Herziening Vuurwerkramp Enschede

Hoge Raad 26 juni 2012, LJN BW9301
De aanvrage hierziening steunt op een drietal gronden:

1) Als eerste omstandigheid wordt aangevoerd dat de Officier van Justitie die optrad als leider van het opsporingsonderzoek op 7 december 2001 schriftelijk opdracht heeft gegeven tot het vernietigen van alle ongeveer 80.000 tapgesprekken die in het jaar 2000 zijn opgenomen in het kader van het onderzoek naar de vuurwerkramp. Ter staving van deze stelling doet de aanvrage een beroep op een faxbericht van 7 december 2001 van bedoelde Officier van Justitie, inhoudende: "Hierbij bevestig ik schriftelijk hetgeen ik gisteren en hedenmorgen met u besproken heb. Op 06.12 heb ik u in uw hoedanigheid van dagelijks leider van het Tolteam de opdracht gegeven om de data op de optical disks, betreffende de afgeluisterde telefoongesprekken met geheimhouders in de strafzaken tegen de verdachten (...) en (...) te vernietigen.
Vervolgens heb ik vandaag, 7 december 2001, aan u de opdracht gegeven om de optical disks van alle in het jaar 2000 in het kader van het onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede afgeluisterde telefoongesprekken te vernietigen."

Volgens de aanvrage wordt aldus het ernstige vermoeden gewekt dat, ware de feitenrechter met deze opdracht bekend geweest, dit zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

De aanvrage stelt voorts dat de Officier van Justitie aldus heeft verhinderd "dat de inhoud van de uitgewerkte tapgesprekken deel zou hebben kunnen uitmaken van het procesdossier, waar dit op grond van het relevantiecriterium wel had gemoeten, en hierdoor kennisneming van de inhoud door rechtbank, hof en verdediging eveneens onmogelijk is gemaakt". Dit gevolg wekt volgens de aanvrage eveneens het ernstige vermoeden dat - ware de feitenrechter daarmee bekend geweest - het zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

2) Als tweede omstandigheid wordt naar voren gebracht dat uit het rapport van BIZ van 16 november 2003 blijkt dat "binnen het strafrechtelijk onderzoek, uitgevoerd door het TOLteam een opeenstapeling van (vorm)verzuimen en onrechtmatig, dan wel onzorgvuldig handelen heeft plaatsgevonden, waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen" en dat nu "het opsporingsonderzoek door dezelfde rechercheurs, leidinggevenden en onder leiding van dezelfde officier van justitie heeft plaatsgevonden, [niet valt] uit te sluiten dat door de geconstateerde (vorm)verzuimen en het bewust onrechtmatig handelen in het opsporingsonderzoek jegens verdachte A. de V. ook het recht van verzoeker op een eerlijk proces is geschonden".

3) Als derde omstandigheid wordt aangevoerd dat ook uit de brief van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], leidinggevenden van het BIZ-team, van 27 september 2005 aan de "Vaste Kamer Commissie Justitie" blijkt "dat er zich binnen het strafrechtelijk onderzoek door het TOLteam vormverzuimen, onzorgvuldigheden en onrechtmatigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan de waarheidsvinding in het geding is gekomen" en dat daardoor "het ernstige vermoeden (is) gewekt dat, ware het de feitenrechter bekend geweest, dit zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie".

 
Het aangevoerde kan niet het ernstig vermoeden wekken dat, ware het Hof met de genoemde omstandigheden bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvrage en de daarin gedane verzoeken af.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF