Nieuw: éérst bewezenverklaring, dan apart debat over straf

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5704  

Het hof geeft in dit tussenarrest een beslissing over de bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten nu dit essentieel is voor het bepalen van de (hoogte van de) straf- en maatregel(soort), waarnaar op basis van dit tussenarrest onderzoek zal moeten worden gedaan. Het hof neemt nog geen beslissing over de op te leggen straf en/of maatregel.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraf van 6 maanden voor Hawala-bankieren

Gerechtshof Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1923 Verdachte heeft zich samen met een aantal andere personen beziggehouden met Hawala-bankieren. Hij heeft onder meer klanten geworven en is zelf in een periode van een half jaar meer dan 20 keer met door hem en zijn echtgenote in Frankrijk ingezamelde grote geldbedragen naar Amsterdam gereisd om die bedragen daar af te geven aan een van zijn mededaders. De bedoeling van de verdachte en zijn medeverdachten was dat voormelde geldbedragen door middel van het zogenaamde Hawala-bankieren feitelijk ter beschikking zouden komen van begunstigden in onder meer Pakistan e/o elders.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich, onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 4 mei 2016, bij pleidooi op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met schending van het recht op een ‘fair trial’ in de zin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De raadsvrouw voert hiertoe – naar het hof begrijpt – aan dat in casu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om de door het hof toegewezen getuige (à décharge) medeverdachte 2 te horen.

Naar het oordeel van het hof kan hetgeen de raadsvrouw ter onderbouwing van haar standpunt heeft aangevoerd niet leiden tot de door haar bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op grond van schending van het ‘fair trial’ beginsel. Het hof stelt in dit kader allereerst vast dat er veelvuldige pogingen door in het bijzonder de raadsheer-commissaris zijn gedaan om de zich in het buitenland (of in mogelijk meerdere buitenlanden) bevindende getuige medeverdachte 2 te horen, doch dat zulks uiteindelijk – overwegend door gebrek aan medewerking van de getuige zelf - niet is gelukt. In dat verband verdient aantekening dat van de zijde van de verdediging noch van de zijde aan een door de getuige ingeschakelde Nederlandse advocaat bruikbare contactgegevens zijn aangeleverd. Het niet kunnen horen van de getuige is derhalve niet aan het Openbaar Ministerie te wijten. Het hof wijst er voorts op dat een schriftelijke verklaring van deze getuige wel in het dossier is opgenomen en dat diverse andere door de verdediging verzochte getuigen à décharge wel zijn gehoord. Naar het oordeel van het hof voldoet verdachte’s strafproces derhalve als geheel aan de maatstaven voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Oordeel hof

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderzoek in de onderhavige zaak niet heeft geresulteerd in direct bewijs voor een criminele herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het daarbij volgens de verdachte om geldbedragen gaat die hij via het systeem van het zogenaamde Hawala-bankieren bij diverse personen in Parijs heeft ingezameld en vervolgens naar de medeverdachte 1 in Amsterdam heeft gebracht.

De advocaat-generaal heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat het door de verdachte vervoerde geld op het moment van vervoeren en overdragen aan medeverdachte 1 van een voorafgaand misdrijf afkomstig was, namelijk overtreding van de bancaire regelgeving in Frankrijk. Dit standpunt wordt door het hof niet gevolgd. Het hof is, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (meer in het bijzonder het arrest van 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380) van oordeel dat dit geld weliswaar gezien kan worden als geld dat voorwerp is van het misdrijf van overtreding van bancaire regelgeving, maar dat deze omstandigheid op zichzelf nog niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat dat geld ook uit (dat) misdrijf afkomstig zou zijn, zoals bedoeld in de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Nu het hof heeft vastgesteld dat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, dient zich de vraag aan of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven. Ontbreekt een dergelijke verklaring dan kan witwassen in beginsel bewezen worden verklaard.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen

Het hof leidt uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – gelijk de rechtbank – af dat de door verdachte verrichte geldtransacties plaatsvonden onder omstandigheden die als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen zijn aan te merken.

