Gevangenisstraf van 6 maanden voor Hawala-bankieren

Gerechtshof Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1923 Verdachte heeft zich samen met een aantal andere personen beziggehouden met Hawala-bankieren. Hij heeft onder meer klanten geworven en is zelf in een periode van een half jaar meer dan 20 keer met door hem en zijn echtgenote in Frankrijk ingezamelde grote geldbedragen naar Amsterdam gereisd om die bedragen daar af te geven aan een van zijn mededaders. De bedoeling van de verdachte en zijn medeverdachten was dat voormelde geldbedragen door middel van het zogenaamde Hawala-bankieren feitelijk ter beschikking zouden komen van begunstigden in onder meer Pakistan e/o elders.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich, onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 4 mei 2016, bij pleidooi op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met schending van het recht op een ‘fair trial’ in de zin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De raadsvrouw voert hiertoe – naar het hof begrijpt – aan dat in casu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om de door het hof toegewezen getuige (à décharge) medeverdachte 2 te horen.

Naar het oordeel van het hof kan hetgeen de raadsvrouw ter onderbouwing van haar standpunt heeft aangevoerd niet leiden tot de door haar bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op grond van schending van het ‘fair trial’ beginsel. Het hof stelt in dit kader allereerst vast dat er veelvuldige pogingen door in het bijzonder de raadsheer-commissaris zijn gedaan om de zich in het buitenland (of in mogelijk meerdere buitenlanden) bevindende getuige medeverdachte 2 te horen, doch dat zulks uiteindelijk – overwegend door gebrek aan medewerking van de getuige zelf - niet is gelukt. In dat verband verdient aantekening dat van de zijde van de verdediging noch van de zijde aan een door de getuige ingeschakelde Nederlandse advocaat bruikbare contactgegevens zijn aangeleverd. Het niet kunnen horen van de getuige is derhalve niet aan het Openbaar Ministerie te wijten. Het hof wijst er voorts op dat een schriftelijke verklaring van deze getuige wel in het dossier is opgenomen en dat diverse andere door de verdediging verzochte getuigen à décharge wel zijn gehoord. Naar het oordeel van het hof voldoet verdachte’s strafproces derhalve als geheel aan de maatstaven voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Oordeel hof

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderzoek in de onderhavige zaak niet heeft geresulteerd in direct bewijs voor een criminele herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het daarbij volgens de verdachte om geldbedragen gaat die hij via het systeem van het zogenaamde Hawala-bankieren bij diverse personen in Parijs heeft ingezameld en vervolgens naar de medeverdachte 1 in Amsterdam heeft gebracht.

De advocaat-generaal heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat het door de verdachte vervoerde geld op het moment van vervoeren en overdragen aan medeverdachte 1 van een voorafgaand misdrijf afkomstig was, namelijk overtreding van de bancaire regelgeving in Frankrijk. Dit standpunt wordt door het hof niet gevolgd. Het hof is, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (meer in het bijzonder het arrest van 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380) van oordeel dat dit geld weliswaar gezien kan worden als geld dat voorwerp is van het misdrijf van overtreding van bancaire regelgeving, maar dat deze omstandigheid op zichzelf nog niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat dat geld ook uit (dat) misdrijf afkomstig zou zijn, zoals bedoeld in de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Nu het hof heeft vastgesteld dat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, dient zich de vraag aan of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven. Ontbreekt een dergelijke verklaring dan kan witwassen in beginsel bewezen worden verklaard.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen

Het hof leidt uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – gelijk de rechtbank – af dat de door verdachte verrichte geldtransacties plaatsvonden onder omstandigheden die als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen zijn aan te merken.

De verdachte heeft zeer grote geldbedragen (variërend van € 40.000,00 tot € 100.000,00 en, blijkens de administratie die bij de medeverdachte 1 is aangetroffen en in beslag is genomen, hoger) vervoerd, welke bedragen overwegend bestonden uit kleine coupures. De geldbedragen werden vervoerd (onder meer) in plastic tassen of in een rugzak, waarbij het geld werd verborgen in kussenslopen, ordnermappen, kleden of doeken en afgegeven aan de medeverdachte 1 in een woning. Deze wijze van vervoer van dergelijke grote geldbedragen is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Ook is gebleken dat geldbedragen ongeteld werden aangeleverd en in ontvangst genomen. In het telefoonverkeer tussen de verdachte en de medeverdachte 3 en de medeverdachte 1 en een persoon genaamd medeverdachte 2 over de aan te leveren geldbedragen, werd in versluierde taal en deels met gebruikmaking van aliassen over (het transport van) de geldbedragen gesproken.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen voormelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld.

Verklaring van de verdachte met betrekking tot de geldbedragen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte de geldbedragen in Parijs in het kader van Hawala-bankieren inzamelde bij personen van Pakistaanse afkomst, onder meer winkeliers en personen met andere bedrijven, die deze gelden hadden verdiend met legale arbeid of bedrijfswerkzaamheden. Daarbij is door de verdachte erkend dat over de telefoon versluierd en gecodeerd met betrekking tot de geldbedragen werd gesproken en dat het geld tijdens het vervoer werd verborgen, maar dat zulks juist gebeurde vanwege de daarmee verbonden (grote) veiligheidsrisico’s.

De advocaat-generaal is – op gronden als in haar requisitoir zijn opgenomen – van mening dat deze verklaring van de verdachte het vermoeden niet weerlegt.

Het hof oordeelt anders. De door de verdachte gegeven verklaring komt het hof niet volstrekt onaannemelijk voor. Weliswaar hebben enkele – op verzoek van de verdediging – gehoorde getuigen in Frankrijk ontkend zich met Hawala-bankieren te hebben bezig gehouden, het dossier bevat ook verklaringen, waaronder die van de op verzoek van de verdediging gehoorde getuigen 1 en 2, die de verklaring van de verdachte ondersteunen. Het Openbaar Ministerie heeft voorts geen nader feitenonderzoek in Frankrijk verricht naar de juistheid van de verklaringen van de verdachte omtrent de herkomst van de door hem verkregen, vervoerde en overgedragen geldbedragen.

Dit betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld niet afkomstig was van criminele activiteiten. Het in de onderhavige zaak bestaande vermoeden van witwassen kan derhalve niet leiden tot het wettig en overtuigend bewijs dat de in feit 1 en 3 genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair, 1 subsidiair en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF