Salduz, vormverzuim, strafvermindering, detentie uit anderen hoofde.

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW9264

Samenvatting

Het hof heft vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim en heft strafvermindering toegepast. Het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval t.a.v. verdachte die uit anderen hoofde van zijn vrijheid is beroofd de Salduz-regel van toepassing is geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat berust erop dat een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte t.a.v. wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zich in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt. Wat betreft het aan dit vormverzuim te verbinden gevolg heeft het hof miskend dat er geen plaats meer is voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van art. 359a lid 2 Sv indien de in LJN BH3079 genoemde uitzonderingen zich niet voordoen.


Gerechtshof

Het hof heeft overwogen dat bin het onderhavige geval de Salduz-jurisprudentie van toepassing is en dat de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van zijn verhoor ter zake van de onder 3 en 5 ten laste gelegde feiten hiervoor niet was aangehouden, maar uit anderen hoofde was gedetineerd, daar niet aan afdoet. Het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor de gelegenheid is geboden met een raadsman te overleggen, noch dat hem op zijn consultatierecht is gewezen en dat evenmin is komen vast te staan dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dit recht. Het hof heeft geoordeeld dat inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op rechtsbijstand en dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Na een afweging van de omstandigheden van het geval kiest het hof voor strafvermindering ter compensatie van het geconstateerde vormverzuim in plaats van de door de verdediging bepleite bewijsuitsluiting. Over dit oordeel wordt in cassatie geklaagd.

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de overwegingen uit het arrest van 30 juni 2009 (LJN BH3079): indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel – behoudens ion het geval de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te bespreken – dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.


Uit dit arrest volgt dat een dergelijk verzuim – behoudens de twee hiervoor genoemde uitzonderingen – zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor dan zal de desbetreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt en is er geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van art. 359a Sv.

Het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim. Daarbij heeft het hof overwogen dat de verdachte ten tijde van zijn verhoor ter zake van de onder 3 en 5 ten laste gelegde feiten hiervoor niet was aangehouden, maar kennelijk uit anderen hoofde gedetineerd was. Het oordeel van het hof dat op de verdachte die uit anderen hoofde van zijn vrijheid is beroofd de hiervoor geformuleerde regel van toepassing is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat berust op een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte ten aanzien van wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zich in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt. Wat betref het aan dit vormverzuim te verbinden gevolg heeft het hof echter hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aan dit vormverzuim te verbinden gevolg miskend.

Het middel slaagt.

Conclusie Advocaat-generaal Knigge


Hoewel het middel niet klaagt over het oordeel van het hof dat de Salduz-jurisprudentie ook van toepassing is op het geval, als het onderhavige, waarin de verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd, gaat Knigge toch in op de vraag of dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

In de Salduz-rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad gaat het tot nu toe steeds om verdachten die worden verhoord in het kader van een onderzoek naar de feiten waarvoor zij zijn aangehouden. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat alleen verdachte die zijn aangehouden de gelegenheid moet worden geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. In het gedachtegoed van het EHRM zal het, aldus Knigge, moeten gaan om een zodanig vorm van vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking dat het voor de verdachte niet mogelijk zich aan het verhoor te onttrekken (Zaichenko tegen Rusland: “significant curtailment of the suspect’s freedom of action). In het arrest van 9 november 2010 (LJN BN7727) oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting dat de ten aanzien van de aangehouden verdachte geformuleerde regel zonder meer ook geldt als het gaat om een niet-aangehouden verdachte, onjuist is. De invoeging van de woorden zonder meer wijst erop dat (bijzondere) omstandigheden kunnen meebrengen dat de regel wel geldt ook al gaat het niet om een aangehouden verdachte. In diezelfde richting wijst HR 7 februari 2012, LJN BU6908. Hieruit leidt Knigge af dat voor de Hoge Raad uiteindelijk niet beslissend is of de verdachte s aangehouden, maar of hij van zijn vrijheid is beroofd.

De vraag die dan in dit verband gesteld kan worden, is wanneer sprake is van detentie uit anderen hoofde. Het enkele feit dat de verdachte (ook) wordt ondervraagd over een feit dat niet in het bevel ophouden staat vermeld, betekent nog niet dat de ondervraging niet door dat bevel gedekt wordt. De gedachte is kennelijk dat de verdachte voorafgaande aan het verhoor een raadsman heeft kunnen consulteren en dat die consultatie zich ook heeft uitgestrekt (of althans had dienen uit te strekken) tot de eventuele connexe feiten waarmee de politie de verdachte confronteert. Knigge acht die gedachte juist.

Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat de Salduz-jurisprudentie in dit geval van toepassing is, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Print Friendly and PDF ^

Milieuzaak, slagende bewijsklacht

Hoge Raad 26 juni 2012, LJN BW9197

Het Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte als een persoon, als bedoeld in art. 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39, eerste lid, onder a en b Wm werden verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met (1) een duwbak, de Navin 3103, met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading en de handtekeningen van de afzender, ontdoener en/of transporteur ontbraken, en (2) een duwbak, de Navin 3029, welke in het geheel niet vergezeld ging van een begeleidingsbrief.
Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte het voorschrift van art. 10.40, tweede lid, Wm niet heeft nageleefd door baggerslib in ontvangst te nemen dat werd aangeleverd met een duwbak, de Navin 3029, zonder dat deze vergezeld ging van een begeleidingsbrief, alsmede door baggerslib in ontvangst te nemen dat werd aangeleverd met een duwbak, de Navin 3103, terwijl deze vergezeld ging van een onvolledig ingevulde begeleidingsbrief, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de bewijsvoering van het Hof, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem.

Print Friendly and PDF ^

Overgangsrecht bij afdoening door middel van (het nieuwe) art. 80a Rv

Met ingang van 1 juli is de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) in werking getreden.

Onlangs verschenen er drie conclusies van de advocaten-generaal van de strafsector bij de Hoge (Knigge, Machielse en Vellinga) over nieuwe bepaling art. 80a Rv, welke de Hoge Raad de mogelijkheid geeft om het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De conclusies gaan in op de nieuwe wijze van afdoening van cassatiezaken waaronder (de invulling van) de criteria voor toepassing van artikel 80a RO en over het overgangsrecht bij dit artikel.

Print Friendly and PDF ^

Herziening Vuurwerkramp Enschede

Hoge Raad 26 juni 2012, LJN BW9301
De aanvrage hierziening steunt op een drietal gronden:

1) Als eerste omstandigheid wordt aangevoerd dat de Officier van Justitie die optrad als leider van het opsporingsonderzoek op 7 december 2001 schriftelijk opdracht heeft gegeven tot het vernietigen van alle ongeveer 80.000 tapgesprekken die in het jaar 2000 zijn opgenomen in het kader van het onderzoek naar de vuurwerkramp. Ter staving van deze stelling doet de aanvrage een beroep op een faxbericht van 7 december 2001 van bedoelde Officier van Justitie, inhoudende: "Hierbij bevestig ik schriftelijk hetgeen ik gisteren en hedenmorgen met u besproken heb. Op 06.12 heb ik u in uw hoedanigheid van dagelijks leider van het Tolteam de opdracht gegeven om de data op de optical disks, betreffende de afgeluisterde telefoongesprekken met geheimhouders in de strafzaken tegen de verdachten (...) en (...) te vernietigen.
Vervolgens heb ik vandaag, 7 december 2001, aan u de opdracht gegeven om de optical disks van alle in het jaar 2000 in het kader van het onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede afgeluisterde telefoongesprekken te vernietigen."