De verdachte heeft zeer grote geldbedragen (variërend van € 40.000,00 tot € 100.000,00 en, blijkens de administratie die bij de medeverdachte 1 is aangetroffen en in beslag is genomen, hoger) vervoerd, welke bedragen overwegend bestonden uit kleine coupures. De geldbedragen werden vervoerd (onder meer) in plastic tassen of in een rugzak, waarbij het geld werd verborgen in kussenslopen, ordnermappen, kleden of doeken en afgegeven aan de medeverdachte 1 in een woning. Deze wijze van vervoer van dergelijke grote geldbedragen is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Ook is gebleken dat geldbedragen ongeteld werden aangeleverd en in ontvangst genomen. In het telefoonverkeer tussen de verdachte en de medeverdachte 3 en de medeverdachte 1 en een persoon genaamd medeverdachte 2 over de aan te leveren geldbedragen, werd in versluierde taal en deels met gebruikmaking van aliassen over (het transport van) de geldbedragen gesproken.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen voormelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld.

Verklaring van de verdachte met betrekking tot de geldbedragen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte de geldbedragen in Parijs in het kader van Hawala-bankieren inzamelde bij personen van Pakistaanse afkomst, onder meer winkeliers en personen met andere bedrijven, die deze gelden hadden verdiend met legale arbeid of bedrijfswerkzaamheden. Daarbij is door de verdachte erkend dat over de telefoon versluierd en gecodeerd met betrekking tot de geldbedragen werd gesproken en dat het geld tijdens het vervoer werd verborgen, maar dat zulks juist gebeurde vanwege de daarmee verbonden (grote) veiligheidsrisico’s.

De advocaat-generaal is – op gronden als in haar requisitoir zijn opgenomen – van mening dat deze verklaring van de verdachte het vermoeden niet weerlegt.

Het hof oordeelt anders. De door de verdachte gegeven verklaring komt het hof niet volstrekt onaannemelijk voor. Weliswaar hebben enkele – op verzoek van de verdediging – gehoorde getuigen in Frankrijk ontkend zich met Hawala-bankieren te hebben bezig gehouden, het dossier bevat ook verklaringen, waaronder die van de op verzoek van de verdediging gehoorde getuigen 1 en 2, die de verklaring van de verdachte ondersteunen. Het Openbaar Ministerie heeft voorts geen nader feitenonderzoek in Frankrijk verricht naar de juistheid van de verklaringen van de verdachte omtrent de herkomst van de door hem verkregen, vervoerde en overgedragen geldbedragen.

Dit betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld niet afkomstig was van criminele activiteiten. Het in de onderhavige zaak bestaande vermoeden van witwassen kan derhalve niet leiden tot het wettig en overtuigend bewijs dat de in feit 1 en 3 genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair, 1 subsidiair en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens verboden schuldbemiddeling

Gerechtshof Amsterdam 28 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2515 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden schuldbemiddeling. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte haar cliënten niet heeft geholpen bij bemiddeling met schuldeisers en ook niet bij het afwikkelen van die schulden. De verdachte heeft haar cliënten enkel geholpen bij het inventariseren van de omvang van de schulden, bekeken of bepaalde vorderingen verjaard waren en haar cliënten ondersteund en gecoacht bij inkomens- dan wel budgetbeheer. De cliënten hebben zelf regelingen met de schuldeisers getroffen. Volgens de raadsman heeft de verdachte namens haar cliënten zelfs regelingen met schuldeisers mogen treffen nu ze voor dat deel van de dienstverlening geen geld vroeg.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Schuldbemiddeling is een activiteit, gericht op de afwikkeling van een bestaande schuldenlast. Instellingen die zich hiermee bezighouden, trachten dit doel te verwezenlijken door in overleg met de schuldeisers regelingen te treffen. Betalingen die in het kader van een dergelijke regeling door de schuldenaar aan de schuldeisers worden verricht, plegen plaats te vinden door tussenkomst van de schuldbemiddelaar. Dat verhoogt de kans op acceptatie van een voorgestelde regeling.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij voor haar cliënten een adviserende rol had, zij een budgetplan opstelde en daarmee inzage aan haar cliënten gaf in de definitieve schuldenlast en een voorstel deed aan haar cliënten voor een regeling met de schuldeisers, die haar cliënten zelf met de schuldeisers moesten treffen. Hiertoe nam zij contact op met de schuldeisers, maar volgens de verdachte alleen om de schulden in kaart te kunnen brengen. Voor het budgetbeheer heeft de verdachte voor de cliënten een beheerrekening geopend die de verdachte beheerde. Al het geld dat de cliënten ontvingen werd op deze rekening ontvangen.

De verklaring van de verdachte dat zij alleen contact heeft opgenomen met de schuldeisers om de schulden van haar cliënten in kaart te brengen acht het hof onaannemelijk op basis van het volgende.

In het dossier zit een aantal aanvraagformulieren schuldregeling (D-111 en D-032) die door de verdachte en de aanvragers zijn ondertekend. Hierin staat het vakje ‘schuldbemiddeling’ aangekruist, waarbij direct daaronder een handtekening van de verdachte staat. In dit formulier wordt tevens vermeld dat naar aanleiding van de aanvraag overlegd wordt met alle schuldeisers en doordat wordt geprobeerd met alle schuldeisers tot overeenstemming te komen de afhandeling van de aanvraag tijd kost. Daarnaast heeft de verdachte namens [bedrijfsnaam] ook overeenkomsten tot schuldregeling ondertekend (D-31 en D-052), waarin [bedrijfsnaam] (hierna afgekort tot [bedrijfsnaam]) wordt aangeduid als de “schuldregelende instelling”. Tevens is hierin overeengekomen dat de schuldregelende instelling zich inspant om ten behoeve van de schuldenaar met alle schuldeisers tot een regeling van zijn problematische schulden te komen. Daar komt bij dat een aantal cliënten van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte dan wel [bedrijfsnaam] schuldhulpverleningsactiviteiten zou gaan doen, waardoor hun schulden zouden worden opgelost.

Tenslotte blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde beëindigingsovereenkomsten met cliënten dat de opdrachtgevers zich hebben gemeld voor een aanvraag schuldenregeling, dat deze overeenkomst door de opdrachtgevers is ontbonden en dat de opdrachtnemer, de verdachte, alle schuldeisers hiervan heeft verwittigd.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte, naast advisering en inkomens- en budgetbeheer, zich ook bezighield met schuldbemiddeling.

Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8296, hangen de door de verdachte als budgetbeheer aangeduide activiteiten, waarvoor zij kosten in rekening brengt, direct samen met de door haar als schuldbemiddelaar namens de schuldenaars getroffen regelingen. Tegen die achtergrond acht het Hof het niet mogelijk om het budgetbeheer geheel los te zien van de schuldbemiddeling, waarvoor geen vergoeding in rekening mag worden gebracht.

Ook gelet op deze samenhang komt het onjuist voor om bij de vraag of sprake is van schuldbemiddeling het door de verdachte gevoerde budgetbeheer buiten beschouwing te laten. Het verbod op schuldbemiddeling zou anders gemakkelijk kunnen worden omzeild.

Aldus is het verbod op schuldbemiddeling van artikel 47, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) onverkort op het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde van toepassing en is dat feit dus strafbaar. Dit laat onverlet dat schuldbemiddeling - zoals namens de verdachte is betoogd - in het belang is van "de allerarmsten in onze samenleving". Om misstanden - zoals het in rekening brengen van zeer hoge kosten (vgl. MvT p. 6/7 bij de wet van 1 juni 1983) - tegen te gaan, heeft de wetgever deze activiteit willen voorbehouden aan de personen en instellingen die in artikel 48, lid 1 sub b en c van de Wet op het consumentenkrediet worden genoemd of krachtens dat lid sub d van dat artikel worden aangewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode tot die personen of instellingen behoorde.

Bewezenverklaring

  • Overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.000 waarvan € 1.500 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak rechtspersoon voor het niet binnen 13 maanden na afloop boekjaar openbaar maken van de jaarrekening

Gerechtshof Amsterdam 28 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2516

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon niet binnen 13 maanden na afloop boekjaar zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt. De toezending van de jaarrekening naar de Kamer van Koophandel is door verdachte voldoende aannemelijk gemaakt.

Het openbaar maken door nederlegging van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel werd, voordat dit digitaal kon, in de praktijk gedaan door toezending per post naar de Kamer van Koophandel. De gemachtigde van de verdachte heeft verklaard dat de jaarrekening van het boekjaar 2011 naar de Kamer van Koophandel per post is toegezonden, in één enveloppe met de jaarrekening 2011 van bedrijf 2, aandeelhouder van de verdachte.

Nu de jaarrekening van bedrijf 2 wel openbaar is gemaakt bij de Kamer van Koophandel, de jaarrekeningen van de jaren vóór 2011 van de verdachte blijkens de verklaring van eerdergenoemde gemachtigde ook altijd per post werden verzonden en dit nooit tot problemen heeft geleid, acht het hof de verklaring van de gemachtigde van de verdachte dat hij de jaarrekening 2011 van de verdachte ook per post heeft toegezonden aan de Kamer van Koophandel voldoende aannemelijk gemaakt.

