondslag is gelegd, geen nadere motivering.

De klacht faalt.
 

Print Friendly and PDF ^

Zonder instemming van verdachte horen van getuigen door één van de leden van het Hof als Rh-C die nadien aan het onderzoek ttz. heeft deelgenomen.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4295

Het Gerechtshof Amsterdam heeft veroordeeld verdachte wegens 1. mensenhandel, 2B. medeplegen van mishandeling, 3. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is en wegens 4A en 4B voortgezette handeling van: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
 
Middel

Het middel klaagt dat een aantal getuigenverhoren hebben plaatsgevonden door één van de leden van het Hof als raadsheer-commissaris, zonder dat de verdachte daarmee heeft ingestemd.

Hoge Raad

Op grond van art. 316, tweede lid, Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, is de rechtbank bevoegd om, indien het openbaar ministerie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de zaak oordelen, als rechter-commissaris aan te wijzen met het oog op het horen van getuigen of deskundigen. Deze kan vervolgens - behoudens in het in voormeld artikellid genoemde geval - aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat die instemming stilzwijgend kan worden gegeven en dat zij kan worden afgeleid uit de proceshouding die partijen hebben aangenomen na de aanwijzing van de rechter-commissaris.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2009 waar de behandeling van de zaak na het tussenarrest van 6 april 2009 is voortgezet noch enig ander tot het strafdossier behorend stuk iets inhoudt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat door of namens de verdachte niet is ingestemd met de in dat tussenarrest vervatte aanwijzing, klaagt het middel tevergeefs dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt.

Het middel faalt.

 

Print Friendly and PDF ^

Stempelvonnis ex art. 378a Sv en het verlenen van verlof ex art. 410a Sv. Uitgebreide conclusie AG.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4472

Feiten
De verdachte is door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een geldboete van € 150,- en subsidiair 3 dagen hechtenis.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar met een beroep op de beslissing van het VN-Mensenrechtencomité nr. 1797/2008 van 30 juli 2010 aangevoerd dat, op straffe van schending van art. 14, vijfde lid, IVBPR, het dossier diende te worden aangevuld met een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en dat, indien dit onmogelijk zou blijken te zijn, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig behoorde te worden verklaard, met terugwijzing van de zaak naar de Politierechter.

Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen en beslist: "Het hof is van oordeel dat de kritiek van het Mensenrechtencomité enkel ziet op het verlofstelsel en de omstandigheid dat men bij het niet verlenen van verlof een tweede instantie mist. In casu is wel verlof verleend en is de zaak opnieuw feitelijk aan de orde. Indien het hof het verweer van de raadsman zou volgen, betekent dit dat de door de wet geboden mogelijkheid van het wijzen van een stempelvonnis niet door de beugel zou kunnen. Zo ruim interpreteert het hof de uitspraak niet. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. In de eerste plaats ziet het hof geen aanleiding tot het opvragen van een uitgewerkt proces-verbaal van de zitting en een uitgewerkt vonnis, zodat er geen reden is voor terugwijzing naar de politierechter.

Middel

Het middel klaagt primair dat het hof in hoger beroep ten gronde heeft rechtgedaan zonder te kunnen beschikken over een uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal van de zitting waarop de zaak in eerste aanleg inhoudelijk werd behandeld.

Hoge Raad

's Hofs oordeel geeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De primaire klacht faalt derhalve.

Subsidiair klaagt het middel dat "het hof ten onrechte het namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat primair strekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de stukken aan te vullen met een uitgewerkt vonnis en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en subsidiair strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, heeft verworpen, althans het hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen".

De klacht miskent dat indien in eerste aanleg toepassing is gegeven aan art. 378a Sv op grond van art. 422, tweede lid, Sv de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv alleen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep plaatsvindt (vgl. HR 27 januari 1987, LJN AC9693, NJ 1987/886), zoals te dezen blijkens het bestreden arrest is geschied.

In aanmerking genomen voorts dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de Politierechter (vgl. HR 7 mei 1996, LJN ZD0442, NJ 1996/557), faalt ook de subsidiaire klacht.


Advocaat-generaal Vegter gaat nog uitgebreid in op het verlofstelsel en in dat kader het EVRM, IVBPR en Human Rights Committee.
Print Friendly and PDF ^