Volgens de aanvrage wordt aldus het ernstige vermoeden gewekt dat, ware de feitenrechter met deze opdracht bekend geweest, dit zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

De aanvrage stelt voorts dat de Officier van Justitie aldus heeft verhinderd "dat de inhoud van de uitgewerkte tapgesprekken deel zou hebben kunnen uitmaken van het procesdossier, waar dit op grond van het relevantiecriterium wel had gemoeten, en hierdoor kennisneming van de inhoud door rechtbank, hof en verdediging eveneens onmogelijk is gemaakt". Dit gevolg wekt volgens de aanvrage eveneens het ernstige vermoeden dat - ware de feitenrechter daarmee bekend geweest - het zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

2) Als tweede omstandigheid wordt naar voren gebracht dat uit het rapport van BIZ van 16 november 2003 blijkt dat "binnen het strafrechtelijk onderzoek, uitgevoerd door het TOLteam een opeenstapeling van (vorm)verzuimen en onrechtmatig, dan wel onzorgvuldig handelen heeft plaatsgevonden, waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen" en dat nu "het opsporingsonderzoek door dezelfde rechercheurs, leidinggevenden en onder leiding van dezelfde officier van justitie heeft plaatsgevonden, [niet valt] uit te sluiten dat door de geconstateerde (vorm)verzuimen en het bewust onrechtmatig handelen in het opsporingsonderzoek jegens verdachte A. de V. ook het recht van verzoeker op een eerlijk proces is geschonden".

3) Als derde omstandigheid wordt aangevoerd dat ook uit de brief van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], leidinggevenden van het BIZ-team, van 27 september 2005 aan de "Vaste Kamer Commissie Justitie" blijkt "dat er zich binnen het strafrechtelijk onderzoek door het TOLteam vormverzuimen, onzorgvuldigheden en onrechtmatigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan de waarheidsvinding in het geding is gekomen" en dat daardoor "het ernstige vermoeden (is) gewekt dat, ware het de feitenrechter bekend geweest, dit zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie".

 
Het aangevoerde kan niet het ernstig vermoeden wekken dat, ware het Hof met de genoemde omstandigheden bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvrage en de daarin gedane verzoeken af.
Print Friendly and PDF ^

Schuld en roekeloosheid in het verkeer

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW4254

Een taxichauffeur rijdt in de nacht van 17 januari 2008 te Amsterdam een voetganger aan. Deze loopt als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel op, te weten hersenletsel en een gebroken onderbeen.

Het Hof acht bewezen dat er in strijd met art. 6 en 175 WVW is gehandeld en stelt dat de taxichauffeur zich roekeloos heeft gedragen waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dit roekeloze gedrag zou blijken uit het feit dat hij met hoge snelheid reed, het donker was, het wegdek vochtig, hij op de tram/busbaan reed (zonder ontheffing) en hij de verkeerssituatie ter plaatse goed kende. Daarbij had de taxichauffeur bij nadering van de betreffende kruising een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats waargenomen, maar heeft zich er bij het oversteken van die kruising niet van vergewist en niet van blijven vergewissen dat die voetganger wilde oversteken. De taxichauffeur heeft hierna niet tijdig en niet voldoende afgeremd waarna hij tegen de voetganger is aangereden.

In cassatie wordt geklaagd over het feit dat bewezen is verklaard dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen, zonder dat dit nader gemotiveerd is.
De Hoge Raad heeft bij de beoordeling van het middel aansluiting gezocht bij haar eerdere rechtspraak en stelt allereerst dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Volgens de Hoge raad komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.  
Met betrekking tot de schuldvorm ‘roekeloosheid’ merkt de Hoge Raad op dat deze wordt aangemerkt als de zwaarste vorm van het culpose delict en dat de rechter mede daarom moet motiveren waarom er sprake is van roekeloosheid. De Hoge Raad concludeert uiteindelijk dat het Hof tekort is geschoten in deze motivering. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte in de hoedanigheid van beroeps(taxi)chauffeur 's nachts op een nat wegdek met onbelemmerd zicht met een veel te hoge snelheid en zonder ontheffing heeft gereden op de trambaan, dat de verdachte op de hoogte was van de daar geldende lagere maximumsnelheid en het gevaar van de langere remweg op de tramrails, en voorts dat de verdachte de voetganger heeft gezien maar heeft gedacht dat deze een andere kant op zou gaan en vervolgens die voetganger - terwijl deze de rijbaan reeds was overgestoken ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats en doende was de trambaan over te steken - heeft aangereden, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte "zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

Nicole Priems
Print Friendly and PDF ^