Beslissing op verzoek ex artikel 89 en 591a Sv zonder vereiste behandeling in openbare raadkamer leidt tot vernietiging van de beschikking

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2240 De rechtbank heeft bij beschikking verzoeker conform het verzoekschrift een vergoeding toegekend van €1.435 op de voet van artikel 89 Sv en €280 op de voet van artikel 591a Sv. Verzoeker is van voormelde beschikking in hoger beroep gekomen.

Beoordeling van het verzoek

Het op 10 juni 2015 bij de rechtbank ingekomen verzoekschrift, diende op grond van de artikelen 89, derde lid Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid Sv, te worden behandeld in openbare raadkamer.

De bestreden beschikking van de rechtbank houdt niets in waaruit kan volgen dat verzoeker en de officier van justitie zijn uitgenodigd voor een behandeling in openbare raadkamer. Bij de door het hof ontvangen stukken bevindt zich een brief d.d. 12 november 2015 van medewerker van de strafsector van de Rechtbank Midden-Nederland, die onder andere inhoudt dat geen zitting (het hof begrijpt: geen behandeling van het verzoek in het openbaar als bedoeld in artikel 22 Sv) heeft plaatsgevonden omdat het standpunt van de officier van justitie gelijk was aan het verzoek (van 10 juni 2015) van de advocaat van verzoeker.

Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank op 29 oktober 2015 op het verzoek (d.d. 10 juni 2015) heeft beslist zonder de vereiste behandeling in openbare raadkamer. Dat brengt mee dat artikel 89, derde lid, Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid, Sv in verbinding met artikel 22 Sv zijn geschonden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen.

Het aanvullende verzoek d.d. 28 oktober 2015 blijft binnen de grenzen van het op 10 juni 2015 ingediende verzoek en had door de rechtbank, indien het verzoek, zoals de wet voorschrijft in openbare raadkamer was behandeld, kunnen worden meegewogen in zijn beslissing. Dat is niet gebeurd.

De advocaat-generaal heeft zich in raadkamer op 4 maart 2016 op het standpunt gesteld dat het verzoek en het aanvullend verzoek voor toewijzing in aanmerking komen.

Uit het onderzoek in openbare raadkamer is - voor zover hier van belang - het navolgende gebleken:

  • tegen verzoeker is een strafzaak aanhangig geweest, behandeld in eerste aanleg onder parketnummer 16-659549-14 door Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad;
  • verzoeker heeft 47 dagen (te weten van 19 mei 2014 tot en met 5 juli 2014) in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht;
  • verzoeker is bij vonnis van de rechtbank d.d. 21 april 2015 vrijgesproken van het feit, waarop voormelde detentie betrekking had;
  • voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 5 mei 2015;
  • de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel;
  • verzoeker heeft ten gevolge van voormelde detentie schade geleden;
  • verzoeker heeft het verzoek op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend;

Het hof is van oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker ter zake van immateriële schade de door hem verzochte schadevergoeding toe te kennen.

De kosten van het verzoekschrift moeten worden vergoed overeenkomstig de ter zake geldende landelijke uitgangspunten, en wel tot een bedrag van €280 voor de indiening in eerste aanleg en €550 voor de indiening en behandeling in hoger beroep.

Gelet op het vorenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding ten laste van de Staat toe kennen voor de schade, welke hij ten gevolge van voormelde detentie in voormelde strafzaak heeft geleden:

47 dagen ondergane detentie: 3 dagen politiebureau ad €105 €315

44 dagen HvB ad €80 €3.520

kosten indiening en behandeling

verzoek eerste aanleg €280

hoger beroep €550

totaal €4.665

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan verzoeker verzoeker toe een vergoeding uit 's Rijks kas ten bedrage van €4.665.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Megazaak Juwelier: veroordeling wegens gewoontewitwassen, eigen misdrijf (fiscaal de-lict)

Gerechtshof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:675 Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van personenauto’s en geldbedragen, hetgeen gericht is geweest op het veiligstellen van uit eigen misdrijf (belastingfraude) afkomstige opbrengsten. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (in de kluis van A.B. aangetroffen) geldbedrag van €20.000,00 en tot bewezenverklaring van het overigens onder 1 tenlastegelegde, daaronder begrepen de twee horloges van A.K.

De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

De verdachte ontvangt sinds 1974 een WAO-uitkering en heeft verder geen legale inkomsten. Zijn echtgenote AvA ontvangt naast beperkte looninkomsten sinds 1992 een aanvullende WAO-uitkering. Gezamenlijk konden zij derhalve in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008 beschikken over een legaal netto inkomen van €149.259,74. Uit onderzoek is echter gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €625.053,97 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte en zijn echtgenote een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er in totaal €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort. Ook heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode diverse leningen verstrekt, te weten €50.000,00 aan CvB, ƒ 100.000,00 aan GvdK en €17.000,00 aan A.K. De verdachte, zijn echtgenote én zijn vriendin G.B., die sinds 2000 een WAO-uitkering ontving, leefden gelet op de auto’s waarin zij reden en die op naam stonden van de verdachte, zijn echtgenote dan wel op Z. B.V., zijnde het bedrijf van M.P., op grote voet. Daarnaast dienen de verdachte en zijn vriendin als rechthebbende te worden beschouwd van een aantal kavels en een recreatiewoning. De verdachte heeft ter zake geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven, zodat tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen kan worden gekomen. Ten aanzien van de horloges geldt dat er vanuit kan worden gegaan dat deze van A.K. zijn en dat A.K. deze als onderpand voor een woekerlening aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte staat eveneens terecht voor de afpersing van A.K. Hij wist aldus dat de horloges deel uitmaakten van enig door hem gepleegd strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgelegd waarom hij in de tenlastegelegde periode kon beschikken over aanzienlijk meer contant geld dan op grond van zijn legale inkomstenbron verklaarbaar was. Die verklaring houdt in dat hij vanaf zijn 14e jaar heeft gewerkt als loodgieter: overdag voor een baas en ’s avonds voor zichzelf. Vanaf zijn 25e is hij incassowerkzaamheden gaan verrichten en enkele jaren later is hij geld gaan uitlenen tegen hoge rentepercentages. Van het op deze wijze bijeengebrachte vermogen heeft de verdachte nimmer aangifte gedaan bij de belastingdienst, noch heeft hij er melding van gemaakt aan de instantie die sinds 1974 zijn WAO uitkering uitkeerde. Het legale vermogen van de verdachte is vermengd met zijn illegale vermogen, waardoor het vermogen van de verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is. Hetzelfde heeft te gelden voor de legale inkomsten van AvA, de echtgenote van de verdachte, die naast een salaris uit dienstbetrekking een WAO-uitkering had, welke inkomsten eveneens met het deels illegale vermogen van de verdachte vermengd zijn geraakt. Indien sprake is van een eigen misdrijf, geldt dat sprake moet zijn van meer dan het enkele voorhanden hebben of verwerven om de gedraging te kunnen kwalificeren als witwassen. Zo dat niet mogelijk is, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van een verhullende gedraging gerefereerd ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen: €381.715,35 (bonnetjes Hillegom) en €57.238,57 (bonnetjes Hensbroek) als ook ten aanzien van de kavels grond, het chalet en de auto’s waar G.B. zich in voortbewoog.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de twee horloges van A.K., omdat niet kan worden bewezen dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van €20.000,00, aangezien niet kan worden bewezen dat de verdachte dit voorhanden heeft gehad en heeft verhuld. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het in de woning bij G.B. aangetroffen geldbedrag van €2.115,00, omdat niet kan niet worden bewezen dat de verdachte dat geld op dat moment voorhanden had. Subsidiair moet de verdachte ter zake worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien niet is gebleken dat er ten aanzien van dat bedrag verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Dat laatste geldt ook voor het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van €10.076,07.

De verdachte moet tevens worden vrijgesproken van het geldbedrag van €89.100,00. Dit bedrag is enkel gebaseerd op de verklaring van G.B. De stukken in het dossier bieden onvoldoende houvast voor het bepalen van de hoogte van het door haar ontvangen bedrag.

De verdachte moet ten slotte ook worden vrijgesproken van het geldbedrag van €24.042,00 op de rekening in België. De rekening staat op naam van AvA en de verdachte is als gemachtigde geregistreerd. De verdachte is wel eens mee geweest als er geld werd gestort. Het ging daarbij om niet al te grote bedragen. Van duidelijke pogingen om de criminele opbrengsten veilig te stellen is hier geen sprake.

Oordeel van het hof

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Daarbij geldt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

  • Partiële vrijspraak (afkomstig uit enig misdrijf)

Het hof heeft ten aanzien van na te noemen voorwerpen het volgende vastgesteld.

De G.B. -auto’s, kavels en de recreatiewoning (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief)

De Mercedes-Benz A160 is op 7 mei 2004 door M.P. bij Centraal Automobielbedrijven B.V. gekocht tegen (contante) betaling (op 17 mei 2004) van een bedrag van €12.000,00. Uit de gegevens bij de RDW blijkt dat deze auto op naam heeft gestaan van M.P. van 7 mei 2004 tot 24 maart 2005, waarna de tenaamstelling weer is overgegaan op Centraal Automobielbedrijven B.V. De vriendin van de verdachte, G.B., heeft in de genoemde periode in deze auto gereden.

De Mercedes-Benz SLK is op 24 maart 2005 door Z. B.V. (het hof begrijpt: vertegenwoordigd door M.P.) gekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. door inruil van de Mercedes-Benz en tegen (girale) betaling van een bedrag van €62.000,00. G.B. heeft vanaf 24 maart 2005 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 1 (met daarop een mobiele bungalow) voor een bedrag van ƒ 45.000,00 voor de grond (en ƒ 190.000,00 voor de mobiele bungalow). Een deel van de koopsom was, zo blijkt uit de akte tot levering, al voldaan door koper aan verkoper. Het resterende deel is door koper voldaan door storting op een rekening van de stichting: Appel Eskens Boon en Willemsen Stichting Derdengelden, aan welke stichting de notaris is verbonden. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object in eigendom toe aan AvdV.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel (het hof begrijpt: 2), grenzend aan de oostzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 én een kavel, grenzend aan de noordzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 voor een bedrag van ƒ 25.5000,00, welk bedrag reeds door koper aan verkoper is voldaan. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object (2) in eigendom toe aan AvdV.

CvB heeft op 25 oktober 2000 verkocht aan SP B.V. (welke vennootschap wordt bestuurd door Z. B.V., die op haar beurt weer wordt bestuurd door (enig aandeelhouder) M.P. een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 3 voor een bedrag van ƒ 30.000,00. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: Z. B.V.) van 20 februari 2009 behoort dit object 3 in eigendom toe aan Z. B.V.

Het hof begrijpt dat met de recreatiewoning, adres, wordt bedoeld de mobiele bungalow op kavel 1, toebehorend aan AvdV. G.B. heeft vanaf 1999 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze recreatiewoning gewoond.

Conclusie

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van deze registergoederen/voorwerpen vast dat deze nooit op naam van de verdachte (en/of zijn echtgenote AvA) hebben gestaan én dat niet is gebleken van een (onderliggende) geldstroom van de verdachte naar de geregistreerde eigenaren met betrekking tot de (verkrijging van die) voorwerpen. Een aanwijzing voor het bestaan van zo’n geldstroom zou kunnen worden gevonden in een tweetal zich bij de stukken bevindende koopovereenkomsten (op pagina 961473/961480 en pagina 961461/961465). Het hof heeft echter ten aanzien van deze overeenkomsten vastgesteld dat deze (te) onvolledig zijn om daaraan enige conclusie te verbinden. Zo ontbreken bij de ene overeenkomst de pagina’s waaruit kan blijken op welke datum de verdachte welke kavel tegen welke prijs van CvB zou hebben gekocht en ontbreken bij de andere overeenkomst de datum alsmede de namen van de koper en verkoper.

Vaststaat dat G.B. de hierboven genoemde auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden gebruikte/bewoonde en dat de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd, daar vaak aanwezig was en alle met dat gebruik samenhangende kosten (waaronder huur, gas/water/licht, benzine, onderhoud en verzekering) voor zijn rekening nam. Wat daar ook van zij, voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen moet vast komen te staan dat deze voorwerpen/registergoederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Nu het dossier, zoals hierboven reeds is overwogen, geen concrete aanknopingspunten bevat voor enige criminele betrokkenheid van de verdachte bij de verkrijging van de auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden en ook overigens bewijs dat deze voorwerpen/registergoederen (middellijk of onmiddellijk) anderszins uit misdrijf afkomstig zijn in het dossier ontbreekt, dient de verdachte reeds op die grond van het ter zake van deze voorwerpen cumulatief/alternatief tenlastegelegde witwassen te worden vrijgesproken.

Twee horloges van het merk Rolex (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat deze twee horloges, die zijn aangetroffen (in de deur) van de kluis van juwelier M&B, door A.K. aan de verdachte zijn overhandigd als borg voor een door de verdachte aan A.K. verstrekte geldlening. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft overwogen, en bij gebreke van enig ander bewijs, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze horloges van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (verbergen/verhullen van de werkelijke aard of herkomst)

De eigen auto’s (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief)

Het hof heeft, zoals hierna onder het kopje ‘Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken eigen auto’s’ uitgebreider wordt overwogen, ten aanzien van de:

  • de Mercedes-Benz
  • de BMW 320i Sedan
  • de BMW 3ER Reihe kenteken)

geconstateerd dat ze op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat ze (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA er gebruik van maakten dan wel hebben gemaakt. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing van die personenauto’s heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de daadwerkelijke rechthebbende op die personenauto’s was. Het hof zal de verdachte daarom ten aanzien van deze auto’s van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (voorhanden hebben)

Een geldbedrag van 20.000,00 (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier blijkt dat in de deur van een kluis bij juwelier M&B een contant geldbedrag van €20.000,00 is aangetroffen. Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte dit geldbedrag, ter zake waarvan niet is gebleken dat het aan de verdachte toebehoort, voorhanden heeft gehad. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel.

  • Het vermoeden van witwassen

Ten aanzien van het overigens onder 1 tenlastegelegde zal het hof het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen, waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde geld en/of voorwerp(en) uit enig misdrijf afkomstig is/zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte (en zijn echtgenote AvA, met wie hij een economische eenheid vormde) in de tenlastegelegde periode uitgaven hebben gedaan, die niet kunnen worden verklaard uit hun legale inkomen. Immers, hun legale inkomen bedroeg in de tenlastegelegde periode in totaal €149.259,74 (bestaande uit een WAO-uitkering van de verdachte en beperkte looninkomsten met (sinds 1992) een aanvullende WAO-uitkering voor AvA), terwijl uit onderzoek is gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €650.000,00 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er een geldbedrag van €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort.

Het geldbedrag van €650.000,00 dat de verdachte in de tenlastegelegde periode zou hebben uitgegeven is opgebouwd uit de navolgende posten:

  • Uitgaven Hillegom €381.715,35
  • Uitgaven auto’s €118.400,05
  • Uitgaven Hensbroek €57.238,57
  • Toelage G.B. €89.100,00.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot een andere berekening dan hiervoor genoemd. Zo acht het hof niet bewezen dat de verdachte uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €57.238,57. Dit totaalbedrag aan uitgaven is gebaseerd op de in de door G.B. bewoonde recreatiewoning (adres) aangetroffen facturen en bonnetjes. Naar het oordeel van het hof valt geenszins uit te sluiten dat deze uitgaven (deels) zijn gedaan van de wekelijkse toelage die G.B. van de verdachte ontving, zodat in die zin sprake is van een dubbeltelling. Nu het dossier ook anderszins geen aanknopingspunten bevat om tot een nadere duiding van deze uitgaven te komen, zal het hof de verdachte van dit onderdeel in het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

Het hof is voorts van oordeel dat ook het in het dossier berekende bedrag aan uitgaven aan auto’s moet worden bijgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof geen daadwerkelijke geldstroom van de verdachte naar M.P. / Z. B.V. kunnen vaststellen met betrekking tot de auto’s, waarin G.B. reed. Ten aanzien van de overige personenauto’s heeft het hof vastgesteld, zoals hieronder nader wordt overwogen, dat de verdachte minst genomen uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €41.048,00.

Het hof komt aldus tot een bedrag aan uitgaven van ongeveer €510.000,00. Het hof overweegt dat ook ten aanzien dit bedrag geldt dat de gedane uitgaven niet kunnen worden verklaard uit de legale inkomsten van de verdachte en AvA, zodat te dien aanzien zonder meer sprake is van een witwasvermoeden.

  • Verklaring van de verdachte

In het onderhavige geval is de verdachte in een zeer laat stadium, namelijk pas ter terechtzitting in hoger beroep, met een verklaring gekomen, inhoudende dat hij naast legale inkomsten (uit werk en later een WAO-uitkering) gedurende een groot deel van zijn leven ook andere inkomsten heeft genoten. Zo had de verdachte vanaf zijn 14e inkomsten uit zwart (loodgieters)werk en vanaf zijn 25e inkomsten uit incassowerkzaamheden (eveneens zwart). Vanaf ongeveer diezelfde tijd is hij, volgens zijn verklaring, leningen gaan verstrekken tegen hoge rentepercentages. Over de daarmee door hem gegenereerde inkomsten heeft de verdachte nimmer belasting betaald noch heeft hij die inkomsten opgegeven aan de uitkeringsinstantie.

Hoewel aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat verdachtes verklaring betreffende zijn inkomsten uit loodgieters- en incassowerkzaamheden niet erg gedetailleerd is en wellicht niet eenvoudig te verifiëren, kan - naar het oordeel van het hof - die verklaring niet reeds op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden geschoven. Met betrekking tot verdachtes verklaring dat hij jarenlang inkomsten heeft gehad uit door hem verstrekte geldleningen overweegt het hof dat deze verklaring steun vindt in het onderhavige strafdossier. Uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het bijzonder zaaksdossier 7.1.0, is immers gebleken dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geldleningen aan derden heeft verstrekt en dat hij over die leningen een buitengewoon hoog bedrag aan rente ontving. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het dossier geen gegevens bevat die inzicht verschaffen in de financiële situatie van de verdachte op het beginmoment van de ten laste gelegde periode. Het hof zal bij de beoordeling van het ten laste gelegde dan ook uitgaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte.

Nu de verdachte van deze inkomsten geen opgave heeft gedaan bij de belastingdienst, heeft hij zich ten minste schuldig gemaakt - ook naar zijn eigen zeggen - aan belastingontduiking. Voorts kan worden vastgesteld dat deze inkomsten zich hebben vermengd met de legale inkomsten van de verdachte en diens echtgenote.

  • Een eigen misdrijf

Volgens bestendige jurisprudentie zijn vermogensbestanddelen, waarover men de beschikking heeft doordat de belasting is ontdoken, van misdrijf afkomstig. In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen worden vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als "mede" of "deels" uit misdrijf afkomstig.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof het aannemelijk dat de verdachte aldus inkomsten heeft gegenereerd uit “eigen misdrijf”. Het hof betrekt daarbij ook dat het omvangrijke onderzoek Juwelier geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van de verdachte bij enig ander misdrijf.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie ter zake van witwassen dat in het geval dat het witwassen betrekking heeft op gelden/voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf, er in beginsel sprake dient te zijn van een handeling die erop is gericht om de crimineel verkregen gelden/voorwerpen veilig te stellen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen gelden/voorwerpen gericht karakter heeft. Die regel gaat niet op in gevallen waarin sprake is van voorwerpen die “middellijk” afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

  • Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

De eigen auto’s

Uit de stukken in het dossier leidt het hof ten aanzien van - kort gezegd - de eigen auto’s van de verdachte en AvA het volgende af.

De Mercedes-Benz is op 17 april 2007 aangekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. voor een bedrag van €85.000,00. De auto is gefinancierd door inruil van een Mercedes-Benz ML 280 ter waarde van €70.000, welke auto sinds 6 januari 2006 op naam stond van de verdachte, en door bijbetaling van een geldbedrag van €15.000,00, welk geldbedrag op 18 april 2007 is voldaan door M.P. / Z. B.V. Blijkens de gegevens bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) stond deze auto vanaf 17 april 2007 op naam van de verdachte. Gebleken is dat de verdachte tot zijn aanhouding op 25 november 2008 in de onderhavige auto heeft gereden.

De BMW 320i Sedan is op 16 maart 2005 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €48.548,05. Blijkens de aantekeningen op de factuur, die op naam staat van AvA, is de auto deels contant betaald (€14.500,00, kennelijk door de verdachte), deels giraal (€11.548,05, gestort door AvA) en door inruil van een BMW 318IA ter waarde van €22.500,00, welke auto sinds 27 april 2001 op naam stond van AvA. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 18 maart 2005 tot en met 7 april 2007 op naam van AvA, waarna de tenaamstelling is overgegaan op Z. B.V.

De BMW 3ER Reihe is op 3 april 2007 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €50.950,26. Dit bedrag is (giraal) voldaan door Z. B.V. Uit de stukken van Z. B.V. blijkt dat de verdachte ter financiering van deze auto een bedrag van €15.000,00 van Z. B.V. had geleend, welke lening de verdachte aan Z. B.V. heeft terug betaald. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 6 april 2007 op naam van AvA. Zij heeft tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

Het hof stelt aldus vast dat voornoemde personenauto’s op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat die personenauto’s (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA van die auto’s gebruik maakten dan wel gebruik hebben gemaakt. Nu, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, genoemde gelden door vermenging van legale en illegale inkomsten in hun geheel als van misdrijf afkomstig moeten worden aangemerkt, zijn de daarmee gekochte auto’s eveneens (middellijk) van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook het onder 1, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde ten aanzien van voornoemde auto’s in die zin bewezen.

  • Geldbedragen aan uitgaven tot in totaal ongeveer €381.715,35

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat bij de doorzoeking in de woning van de verdachte op 25 november 2008 een groot aantal schriftelijke bescheiden in beslag is genomen. Uit deze bescheiden, waaronder bonnen en facturen van contante aankopen, is gebleken dat de verdachte (en AvA) in de tenlastegelegde periode in totaal €381.715,35 contant hebben uitgegeven.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte aldus in de tenlastegelegde periode een geldbedrag van in totaal €381.715,35 afkomstig uit (eigen) misdrijf heeft omgezet en overgedragen.

  • De G.B. -geldbedragen

De raadsman heeft ten aanzien van deze gelden vrijspraak bepleit, stellende dat de stukken in het dossier onvoldoende houvast bieden voor het bepalen van de hoogte van dit bedrag.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

G.B. heeft op 19 december 2008 verklaard dat zij gedurende zo’n vijftien jaar wekelijks geld van de verdachte heeft ontvangen. Het is begonnen met een bedrag van ƒ 200,00 en dat bedrag is, naar haar zeggen, in stappen van €50,00 opgelopen tot een bedrag van €400,00 euro per week. Zij heeft destijds ook verklaard dat zij sinds ongeveer één jaar een wekelijkse toelage van €400,00 ontving. Bij de berekening van het totaalbedrag van de door de verdachte aan G.B. betaalde toelagen is rekening gehouden met deze door G.B. genoemde oplopende schaal. De verklaring van G.B. vindt (in ieder geval ten aanzien van het bedrag van €400,00) steun in een op 8 november 2011 tussen de verdachte en G.B. gevoerd telefoongesprek.

Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een bedrag van €89.100,00 aan toelagen aan G.B. heeft overgedragen.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat niet valt uit te sluiten dat de berekening van het op de aangetroffen bonnetjes en facturen gebaseerde bedrag aan uitgaven van €57.238,57 een dubbeltelling oplevert ten aanzien van het berekende totaalbedrag dat de verdachte als toelage aan G.B. heeft betaald.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden - waarbij de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte dit geldbedrag destijds voorhanden heeft gehad kan worden daargelaten - ten aanzien van het op 25 november 2008 in de recreatiewoning te adres aangetroffen contante geldbedrag van €1.115,00 (ten onrechte is in de tenlastelegging het bedrag van 2.115,00 vermeld). Het zal de verdachte om die reden ook ten aanzien van dit geldbedrag vrijspreken.

  • Contant geldbedrag van €10.076,07

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een contant geldbedrag van €10.076,07 is aangetroffen. Gelet op de door het hof aannemelijk geachte verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van zijn inkomsten dient er ook ten aanzien van dit geldbedrag van te worden uitgegaan dat deze gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan slechts worden afgeleid dat de verdachte deze gelden in zijn woning voorhanden heeft gehad. Aanknopingspunten dat de verdachte enige gedraging heeft verricht die (kennelijk) gericht was op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze gelden ontbreken in het dossier. Nu daarvan niet is gebleken, kan het voorhanden hebben van dit geldbedrag naar bestendige jurisprudentie niet als ‘witwassen’ worden gekwalificeerd. Gelet op het feit dat onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde het bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ in de tenlastelegging is opgenomen, zal het hof de verdachte om die reden van dit onderdeel vrijspreken.

  • Giraal geldbedrag van €24.042,00

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat het geldbedrag van €24.042,00 op een bankrekening in België is gestort. AvA heeft op 6 september 1995 een bankrekening geopend bij de KBC-bank in Lanaken (België) met rekeningnummer 1. De verdachte was sindsdien gemachtigd op deze bankrekening. Op 29 december 2006 heeft AvA bij diezelfde bank een rekening geopend met rekeningnummer 2, waarna op 2 januari 2007 het gehele saldo van rekeningnummer 1 is overgeboekt naar rekeningnummer 2 In de tenlastegelegde periode heeft AvA (al dan niet met de verdachte) een geldbedrag van €24.042,00 op die rekeningen gestort en voorhanden gehad. Nu het storten van geld op een (buitenlandse) bankrekening op eigen naam niet zonder meer kan worden aangemerkt als een gedraging die er kennelijk op gericht is de criminele herkomst daarvan (uit eigen misdrijf) daadwerkelijk te verbergen of te verhullen en ook anderszins bewijs daarvoor in het dossier ontbreekt, kan naar het oordeel van het hof het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ niet worden bewezen. Ook van dit onderdeel zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.

  • Gewoontewitwassen

Gelet op de omvang en de continuïteit van de hierboven bewezen geachte gedragingen van de verdachte, acht het hof eveneens bewezen dat de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht echter niet bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met AvA en/of G.B. aan dit gewoontewitwassen heeft schuldig gemaakt. Uit het dossier valt niet af te leiden of en in hoeverre AvA en G.B. wetenschap hadden van de aard en omvang van de uit eigen misdrijf van de verdachte afkomstige inkomsten en de uitgaven van de verdachte. Dit geldt te minder, nu uit het dossier naar voren komt dat de verdachte zijn betrokkenheid bij G.B. en zijn daarmede verband houdende uitgaven voor AvA verborgen heeft gehouden. Voorts valt evenmin vast te stellen of G.B. wetenschap had van het uitgavepatroon van de verdachte met betrekking tot AvA. Nu ook overigens wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1: gewoontewitwassen

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof spreekt vrij omdat door het plaatsen van elektronische handtekening van de hoofd-officier van justitie op het pv een wezenlijk deel onleesbaar is geworden

Gerechtshof Amsterdam 12 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:35 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 16 maart 2014 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Het hof spreekt verdachte vrij en overweegt hiertoe als volgt. In het procesdossier bevindt zich een zogenoemd ‘gescand’ exemplaar van een proces-verbaal van de verbalisant van 19 maart 2014. Deze ‘scan’ is aan te merken als een digitaal afschrift van een proces-verbaal, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit elektronisch proces-verbaal (Bepv). Ingevolge diezelfde bepaling wordt dat digitale afschrift aangemerkt als een (elektronisch) proces-verbaal als bedoeld in artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), indien het als waarmerk is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening van een daartoe door de verantwoordelijke aangewezen ambtenaar. De digitale stempel van de hoofdofficier van justitie te Den Haag, H. Korvinus, zoals opgenomen op de eerste pagina van het dossier, is als zodanig aan te merken.

Uit voornoemd proces-verbaal volgt verder dat een toerist aan de verbalisant, toen hem werd gevraagd wat er was gebeurd, het volgende verklaard “The black guy said coke, coke, coke, coke, coke, coke, coke but I did not buy any”. Door bovenbedoelde digitale stempel is een (belangrijk) deel van de tekst van het proces-verbaal op de eerste pagina onleesbaar geworden, tengevolge waarvan niet duidelijk is wie de persoon is, uit een groepje van een drietal negroïde personen waartoe ook de verdachte behoorde, die diverse passerende toeristen aansprak. Daarenboven heeft de steller van de telastlegging ervoor gekozen het delict niet (ook) in deelnemingsvorm te verwijten.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit voornoemd bewijsmiddel onvoldoende concreet en specifiek of de ondervraagde toerist door de verdachte is aangesproken, temeer nu bij onderzoek aan de kleding van de verdachte geen voor inbeslagname vatbare goederen zijn aangetroffen.

Mitsdien acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Twaalf maanden gevangenisstraf voor witwassen geldbedrag in 2006 voor 'aankoop machines in Libanon t.b.v. Liberia'

Gerechtshof Amsterdam 2 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:786 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 februari 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is; er is geen rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf vast te stellen. Voorts is de juistheid van de verklaring van getuige, volgens wie het geld de opbrengst is van een in Groot-Brittannië verkochte partij cocaïne, op geen enkele wijze te verifiëren. Bovendien lijkt deze getuige een motief te hebben voor het afleggen van een belastende verklaring.

Verder kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 5 februari 2006 is op Schiphol naar aanleiding van een binnengekomen tip de bagage van de verdachte gecontroleerd. Daarbij zijn in twee koffers 16 pakketten aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal 432.135 Engelse en Schotse ponden, in biljetten van verschillende coupures. De koffers waren geseald en ingecheckt voor de vlucht naar Beiroet in Libanon.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden was het vermoeden dat de verdachte zich schuldig maakte aan witwassen gerechtvaardigd, maar niet kon worden vastgesteld uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig was. Bij die stand van zaken kon van de verdachte worden gevergd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring zou geven omtrent de herkomst van het geld.

De verdachte heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Op 3 maart 2006 is de verdachte op verzoek van een Liberiaanse “diplomaat”, getuige 2 geheten - later als getuige 2 bekend geworden -, vanuit Beiroet naar Nederland gevlogen om geld van deze getuige 2 naar Beiroet te vervoeren voor een Liberiaanse gouverneur. De verdachte heeft van getuige 2 twee koffers gekregen met daarin het geld, volgens getuige 2 500.000 Britse ponden, in enveloppen. De verdachte heeft zijn eigen koffer achtergelaten. De verdachte heeft zelf het geld niet geteld omdat de koffers al gesloten waren. In Libanon moest hij het geld aan een (andere) Liberiaanse diplomaat geven en deze zou het geld aan voornoemde gouverneur overhandigen. getuige 2 zou het ticket van de verdachte betalen en mogelijk zou de verdachte als beloning nog USD 2.000 of 3.000 krijgen.

Over de persoon van getuige 2 heeft de verdachte verklaard dat hij hem eerder één keer had ontmoet, in Beiroet, dat hij diens adres niet had, maar dacht dat hij in Duitsland of Nederland woonde.

Hoewel van de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld bepaald niet kan worden gezegd dat deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was te noemen, is in hoger beroep het nodige onderzoek naar de aannemelijkheid daarvan geëntameerd (zie o.a. de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris van 14 mei 2013 en 19 maart 2015), mede naar aanleiding van de ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2007 afgelegde verklaring van getuige 2, die onder meer het volgende inhoudt:

Ik ben business consultant voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Liberia.

Ik heb de heer verdachte ingeschakeld om van Nederland naar Beiroet te vliegen; hij was de koerier. Ik was met hem bevriend sinds een klein jaar. Ik heb hem in Nederland ingelicht wat hij moest doen en zeggen. Ik heb gezegd dat hij het geld naar een bank moest brengen. Het moest gewisseld worden in US-dollars. Het was de bedoeling dat verdachte het geld aan de manager van mijn bank zou geven. Hij wist welke manager het was. De bankmanager zou hem op het vliegveld van Beiroet opwachten.

Met het geld was ik van plan machines te kopen op een veiling. Het geld was afkomstig van de ‘government’ van Liberia. U houdt mij voor dat verdachte heeft verklaard dat het geld bestemd was voor de gouverneur van Liberia. Dat klopt niet. Ik heb tegen verdachte gezegd dat het geld bestemd was voor de ‘government’ van Liberia. Het geld was bestemd voor de aankoop van landbouwmachines in Libanon en Dubai voor de regering van Liberia.

De rechtbank heeft haar oordeel dat het onder de verdachte aangetroffen geld afkomstig was van enig misdrijf mede doen steunen op de verklaringen die getuige zou hebben afgelegd (in het onderzoek Mijnenjager) over de verkoop van een grote partij cocaïne door getuige 2 in Engeland en de ontdekking van de opbrengst daarvan op Schiphol bij de in Beiroet woonachtige verdachte (hof: de verdachte). getuige kon niet worden getraceerd en kon dus niet als getuige worden gehoord. Wel heeft de raadsvrouw van de verdachte inzage gehad in het dossier Mijnenjager, hetgeen heeft geresulteerd in de voeging in het onderhavige dossier van processen-verbaal van door getuige afgelegde verklaringen, zoals samengevat door de politie. Nu evenwel de processen-verbaal van de desbetreffende verhoren zelf niet beschikbaar zijn en de context waarin de verklaringen zijn afgelegd, onduidelijk is, is controle van de betrouwbaarheid daarvan niet mogelijk, zodat dit naar het oordeel van het hof niet tegen de verdachte kan worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de zich eerder al in het dossier bevindende, in een “start proces-verbaal” samengevatte, bevindingen van de grootschalige handel in, en smokkel van, verdovende middelen waarvan onder anderen getuige 2 werd verdacht.

Het voorgaande staat evenwel niet in de weg aan de vaststelling dat het onderhavige geldbedrag van misdrijf afkomstig is, waarbij het hof het volgende in aanmerking neemt.

De verklaringen van de verdachte en getuige 2 komen niet overeen voor wat betreft de duur van hun “vriendschap”, de persoon/instantie voor wie het geld bestemd was en de persoon aan wie het geld in Libanon moest worden afgeleverd. Ook is onopgehelderd gebleven waarom het nodig was de verdachte (vanuit Beiroet) naar Amsterdam te laten vliegen om hem als koerier te laten optreden. De verklaring van getuige 2 vindt voorts geen bevestiging in een telefoongesprek dat hij op 6 februari 2006 voerde met de verdachte over de onderhavige zaak, waarin de verdachte onder meer opmerkte “ik heb hun verteld dat deze (papieren) voor de Liberiaanse ‘gouverner’ zijn”, waarop getuige 2 antwoordde “bravo, bravo, bravo” en voorts door beiden in enigszins versluierd taalgebruik wordt gesproken. Voorts is noch door de verdachte noch door getuige 2 verklaard door wie het geld aan laatstgenoemde zou zijn overhandigd. In een door de voormalige raadsman van de verdachte namens getuige 2 ingediend verzoek om teruggave van het geld wordt weliswaar medegedeeld dat het geld op de Liberiaanse ambassade te Lagos (Nigeria) aan getuige 2 is overhandigd door een naam, die als vice-consul aan die ambassade verbonden zou zijn, maar enige onderbouwing daarvoor ontbreekt, daargelaten een officieel ogende brief van getuige 2 zelf en een overzicht (op hetzelfde officieel ogende briefpapier) van de inbeslaggenomen coupures, aan welke documenten, zonder nadere onderbouwing, door het hof geen relevante betekenis wordt toegekend. Voorts roept genoemde mededeling de vraag op waarom geld dat bestemd is voor de aankoop van materieel voor Liberia in ontvangst moet worden genomen in Nigeria en vervolgens via Amsterdam naar Libanon moet worden overgebracht. En meer in het algemeen is onduidelijk gebleven waarom voor het overbrengen van het geld geen bancaire route is gebruikt.

Door de verdediging is ter zitting in hoger beroep van 19 april 2012 verzocht dhr. getuige 3 als getuige te horen, die ter zitting was verschenen. De stelling dat deze consul werkzaam was bij de Liberiaanse ambassade in Bonn is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd, reden waarom het hof ervoor heeft geopteerd inlichtingen te doen inwinnen door de raadsheer-commissaris bij de Liberiaanse autoriteiten door tussenkomst van de Liberiaanse ambassade in Brussel. Van voornoemde getuige 3 bevindt zich wel een brief van 7 september 2007 aan de voormalige raadsman van de verdachte in het dossier, alsmede twee bijgevoegde “notes verbale” maar de authenticiteit daarvan valt niet na te gaan.

Bij gebrek aan medewerking van de Liberiaanse autoriteiten heeft het aan de raadsheer-commissaris opgedragen onderzoek geen resultaten opgeleverd. Wel heeft de raadsheer-commissaris nog pogingen ondernomen een zekere getuige 4 als getuige te doen horen, maar ook die pogingen waren tevergeefs. Deze als “senator” aangeduide getuige 4 heeft op 14 maart 2006 een telefoongesprek gevoerd met getuige 2, waarin blijkens de weergave van dat gesprek in het dossier gesproken werd over het rechtzetten/corrigeren van informatie, over een vervalst document en een stempel dat getuige 2 bij zich had. Mede tegen deze achtergrond kan de zich in het dossier bevindende brief van 6 juli 2006 van deze getuige 4 die zich presenteert als “Chairman Parliamentary Committee on Foreign Affairs” niet serieus worden genomen, nog daargelaten het feit dat ook de authenticiteit van deze brief niet kon worden vastgesteld.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ook neemt het hof als vaststaand aan dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet daarop was gericht. Het hof baseert dit oordeel op de omstandigheid dat de verdachte een grote hoeveelheid cash geld heeft aangenomen om te vervoeren van Amsterdam naar Libanon voor iemand die hij pas één keer eerder had gezien, zonder dat hij kennelijk heeft doorgevraagd naar de herkomst van het geld of zich anderszins van enige nadere informatie heeft voorzien. De verdachte heeft aldus welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om crimineel geld ging.

Bewezenverklaring

  • Witwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verduistering van een graafmachine die verdachte uit hoofde van een leaseovereenkomst onder zich had

Gerechtshof Den Haag 2 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:172 Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is gebleken dat verdachte als directeur/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap namens deze laatste op 23 oktober 2010 een lease-overeenkomst heeft gesloten met Amstel Lease/ABN Amro Lease (de laesemaatschappij) met betrekking tot een minigraver, merk Kubota, type KX41-3. Deze graafmachine is gekocht, betaald en in eigendom verworven door de leasemaatschappij en door deze aan vennootschap tegen een overeengekomen vergoeding in gebruik gegeven. Anders dan door de raadsman is gesteld, is niet aannemelijk geworden dat vennootschap of de verdachte op enig moment voor of na het aangaan van de lease-overeenkomst eigenaar van de graafmachine is geworden.

Voor zover de verdediging heeft beoogd om in hoger beroep haar verweer te handhaven, dat de verdachte er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de minigraver zijn eigendom was, verwerpt het hof ook dit verweer. Uit de bewoordingen van de overeenkomst volgt zonneklaar dat de leasemaatschappij de graafmachine koopt en in eigendom behoudt en de graafmachine enkel aan (het bedrijf van) de verdachte ter beschikking stelt. Bovendien heeft de verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, contact opgenomen met de leasemaatschappij toen hij niet langer in staat was om de leasetermijnen te betalen, met het verzoek om de graafmachine te mogen verkopen om van de opbrengst zijn schulden te betalen, waarop hij ook toen te horen kreeg van de leasemaatschappij dat dat niet was toegestaan. Hieruit volgt dat de verdachte, op het moment dat hij de graafmachine verkocht, wist, althans redelijkerwijs had kunnen en moeten weten, dat hij daartoe niet bevoegd was. Nu de verkoop van de graafmachine gezien kan worden als het als heer en meester beschikken daarover, had de verdachte op het moment van de verkoop op zijn minst het voorwaardelijk opzet op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de graafmachine.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan, voor het geval het hof niet tot een vrijspraak zou komen, om de curator in het faillissement van vennootschap, de heer mr. B. van Noort, als getuige te horen, nu die kan verklaren dat de verdachte legaal en bevoegd tot de verkoop van de minigraver is overgegaan.

Bewezenverklaring

Verduistering

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^