De gemachtigde heeft direct nadat werd geconstateerd dat de jaarrekening 2011 niet openbaar was gemaakt, navraag bij de Kamer van Koophandel gedaan, doch heeft nimmer antwoord gekregen. Bij deze stand van zaken had van de Belastingdienst dan wel het Openbaar Ministerie verlangd mogen worden bij de Kamer van Koophandel navraag te doen of voornoemde jaarrekening van de verdachte binnen was gekomen bij de Kamer van Koophandel, dan wel of de toegezonden jaarrekening aldaar in het ongerede kan zijn geraakt nu twee jaarrekeningen in één enveloppe zijn gedaan en één daarvan wellicht als kopie van de jaarrekening van bedrijf 2 is aangemerkt. Nu geen navraag is gedaan kan naar het oordeel van het hof niet bewezen worden dat de verdachte de jaarrekening 2011 niet heeft nedergelegd bij de Kamer van Koophandel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hypotheekfraude: Omvang hoger beroep & bespreking niet-ontvankelijkheidsverweer en inhoudelijke verweren.

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2731

De verdachte heeft valse werkgeversverklaringen, valse loonstrookjes en een vals declaratieformulier, voor een deel in samenwerking met anderen doen opmaken en vervolgens heeft hij deze documenten gebruikt bij het aanvragen van een hypothecaire lening. Hierdoor heeft hij een bank in de waan gebracht dat hij een regulier inkomen uit dienstbetrekking verkreeg, op grond waarvan de bank hem een hypothecaire geldlening van meer dan een half miljoen euro en betalingen uit een bouwdepot heeft verstrekt. De verdachte heeft de bank dan ook tot die bedragen opgelicht. Twee jaren later heeft verdachte op dezelfde wijze de bank trachten te bewegen tot een verhoging van dat hypotheekbedrag met nog eens een bedrag van ruim tweehonderdduizend euro. Hierna heeft de verdachte het uit misdrijf verkregen appartement verkocht en omgezet in een geldbedrag.

Omvang hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte in het vonnis waarvan beroep vrijgesproken ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde valselijk opmaken en/of vervalsen en gebruik maken van hypotheekaanvragen voor zover daarin stond vermeld dat de verdachte een bruto jaarinkomen had van € 90.000,00 die hij verdiende als bedrijf 2 en voor het valselijk opmaken dan wel vervalsen en gebruik maken van de declaratieformulieren waarop stond vermeld dat de verdachte een geldbedrag van € 19.100,00 had betaald aan bedrijf 4 Keukens.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde oplichtingen waarbij de Bank 1 zou zijn bewogen tot afgifte van twee geldbedragen, zijnde betalingen uit het bouwdepot, heeft de rechtbank de verdachte eveneens vrijgesproken.

Ook heeft de rechtbank de verdachte in het vonnis waarvan beroep vrijgesproken voor de onder 4 ten laste gelegde witwashandeling met betrekking tot een geldbedrag van € 5.273,64 dat zou zijn verkregen uit de uitbetaling van een schadevergoeding.

Deze feiten zijn cumulatief, ofwel gevoegd, in de zin van het hierna te noemen artikel, ten laste gelegd. Het hoger beroep is blijkens de akte van 14 maart 2013 door de verdachte onbeperkt ingesteld.

Artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen, de verdachte alleen hoger beroep kan instellen ter zake van de gevoegde feiten waarvan hij niet is vrijgesproken. Nu de verdachte zijn hoger beroep niet daartoe heeft beperkt, zal hij in zoverre in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ontvankelijkheid OM

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging gehandhaafd en herhaald. Kort samengevat houdt het verweer in dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, wegens een opeenstapeling van ernstige vormverzuimen en onzorgvuldig handelen door het Openbaar Ministerie, waardoor doelbewust of in elk geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Die verzuimen zouden zijn gelegen in de overschrijding van de redelijke termijn, het door het Openbaar Ministerie onzorgvuldig handelen ten aanzien van het beslag en de overdreven en onrechtmatige inzet van Bob-methoden, waardoor de privacy van de verdachte is geschonden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat naar vaste jurisprudentie alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens in het vooronderzoek begane vormverzuimen.

Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie onzorgvuldig of onrechtmatig heeft opgetreden in het voorbereidend onderzoek, zodat er van onherstelbare vormverzuimen in dat onderzoek geen sprake is.

Weliswaar is grondig en uitvoerig opsporingswerk verricht, maar dit is in volledige openheid geverbaliseerd. Dat de verdachte door het opsporingsonderzoek tegen de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zelf ook voorwerp van intensief onderzoek is geweest, maakt nog niet dat het Openbaar Ministerie zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De schending van de redelijke termijn zal door het hof eventueel worden betrokken verdisconteerd in de strafmaat.

Bespreking inhoudelijke verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten het verweer gevoerd dat er tussen de verdachte en onderscheidenlijk bedrijf 1 en bedrijf 2 wel degelijk dienstverbanden hebben bestaan en dat het feit dat de verdachte niet of alleen contant betaald heeft gekregen hieraan niet afdoet. Dit betekent dat er van valsheid geen sprake is. Bovendien vertrouwde de verdachte op de eerdere succesvolle samenwerkingsverbanden met medeverdachte 1 en medeverdachte 2, waardoor het opzet bij de verdachte ontbreekt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Het hof volgt de uitvoerig gemotiveerde beslissing van de rechtbank op dit punt. Niet is gebleken van daadwerkelijke dienstverbanden van de verdachte bij bedrijf 1 en/of bedrijf 2 in de in de tenlastegelegde periode, noch dat de verdachte ooit inkomsten uit deze gestelde dienstverbanden heeft verkregen. De verklaringen van de verdachte over die dienstverbanden zijn vaag gebleven. Voorts is onduidelijk gebleven waaruit zijn werkzaamheden precies hebben bestaan, hoeveel tijd hij daaraan daadwerkelijk heeft besteed en hoelang de dienstverbanden uiteindelijk zouden hebben geduurd.

Het ontbreken van enig salaris heeft de verdachte erkend met betrekking tot zijn gestelde dienstverband bij bedrijf 1 Desalniettemin heeft de verdachte een drietal salarisspecificaties overgelegd bij de hypotheekaanvraag, waaruit de betaling van salaris zou moeten blijken. Die specificaties waren in strijd met de waarheid, reeds vanwege het feit dat hij geen enkel salaris ontving dan wel had ontvangen uit zijn gestelde dienstbetrekking bij bedrijf 1 Bovendien is gebleken dat bedrijf 1 op 2 december 2002 in staat van faillissement is verklaard en dat de vennootschap over de periode 2005 tot oktober 2009 geen aangiften vennootschaps- of loonbelasting heeft ingediend.

Uit de bewijsmiddelen blijken malversaties bij de totstandkoming van de documenten. Ten aanzien van bedrijf 2 gaat het dan om de bewoordingen in de e-mailberichten en het aangetroffen fulltime arbeidscontract van de verdachte bij bedrijf 3, dat zich niet zonder meer met het dienstverband bij bedrijf 2 laat verenigen. Ook het vertrouwen dat de verdachte stelt te hebben mogen ontlenen aan zijn eerdere samenwerkingsverbanden met medeverdachte 1 en medeverdachte 2 is niet aannemelijk geworden. Bovendien zou dat vertrouwen na de gang van zaken met bedrijf 1 (in ieder geval) niet (meer) gerechtvaardigd zijn geweest bij het aangaan van zijn gestelde dienstverband met bedrijf 2, hetgeen wordt bevestigd door de afwezigheid van enig document van een betaling aan hem uit dit zogenaamde dienstverband. Dat de verdachte zonder onderbouwing heeft gesteld dat hij (enkel) twee contante betalingen heeft ontvangen van bedrijf 2 doet hieraan niet af.

Het hof komt derhalve tot de conclusie dat er geen dienstverbanden hebben bestaan tussen de verdachte en bedrijf 1 en bedrijf 2 en dat de opgemaakte en gebruikte geschriften vals zijn (geweest).

Ten aanzien van het medeplegen van het valselijk opmaken van de geschriften overweegt het hof nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte deze documenten zelf valselijk heeft opgemaakt, maar wel dat hij daar belang bij heeft gehad (de verkrijging van een hypothecaire lening) en dat hij, in geval van bedrijf 2, op eigen initiatief om een loonstrook en een werkgeversverklaring heeft verzocht en in ieder geval de werkgeversverklaring heeft gekregen. Het hof acht het aannemelijk dat de gang van zaken rondom het gestelde dienstverband met bedrijf 1 op eenzelfde wijze is tot stand is gekomen en wordt hierin gesterkt doordat bij de totstandkoming van beide werkgeversverklaringen dezelfde personen betrokken zijn geweest. Hiermee is verdachtes rol bij de totstandkoming van het valselijk opmaken van de documenten zo essentieel geweest dat er, ook zonder dat hij een feitelijke uitvoeringshandeling bij het fabriceren van de geschriften heeft verricht, sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de persoon die de documenten valselijk heeft opgemaakt.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: oplichting.
  • Feit 3: poging tot oplichting. 
  • Feit 4: witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^