Schuld en roekeloosheid in het verkeer

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW4254

Een taxichauffeur rijdt in de nacht van 17 januari 2008 te Amsterdam een voetganger aan. Deze loopt als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel op, te weten hersenletsel en een gebroken onderbeen.

Het Hof acht bewezen dat er in strijd met art. 6 en 175 WVW is gehandeld en stelt dat de taxichauffeur zich roekeloos heeft gedragen waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dit roekeloze gedrag zou blijken uit het feit dat hij met hoge snelheid reed, het donker was, het wegdek vochtig, hij op de tram/busbaan reed (zonder ontheffing) en hij de verkeerssituatie ter plaatse goed kende. Daarbij had de taxichauffeur bij nadering van de betreffende kruising een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats waargenomen, maar heeft zich er bij het oversteken van die kruising niet van vergewist en niet van blijven vergewissen dat die voetganger wilde oversteken. De taxichauffeur heeft hierna niet tijdig en niet voldoende afgeremd waarna hij tegen de voetganger is aangereden.

In cassatie wordt geklaagd over het feit dat bewezen is verklaard dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen, zonder dat dit nader gemotiveerd is.
De Hoge Raad heeft bij de beoordeling van het middel aansluiting gezocht bij haar eerdere rechtspraak en stelt allereerst dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Volgens de Hoge raad komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.  
Met betrekking tot de schuldvorm ‘roekeloosheid’ merkt de Hoge Raad op dat deze wordt aangemerkt als de zwaarste vorm van het culpose delict en dat de rechter mede daarom moet motiveren waarom er sprake is van roekeloosheid. De Hoge Raad concludeert uiteindelijk dat het Hof tekort is geschoten in deze motivering. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte in de hoedanigheid van beroeps(taxi)chauffeur 's nachts op een nat wegdek met onbelemmerd zicht met een veel te hoge snelheid en zonder ontheffing heeft gereden op de trambaan, dat de verdachte op de hoogte was van de daar geldende lagere maximumsnelheid en het gevaar van de langere remweg op de tramrails, en voorts dat de verdachte de voetganger heeft gezien maar heeft gedacht dat deze een andere kant op zou gaan en vervolgens die voetganger - terwijl deze de rijbaan reeds was overgestoken ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats en doende was de trambaan over te steken - heeft aangereden, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte "zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

Nicole Priems
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF