Hypotheekfraude: Omvang hoger beroep & bespreking niet-ontvankelijkheidsverweer en inhoudelijke verweren.

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2731

De verdachte heeft valse werkgeversverklaringen, valse loonstrookjes en een vals declaratieformulier, voor een deel in samenwerking met anderen doen opmaken en vervolgens heeft hij deze documenten gebruikt bij het aanvragen van een hypothecaire lening. Hierdoor heeft hij een bank in de waan gebracht dat hij een regulier inkomen uit dienstbetrekking verkreeg, op grond waarvan de bank hem een hypothecaire geldlening van meer dan een half miljoen euro en betalingen uit een bouwdepot heeft verstrekt. De verdachte heeft de bank dan ook tot die bedragen opgelicht. Twee jaren later heeft verdachte op dezelfde wijze de bank trachten te bewegen tot een verhoging van dat hypotheekbedrag met nog eens een bedrag van ruim tweehonderdduizend euro. Hierna heeft de verdachte het uit misdrijf verkregen appartement verkocht en omgezet in een geldbedrag.

Omvang hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte in het vonnis waarvan beroep vrijgesproken ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde valselijk opmaken en/of vervalsen en gebruik maken van hypotheekaanvragen voor zover daarin stond vermeld dat de verdachte een bruto jaarinkomen had van € 90.000,00 die hij verdiende als bedrijf 2 en voor het valselijk opmaken dan wel vervalsen en gebruik maken van de declaratieformulieren waarop stond vermeld dat de verdachte een geldbedrag van € 19.100,00 had betaald aan bedrijf 4 Keukens.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde oplichtingen waarbij de Bank 1 zou zijn bewogen tot afgifte van twee geldbedragen, zijnde betalingen uit het bouwdepot, heeft de rechtbank de verdachte eveneens vrijgesproken.

Ook heeft de rechtbank de verdachte in het vonnis waarvan beroep vrijgesproken voor de onder 4 ten laste gelegde witwashandeling met betrekking tot een geldbedrag van € 5.273,64 dat zou zijn verkregen uit de uitbetaling van een schadevergoeding.

Deze feiten zijn cumulatief, ofwel gevoegd, in de zin van het hierna te noemen artikel, ten laste gelegd. Het hoger beroep is blijkens de akte van 14 maart 2013 door de verdachte onbeperkt ingesteld.

Artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen, de verdachte alleen hoger beroep kan instellen ter zake van de gevoegde feiten waarvan hij niet is vrijgesproken. Nu de verdachte zijn hoger beroep niet daartoe heeft beperkt, zal hij in zoverre in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ontvankelijkheid OM

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging gehandhaafd en herhaald. Kort samengevat houdt het verweer in dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, wegens een opeenstapeling van ernstige vormverzuimen en onzorgvuldig handelen door het Openbaar Ministerie, waardoor doelbewust of in elk geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Die verzuimen zouden zijn gelegen in de overschrijding van de redelijke termijn, het door het Openbaar Ministerie onzorgvuldig handelen ten aanzien van het beslag en de overdreven en onrechtmatige inzet van Bob-methoden, waardoor de privacy van de verdachte is geschonden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat naar vaste jurisprudentie alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens in het vooronderzoek begane vormverzuimen.

Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie onzorgvuldig of onrechtmatig heeft opgetreden in het voorbereidend onderzoek, zodat er van onherstelbare vormverzuimen in dat onderzoek geen sprake is.

Weliswaar is grondig en uitvoerig opsporingswerk verricht, maar dit is in volledige openheid geverbaliseerd. Dat de verdachte door het opsporingsonderzoek tegen de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zelf ook voorwerp van intensief onderzoek is geweest, maakt nog niet dat het Openbaar Ministerie zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De schending van de redelijke termijn zal door het hof eventueel worden betrokken verdisconteerd in de strafmaat.

Bespreking inhoudelijke verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten het verweer gevoerd dat er tussen de verdachte en onderscheidenlijk bedrijf 1 en bedrijf 2 wel degelijk dienstverbanden hebben bestaan en dat het feit dat de verdachte niet of alleen contant betaald heeft gekregen hieraan niet afdoet. Dit betekent dat er van valsheid geen sprake is. Bovendien vertrouwde de verdachte op de eerdere succesvolle samenwerkingsverbanden met medeverdachte 1 en medeverdachte 2, waardoor het opzet bij de verdachte ontbreekt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Het hof volgt de uitvoerig gemotiveerde beslissing van de rechtbank op dit punt. Niet is gebleken van daadwerkelijke dienstverbanden van de verdachte bij bedrijf 1 en/of bedrijf 2 in de in de tenlastegelegde periode, noch dat de verdachte ooit inkomsten uit deze gestelde dienstverbanden heeft verkregen. De verklaringen van de verdachte over die dienstverbanden zijn vaag gebleven. Voorts is onduidelijk gebleven waaruit zijn werkzaamheden precies hebben bestaan, hoeveel tijd hij daaraan daadwerkelijk heeft besteed en hoelang de dienstverbanden uiteindelijk zouden hebben geduurd.

Het ontbreken van enig salaris heeft de verdachte erkend met betrekking tot zijn gestelde dienstverband bij bedrijf 1 Desalniettemin heeft de verdachte een drietal salarisspecificaties overgelegd bij de hypotheekaanvraag, waaruit de betaling van salaris zou moeten blijken. Die specificaties waren in strijd met de waarheid, reeds vanwege het feit dat hij geen enkel salaris ontving dan wel had ontvangen uit zijn gestelde dienstbetrekking bij bedrijf 1 Bovendien is gebleken dat bedrijf 1 op 2 december 2002 in staat van faillissement is verklaard en dat de vennootschap over de periode 2005 tot oktober 2009 geen aangiften vennootschaps- of loonbelasting heeft ingediend.

Uit de bewijsmiddelen blijken malversaties bij de totstandkoming van de documenten. Ten aanzien van bedrijf 2 gaat het dan om de bewoordingen in de e-mailberichten en het aangetroffen fulltime arbeidscontract van de verdachte bij bedrijf 3, dat zich niet zonder meer met het dienstverband bij bedrijf 2 laat verenigen. Ook het vertrouwen dat de verdachte stelt te hebben mogen ontlenen aan zijn eerdere samenwerkingsverbanden met medeverdachte 1 en medeverdachte 2 is niet aannemelijk geworden. Bovendien zou dat vertrouwen na de gang van zaken met bedrijf 1 (in ieder geval) niet (meer) gerechtvaardigd zijn geweest bij het aangaan van zijn gestelde dienstverband met bedrijf 2, hetgeen wordt bevestigd door de afwezigheid van enig document van een betaling aan hem uit dit zogenaamde dienstverband. Dat de verdachte zonder onderbouwing heeft gesteld dat hij (enkel) twee contante betalingen heeft ontvangen van bedrijf 2 doet hieraan niet af.

Het hof komt derhalve tot de conclusie dat er geen dienstverbanden hebben bestaan tussen de verdachte en bedrijf 1 en bedrijf 2 en dat de opgemaakte en gebruikte geschriften vals zijn (geweest).

Ten aanzien van het medeplegen van het valselijk opmaken van de geschriften overweegt het hof nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte deze documenten zelf valselijk heeft opgemaakt, maar wel dat hij daar belang bij heeft gehad (de verkrijging van een hypothecaire lening) en dat hij, in geval van bedrijf 2, op eigen initiatief om een loonstrook en een werkgeversverklaring heeft verzocht en in ieder geval de werkgeversverklaring heeft gekregen. Het hof acht het aannemelijk dat de gang van zaken rondom het gestelde dienstverband met bedrijf 1 op eenzelfde wijze is tot stand is gekomen en wordt hierin gesterkt doordat bij de totstandkoming van beide werkgeversverklaringen dezelfde personen betrokken zijn geweest. Hiermee is verdachtes rol bij de totstandkoming van het valselijk opmaken van de documenten zo essentieel geweest dat er, ook zonder dat hij een feitelijke uitvoeringshandeling bij het fabriceren van de geschriften heeft verricht, sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de persoon die de documenten valselijk heeft opgemaakt.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: oplichting.
  • Feit 3: poging tot oplichting. 
  • Feit 4: witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF