Aangepast PV van politie dat doelbewust de juiste gang van zaken maskeert leidt tot niet-ontvankelijkverklaring OM

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7633 Cem Polat (Guarda Advocaten) heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging het volgende aangevoerd. Er is als gevolg van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek geen sprake meer van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van behoorlijke procesorde voldoet en tevens is er sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 EVRM. De met opsporing belaste ambtenaren hebben doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. De enig juiste sanctie in deze is daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Door de politie zijn doelbewust wijzigingen in het oorspronkelijke proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2011, opgemaakt door verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3, aangebracht om te verdoezelen dat de verbalisanten van meet af aan vanuit een niet onderbouwde en onterechte verdenking van overtreding van de Opiumwet hebben gehandeld ten opzichte van verdachte en niet louter met het oog op inbeslagname van de auto vanwege een openstaande fiscale schuld. De aangebrachte wijzigingen hebben kennelijk tot doel gehad het onrechtmatige optreden buiten zicht van de rechter te houden. Op dit handelen kan maar één sanctie volgen en dat is het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van vormverzuimen die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Feiten

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer van de verdediging uit van de volgende feiten:

Op vrijdag 6 mei 2011 omstreeks 22.50 uur reden verbalisanten in een opvallend dienstvoertuig op de Provinciale weg N244 te Edam. Verbalisant 1 sorteerde voor om linksaf de Oosterweg op te rijden. Van voren naderde een personenauto, merk Volkswagen, type Golf 4 met het kenteken. In die auto bevond zich alleen de bestuurder. De bestuurder keek de verbalisanten opvallend lang aan.

De Volkswagen reed de Oosterweg op. Verbalisanten reden achter de auto en merkten dat de auto opvallend langzaam reed. Verbalisant 1 geeft in het verhoor bij de raadsheer-commissaris aan dat vanuit de leiding opdracht is gegeven speciaal uit te kijken naar Volkswagens Golf, omdat die wel vaker bij criminaliteit betrokken zijn. Desgevraagd deelde de centrale meldkamer aan verbalisanten mee dat de auto voor de belastingdienst gesignaleerd stond.

Verbalisanten besloten de bestuurder van de Volkswagen een stopteken te geven en de bestuurder bracht na enige tijd de auto tot stilstand, stapte uit de auto en liep richting verbalisanten.

Verbalisant 1 zag, nadat hij op verdachte was toegelopen, dat diens handen hevig trilden. Op enig moment heeft verbalisant 1 de kofferbak van de auto geopend en zag daarin twee grote witte emmers en een nog groter wit vat zonder etiketten staan. Verdachte gaf desgevraagd aan dat er latex in het vat zat.

Vervolgens is verdachte op verzoek van de verbalisanten in de auto van verbalisanten meegegaan naar het politiebureau te Purmerend en heeft een van de verbalisanten de auto van verdachte naar dat bureau gereden. Op het bureau aangekomen heeft verbalisant 1 verdachte gefouilleerd.

Op enig moment heeft verbalisant 1 een van de emmers geopend. In de emmer zat een pasta-achtige substantie. Vanwege de geur van de substantie vermoedden verbalisanten dat het hier ging om verdovende middelen. Verdachte is vervolgens aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en hem is hem de cautie gegeven. Uit nader onderzoek van de inhoud van zowel de emmers als het vat bleek dat het amfetamine betrof met een bruto gewicht van 42 kilogram.

Van de gang van zaken tot en met de aanhouding van verdachte is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat is ondertekend door verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3, genummerd PL11PU 2011030622-2, en gesloten en getekend op 7 mei 2011. Bij de stukken van de voorgeleiding/het voorlopig dossier is een exemplaar van dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd. In het einddossier bevindt zich eveneens een exemplaar van dit proces-verbaal.

Tussen de versie in het voorlopig dossier en de versie in het einddossier bestaan diverse verschillen, die niet alleen grammaticale en/of spellingstechnische verschillen betreffen.

Verbalisant 1 is door de raadsheer-commissaris gehoord op 5 december 2012. Hij heeft, onder meer, verklaard dat als een proces-verbaal van bevindingen eenmaal is getekend en er wat grote taalfouten inzitten, het kan zijn dat het proces-verbaal wordt gecorrigeerd en opnieuw wordt getekend. verbalisant 1 kan zich niet herinneren twee keer te hebben getekend. Als er wijzigingen zijn in wat er feitelijk staat, maakt men in zijn algemeenheid een aanvullend proces-verbaal. Hij verklaart verder dat hij gemerkt had dat de bestuurder van de Volkswagen hem opvallend lang aankeek. Later werd zijn aandacht nog meer getrokken, omdat de auto zo langzaam reed. verbalisant 1 geeft aan dat vanuit de leiding opdracht is gegeven speciaal uit te kijken naar Volkswagens Golf, omdat die wel vaker bij criminaliteit betrokken zijn.

Verbalisant 3 heeft bij de raadsheer-commissaris op 5 december 2012 onder meer verklaard dat hij maar één keer het proces-verbaal van bevindingen heeft getekend en dat hij niets heeft aangepast in het verbaal. Hem was niet bekend dat er onderdelen van het proces-verbaal zijn gewijzigd.

Verbalisant 2 heeft op 5 december 2012 tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij, voor zover hij zich kan herinneren, maar één keer zijn handtekening onder het bewuste proces-verbaal heeft gezet. Nadat hij het heeft getekend, heeft hij het niet aangepast. Hij herinnert zich dat verbalisant 1 op enig moment terug kwam met het proces-verbaal en zei dat hij een en ander met collega naam had besproken. Hij meent zich vaag te herinneren dat er toen wat zaken anders geformuleerd zijn.

Bij tussenarrest van 20 december 2013 heeft het gerechtshof geoordeeld dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het is het hof gebleken dat de verschillen in de processen-verbaal van bevindingen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die in meer of mindere mate de verdenking tegen verdachte op grond van de Opiumwet alsmede het onderzoek in de auto en naar de daarin aangetroffen vaten kunnen raken. Kort gezegd wilde het hof onderzocht hebben wie wijzigingen heeft aangebracht in het bewuste proces-verbaal van bevindingen en wanneer en met welke reden dat is gebeurd, terwijl niet is vermeld dat de wijzigingen zijn aangebracht.

Door onderzoeker bij de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van politie Noord-Holland is vervolgens een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de in het tussenarrest geformuleerde vragen. De resultaten van dit onderzoek heeft naam onderzoeker in een rapport met bijlagen van 13 maart 2014 en een aanvullend rapport van 21 maart 2014 met bijlagen weergegeven.

Een van de bijlagen van de rapportage van 13 maart 2014 betreft een overzicht van de verschillen tussen de beide versies van het betreffende proces-verbaal van bevinden (pagina 42 t/m 46). Op die verschillen komt het hof hierna nog terug.

Naam onderzoeker concludeert dat niet met zekerheid is vast te stellen door wie en wanneer de tweede versie van het proces-verbaal is opgemaakt. Ook is niet duidelijk geworden waarom de wijzigingen in het proces-verbaal zelf zijn aangebracht en niet in een nieuw aangemaakt proces-verbaal.

Naam onderzoeker heeft in het kader van zijn onderzoek een aantal personen geïnterviewd. Verbalisant 4 verklaart op pagina 59 van het rapport onder meer: "Het staat mij vaag bij dat voornaam verbalisant 1 (hof: verbalisant 1 ) zich niet helemaal prettig voelde over de commotie die was ontstaan, over de manier waarop hij de kofferbak van de auto had geopend. Daar hadden mensen kritiek op. Dat had te maken met de eventuele toestemming daarvoor."

Het hof stelt voorop dat het er in de kern bij de beoordeling van het verweer van de verdediging om gaat of verbalisanten het proces-verbaal van bevindingen, dat eerder ter hand was gesteld aan de rechter-commissaris in verband met de toetsing van de inverzekeringstelling en de vordering inbewaringstelling nadien op relevante punten hebben gewijzigd zonder dit te melden en zonder te melden met welke reden zij dit gedaan hebben en of dit het recht van verdachte op een eerlijk proces tekort heeft gedaan.

Bij de verschillen tussen de beide versies van het proces-verbaal van bevindingen die niet als louter grammaticale aanpassingen of herstel van spellingfouten kunnen worden bestempeld gaat het om de volgende verschillen (gecursiveerd weergegeven):

Blz. 2, alinea 8 1e versie: "Ik, verbalisant 1, vroeg verdachte of hij iets in zijn auto had wat verboden was."

In de 2e versie luidt deze passage als volgt: "Ik verbalisant 1 vroeg verdachte of hij iets in zijn auto had liggen wat verboden was. Ik vroeg dit omdat er beslag op de Volkswagen was gelegd."

Blz. 2, alinea 9: "Het is ons, verbalisanten, ambtshalve bekend dat voornamelijk personen die zich bezig houden met de handel in drugs meerdere telefoons bij zich hebben waarmee ze meerdere contacten middels meerdere telefoonnummers onderhouden." (Hof: deze passage volgt op een passage waarin verbalisanten relateren dat verdachte meerdere telefoons in de auto had liggen.)

In de 2e versie ontbreekt de gehele passage.

Blz. 2, alinea 10, 1e versie: "Ik verbalisant, verbalisant 1, vroeg verdachte of ik de kofferbak open mocht maken."

In de 2e versie luidt deze passage als volgt: "Ik verbalisant 1 vroeg verdachte of ik ter controle de kofferbak open mocht maken."

Blz. 3 alinea 2 1e versie: "Wij, verbalisanten, hoorden verdachte zeggen "in het vat zit latexverf" of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant 1, maakte de kofferbak dicht en vroeg verdachte of hij plaats wilde nemen in ons dienstvoertuig.

In de 2e versie staat er: "Wij verbalisanten hoorden verdachte zeggen "in het vat zit latexverf" of woorden van gelijke strekking. Omdat wij op een donkere landweg stonden, wilde ik verbalisant 1 met de auto en bestuurder naar het politiebureau om daar de zaak af te handelen".

Blz 4, alinea 3 1e versie: "Ik, verbalisant 1, doorzocht de auto en trof niets ter zake dienende aan".

In de 2e versie staat er: "Ik verbalisant 1 doorzocht de auto omdat wij deze over zouden dragen aan de belastingdienst. Ik trof niets ter zake dienende aan."

Blz 4, alinea 5 1e versie: "Wij, verbalisanten, merkten op dat verdachte opmerkelijk graag de emmers en het vat uit de auto wilde halen en buiten het politieterrein wilde zetten."

In de 2e versie luidt de passage: "Wij, verbalisanten, merkten op dat verdachte opmerkelijk graag de emmers en het vat uit de auto wilde halen en buiten het politieterrein wilde zetten. Vanaf het moment dat wij contact hadden met verdachte, tot het moment dat wij op de binnenplaats van het bureau waren, is verdachte niet aan de emmers en het vat geweest".

Het 1e verbaal is ondertekend door verbalisant 1 en verbalisant 2, de 2e versie door verbalisant 1, verbalisant 3 en verbalisant 2.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd als volgt:

Het is aannemelijk dat verbalisanten vrijwel meteen nadat zij in contact waren gekomen met verdachte hem wilden controleren en onderzoeken op overtreding van de Opiumwet. Zowel de hiervoor geciteerde verklaring van verbalisant 1 bij de raadsheer-commissaris over "criminele personenauto's van het merk VW type Golf, de passage in de eerste versie van het proces-verbaal over de ambtshalve kennis over het "verband" tussen het aanwezig hebben van meerdere telefoons en drugshandel (welke passage in de tweede versie geheel wordt weggelaten) als het zonder enige grond fouilleren van verdachte duiden daarop.

Oordeel hof

De hiervoor geciteerde verschillen/aanpassingen geven naar het oordeel van het hof alle aanleiding om aan te nemen dat men in de tweede versie elke mogelijke verwijzing naar een verdenking op grond van de Opiumwet heeft willen maskeren ter vermijding van discussie over de vraag of er wel een redelijk vermoeden van schuld ter zake van overtreding van de Opiumwet was toen men overging tot onderzoek aan de persoon van verdachte en de door hem bestuurde auto. Anders dan in de eerste versie wordt benadrukt dat men handelde vanwege het gelegde fiscale beslag, terwijl dat kennelijk niet (in elk geval niet alleen) de reden voor het handelen was.

Naar het oordeel van het hof levert de hiervoor beschreven gang van zaken een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. De rechtsgevolgen van het verzuim blijken niet uit de wet. Om te beoordelen of aan dat verzuim enig rechtsgevolg toekomt dient het hof rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt.

Het belang dat het geschonden voorschrift dient

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 152 jo 153 van het Wetboek van Strafvordering maken opsporingsambtenaren op ambtseed proces-verbaal op van door hen opgespoorde strafbare feiten of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of ondervonden. Zij doen dat onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. In hun proces-verbaal dienen te worden gerelateerd de feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang zijn voor de officier van justitie bij diens beslissing om al dan niet te vervolgen en voor de rechter voor al diens beslissingen waaraan dat proces-verbaal (mede) ten grondslag ligt. Het is dus van het allergrootste belang dat een proces-verbaal een juiste weergave is van al hetgeen door de betreffende opsporingsambtenaren bij de opsporing is waargenomen of ondervonden. Alle procespartijen moeten er immers op kunnen vertrouwen dat een proces-verbaal van de politie, waaraan door de rechter bij zijn oordeelsvorming doorgaans veel belang wordt gehecht, waarheidsgetrouw worden opgemaakt en dat dit proces-verbaal de werkelijke gang van zaken weergeeft.

De ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel

Naar het oordeel van het hof is doelbewust een proces-verbaal aangepast om de juiste gang van zaken te maskeren. De waarheidsvinding is hierdoor belemmerd en verdachtes recht op een eerlijk proces is hier tekort gedaan. Procespartijen moeten er op kunnen vertrouwen dat processen-verbaal van de politie, waaraan door de rechter bij zijn oordeelsvorming doorgaans uitermate veel belang wordt gehecht, waarheidsgetrouw worden opgemaakt en dat die de werkelijke gang van zaken weergeven. Dat laatste is hier niet het geval. Het hof oordeelt dit verzuim als zeer ernstig.

Het hiervoor genoemde belang, de ernst van het verzuim en het nadeel heeft het hof afgewogen tegen het belang van de samenleving bij vervolging en berechting van verdachte in deze zaak. Het hof komt na die afweging tot het oordeel dat de belangen van verdachte op grove wijze zijn veronachtzaamd en is dat er tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces en dat daarom aan het belang van de samenleving bij vervolging en berechting van verdachte hier het mindere gewicht toekomt. Het hof zal dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling ter zake van medeplegen van oplichting van een woningbouwvereniging en het plegen van valsheid in geschrifte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7391 De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde (oplichting). Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in zijn verklaring – dat hij te goeder trouw gehandeld heeft – gevolgd moet worden, waardoor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling zou ontbreken. Medeverdachte had de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, zodat verdachte mocht denken dat medeverdachte bevoegd was afspraken te maken en betalingen te ontvangen. In het verlengde van dit standpunt heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van medeverdachte als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman bepleit dat uit de bewijsmiddelen geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden, noch sprake is van medeplichtigheid, zodat ook via die weg vrijspraak zou moeten volgen.

Beoordeling hof

Betrouwbaarheid

Met betrekking tot de oplichting van woningstichting staat buiten kijf dat medeverdachte, inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van deze oplichting, de boekhouding van woningstichting heeft gemanipuleerd. Over de gang van zaken rond deze oplichting en verdachtes rol daarin zijn door verdachte en medeverdachte sterk uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarvan het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zal moeten vaststellen.

Ten aanzien van de door medeverdachte afgelegde inhoudelijke verklaringen merkt het hof op dat te betwijfelen valt of medeverdachte met betrekking tot de uitwerking van het financiële gedeelte – daar waar hij stelt slechts een fractie van het overeengekomen financiële voordeel te hebben gekregen – volledige openheid van zaken heeft gegeven. Daargelaten enig eigen belang dat medeverdachte hierbij kan hebben, blijkt reeds uit het dossier dat verdachte meerdere keren hoge bedragen op de privérekening van medeverdachte heeft gestort. Behoudens deze kanttekening, worden de verklaringen van medeverdachte voor het overige gesteund door de stukken in het dossier en vormen deze verklaringen zodoende een voor de hand liggende uitleg voor de gedragingen van verdachte met betrekking tot de vier door hem van woningstichting aangekochte panden. Daarnaast zijn de door medeverdachte afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen consistent.

Tegenover de door medeverdachte afgelegde verklaringen staan verdachtes sterk wisselende verklaringen, waarbij het voor het hof onbegrijpelijk is waarom verdachte niet onmiddellijk openheid van zaken zou geven, wanneer hij meende met een legitieme “deal” te maken te hebben gehad. De kern van verdachtes verklaringen – dat hij te goeder trouw gehandeld zou hebben – wordt overigens reeds ondermijnd door het feit dat verdachte behoorlijke sommen geld heeft overgemaakt op de privérekening van medeverdachte en betalingsbewijzen ontving (en indiende bij de hypotheekverstrekker) die niet overeenkwamen met hetgeen verdachte feitelijk zou betalen of zou hebben betaald. Daarnaast is voor de beweerdelijke afspraak dat verdachte de vier huizen met 20% korting zou kopen van woningstichting - buiten verdachtes verklaring daarover - geen enkel aanknopingspunt te vinden, terwijl een dergelijke gang van zaken allerminst gebruikelijk is bij de aankoop van een woning, ook indien de verkopende partij een woningbouwverenging betreft. Al deze feiten, in onderlinge samenhang beziend, maakt dat het hof aanleiding ziet om verdachtes verklaringen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De verklaring van medeverdachte acht het hof daarentegen om hiervoor genoemde redenen voldoende betrouwbaar om met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol voor het bewijs te bezigen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

Oogmerk en medeplegen

In zijn algemeenheid stelt het hof vast dat een fraudeconstructie zoals de onderhavige alleen mogelijk is indien met de koper van de woningen afspraken worden gemaakt over valse nota’s, de betalingen en in zijn algemeenheid de wijze waarop de aanschaf van de woningen geregeld wordt. Ook in de onderhavige zaak heeft een dergelijke samenwerking plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaringen van medeverdachte. Medeverdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 13 april 2015 verklaard dat hij en verdachte samen hebben bedacht hoe ze de fraudeconstructie – die medeverdachte zelf al eerder had gebruikt voor het frauderen met huurgelden ten behoeve van huurders – op andere wijze zouden kunnen benutten. Ze hebben vervolgens afspraken gemaakt over de verdeling van taken en van het geld dat met de fraude vrij zou komen. medeverdachte heeft op dit punt verklaard dat verdachte de woningen van woningstichting zou kopen en de financiering van de woning zou regelen, maar telkens minder voor de woningen zou betalen dan het feitelijk afgesproken aankoopbedrag, waarbij medeverdachte informatie van binnenuit verschafte. medeverdachte manipuleerde na de koop de administratie van woningstichting zodanig dat het leek alsof de aan woningstichting verschuldigde bedragen wel volledig door verdachte waren betaald. De namens woningstichting aan verdachte verstrekte betalingsbewijzen die tevens suggereerden dat de volledige afgesproken betalingstermijn was voldaan, zou verdachte indienen bij de hypotheekverstrekker, waarna het geld dat de hypotheekverstrekker uitkeerde tussen verdachte en medeverdachte zou worden verdeeld. Gelet op deze verklaring, alsmede de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die steun geven aan de gedachte dat dit ook de feitelijke gang van zaken is geweest, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waarbij ook verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Het hof verwerpt derhalve de door de raadsman gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van oplichting.

Feit 2 primair, 3 primair en 4: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van medeplegen van oplichting van een woningbouwvereniging en het plegen van valsheid in geschrifte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7391 De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte gedurende een zeer lange periode van ruim 2 jaar schuldig gemaakt aan oplichting van woningstichting. Deze oplichting bestond uit het dusdanig manipuleren van de boekhouding of administratie van woningstichting, waardoor het leek alsof de door verdachte van woningstichting gekochte woningen volledig aan woningstichting betaald waren, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is geweest. De door medeverdachte gefabriceerde valse betalingsbewijzen die zogenaamd namens woningstichting werden verstrekt, zijn door verdachte op zijn beurt bij de hypotheekverstrekker ingeleverd waardoor de hypotheekverstrekker geld uitkeerde. Verdachte en medeverdachte hebben deze ‘truc’ uitgehaald bij de koop van vier woningen.

In het verlengde van deze oplichting heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. Teneinde de financiering voor de koop van drie van de vier woningen rond te krijgen, heeft verdachte door hem valselijke opgemaakte werkgeversverklaringen bij de hypotheekverstrekker ingediend.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in zijn verklaring – dat hij te goeder trouw gehandeld heeft – gevolgd moet worden, waardoor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling zou ontbreken. Medeverdachte had de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, zodat verdachte mocht denken dat medeverdachte bevoegd was afspraken te maken en betalingen te ontvangen. In het verlengde van dit standpunt heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van medeverdachte als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman bepleit dat uit de bewijsmiddelen geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden, noch sprake is van medeplichtigheid, zodat ook via die weg vrijspraak zou moeten volgen.

Betrouwbaarheid

Met betrekking tot de oplichting van woningstichting (hierna: woningstichting ) staat buiten kijf dat medeverdachte, inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van deze oplichting, de boekhouding van woningstichting heeft gemanipuleerd. Over de gang van zaken rond deze oplichting en verdachtes rol daarin zijn door verdachte en medeverdachte sterk uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarvan het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zal moeten vaststellen.

Ten aanzien van de door medeverdachte afgelegde inhoudelijke verklaringen merkt het hof op dat te betwijfelen valt of medeverdachte met betrekking tot de uitwerking van het financiële gedeelte – daar waar hij stelt slechts een fractie van het overeengekomen financiële voordeel te hebben gekregen – volledige openheid van zaken heeft gegeven. Daargelaten enig eigen belang dat medeverdachte hierbij kan hebben, blijkt reeds uit het dossier dat verdachte meerdere keren hoge bedragen op de privérekening van medeverdachte heeft gestort. Behoudens deze kanttekening, worden de verklaringen van medeverdachte voor het overige gesteund door de stukken in het dossier en vormen deze verklaringen zodoende een voor de hand liggende uitleg voor de gedragingen van verdachte met betrekking tot de vier door hem van woningstichting aangekochte panden. Daarnaast zijn de door medeverdachte afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen consistent.

Tegenover de door medeverdachte afgelegde verklaringen staan verdachtes sterk wisselende verklaringen, waarbij het voor het hof onbegrijpelijk is waarom verdachte niet onmiddellijk openheid van zaken zou geven, wanneer hij meende met een legitieme “deal” te maken te hebben gehad. De kern van verdachtes verklaringen – dat hij te goeder trouw gehandeld zou hebben – wordt overigens reeds ondermijnd door het feit dat verdachte behoorlijke sommen geld heeft overgemaakt op de privérekening van medeverdachte en betalingsbewijzen ontving (en indiende bij de hypotheekverstrekker) die niet overeenkwamen met hetgeen verdachte feitelijk zou betalen of zou hebben betaald. Daarnaast is voor de beweerdelijke afspraak dat verdachte de vier huizen met 20% korting zou kopen van woningstichting - buiten verdachtes verklaring daarover - geen enkel aanknopingspunt te vinden, terwijl een dergelijke gang van zaken allerminst gebruikelijk is bij de aankoop van een woning, ook indien de verkopende partij een woningbouwverenging betreft. Al deze feiten, in onderlinge samenhang beziend, maakt dat het hof aanleiding ziet om verdachtes verklaringen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De verklaring van medeverdachte acht het hof daarentegen om hiervoor genoemde redenen voldoende betrouwbaar om met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol voor het bewijs te bezigen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

Oogmerk en medeplegen

In zijn algemeenheid stelt het hof vast dat een fraudeconstructie zoals de onderhavige alleen mogelijk is indien met de koper van de woningen afspraken worden gemaakt over valse nota’s, de betalingen en in zijn algemeenheid de wijze waarop de aanschaf van de woningen geregeld wordt. Ook in de onderhavige zaak heeft een dergelijke samenwerking plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaringen van medeverdachte. medeverdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 13 april 2015 verklaard dat hij en verdachte samen hebben bedacht hoe ze de fraudeconstructie – die medeverdachte zelf al eerder had gebruikt voor het frauderen met huurgelden ten behoeve van huurders – op andere wijze zouden kunnen benutten. Ze hebben vervolgens afspraken gemaakt over de verdeling van taken en van het geld dat met de fraude vrij zou komen. medeverdachte heeft op dit punt verklaard dat verdachte de woningen van woningstichting zou kopen en de financiering van de woning zou regelen, maar telkens minder voor de woningen zou betalen dan het feitelijk afgesproken aankoopbedrag, waarbij medeverdachte informatie van binnenuit verschafte. medeverdachte manipuleerde na de koop de administratie van woningstichting zodanig dat het leek alsof de aan woningstichting verschuldigde bedragen wel volledig door verdachte waren betaald. De namens woningstichting aan verdachte verstrekte betalingsbewijzen die tevens suggereerden dat de volledige afgesproken betalingstermijn was voldaan, zou verdachte indienen bij de hypotheekverstrekker, waarna het geld dat de hypotheekverstrekker uitkeerde tussen verdachte en medeverdachte zou worden verdeeld. Gelet op deze verklaring, alsmede de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die steun geven aan de gedachte dat dit ook de feitelijke gang van zaken is geweest, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waarbij ook verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Het hof verwerpt derhalve de door de raadsman gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van oplichting.

Feit 2 primair, 3 primair en 4: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof veroordeelt verdachte - anders dan de rechtbank - tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ter zake van gewoontewitwassen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3565 Bij vonnis waarvan beroep werd verdachte vrijgesproken van het hem onder 4 primair (gewoontewitwassen) en subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde, maar veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:

  • medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,
  • opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, en
  • medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep beperkt zich tot hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het hem onder 4 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;
  • subsidiair dat aan verdachte een andere straf zal worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 4 primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat:

  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn, in het bijzonder omdat geen sprake is van vermogensbestanddelen waarover men de beschikking had doordat belasting is ontdoken;
  • de opvatting van de officier van justitie dat sprake is van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte van de hand moet worden gewezen;
  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen uit misdrijf afkomstig zouden zijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, een deel van het aan de uitzendkracht uitbetaalde nettoloon zou zijn afgedragen aan de fiscus, zodat vennootschap van verdachte door een onjuiste aangifte loonheffing geen vermogensbestanddelen ter beschikking heeft gekregen. Het verweer ontbeert evenwel feitelijke grondslag, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat vennootschap van verdachte met uitzendkrachten een nettoloon had afgesproken. Daaruit volgt dat, indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, aan de uitzendkrachten hetzelfde nettoloon zou zijn uitbetaald, terwijl meer loonheffing zou zijn afgedragen aan de Belastingdienst. Het hof is dan ook van oordeel dat vennootschap van verdachte de beschikking had over vermogensbestanddelen doordat – door het doen van onjuiste aangiften – er loonheffing was ontdoken, welke vermogensbestanddelen derhalve afkomstig waren van enig misdrijf in de zin van artikel 420bis Sr.

Aan het verweer dat geen sprake zou zijn van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte is ten grondslag gelegd dat deze besmetting volstrekt onaanvaardbare implicaties heeft, aangezien in dat geval:

  • het de onderneming onmogelijk zou worden gemaakt om welke betaling dan ook te doen, aangezien elke betaling het overdragen, omzetten of gebruik maken van dat vermogen zou opleveren en dus witwassen zou zijn;
  • de curator, als deze op de hoogte raakt van de fiscale vergrijpen die zich in de onderneming hebben voorgedaan, moet begrijpen dat de boedel daardoor “besmet” is geraakt, zodat hij de boedel niet zou kunnen vereffenen, aangezien daarvoor noodzakelijkerwijs overdrachts- en dus witwashandelingen nodig zijn;
  • de vraag zich voordoet of de Ontvanger van de Belastingdienst, die weet dat in de onderneming fiscale vergrijpen hebben plaatsgevonden, zou mogen meewerken aan het ontvangen van belastingbetalingen uit het besmette vermogen van de onderneming.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig.

Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden.

In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

In het onderhavige geval zijn de vermogensbestanddelen waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat loonheffing was ontdoken, vermengd met het overige vermogen van vennootschap van verdachte Die vermogensbestanddelen laten zich in dat vermogen niet meer individualiseren in de zin dat met precisie kan worden aangewezen welk deel van het vermogen van misdrijf afkomstig is. Aldus is het legaal vermogen van vennootschap van verdachte ‘besmet’ geraakt doordat het is vermengd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen, zodat het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is.

Door overboeking van geldbedragen naar de rekening van vennootschap van verdachte is haar vermogen vervolgens eveneens ‘besmet’ geraakt, zodat dit vermogen gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig was. Dat heeft eveneens te gelden voor het vermogen van verdachte dat ‘besmet’ is geraakt door overboekingen van de rekeningen van vennootschap van verdachte en vennootschap van verdachte naar de rekening op naam van verdachte, welke rekening feitelijk in gebruik was bij verdachte.

Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen de vermogens van respectievelijk vennootschap van verdachte, vennootschap van verdachte en verdachte na de vermenging met het (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogen toch niet aan te merken als ‘gedeeltelijk van misdrijf afkomstig’ in de zin van de witwasbepalingen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het valselijk opmaken van kilometerregistratielijsten en het ten onrechte uitbetalen van nettoloon in de vorm van onbelaste kilometervergoedingen binnen vennootschap van verdachte in opdracht en onder leiding van verdachte plaatsvond. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de aangiften loonheffing onjuist werden gedaan en derhalve dat loonheffing werd ontdoken. Aldus heeft verdachte geweten dat zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken en die derhalve van misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist derhalve dat het vermogen van vennootschap van verdachte en – na overboeking van gelden vanuit vennootschap van verdachte – het vermogen van vennootschap van verdachte en zijn eigen vermogen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Het hof ziet zich nog gesteld voor de vraag vanaf welk moment het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig was. Daartoe moet het hof vaststellen vanaf welk moment zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen hebben bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in ieder geval vanaf week 8 van 2006, zijnde de periode van 20 tot en met 26 februari 2006, kilometerregistratielijsten valselijk werden opgemaakt. vennootschap van verdachte was op grond van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gehouden op uiterlijk 31 maart 2006 aangifte voor de loonheffing te doen over februari 2006. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt of en, zo ja, wanneer de aangifte loonheffing over de maand februari 2006 is gedaan. Aldus zijn twee situaties mogelijk:

  1. De aangifte is uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de aangifte in dat geval opzettelijk onjuist is gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.
  2. De aangifte is niet uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. De aangifte is aldus opzettelijk niet of niet tijdig gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.

In beide gevallen bevond zich op 1 april 2006 in het vermogen van vennootschap van verdachte een bedrag dat van misdrijf afkomstig was. Gelet daarop was het vermogen van vennootschap van verdachte vanaf 1 april 2006 gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2006 tot 31 maart 2008 geldbedragen – kort gezegd – heeft witgewassen.

Partiële vrijspraak

Het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde ziet op de overboeking van een bedrag of bedragen van (in totaal) 108.822,57 euro van de ene rekening van vennootschap van verdachte naar de andere rekening van vennootschap van verdachte. Het voorhanden bewijs schiet ervoor tekort dat door deze overboeking de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing is verborgen en/of verhuld dan wel is verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit bedrag of deze bedragen was. Evenmin is bewijs voorhanden dat verdachte dit bedrag of deze bedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt

Ten aanzien van het onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde stelt het hof voorop dat eerst nadat op 6 mei 2006 een bedrag van € 35.000,00 is overgeboekt van de rekening van vennootschap van verdachte naar de rekening van vennootschap van verdachte het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig is geweest. Uit het dossier kan niet blijken of het bedrag of de bedragen van (in totaal) 97.497,02 euro voor of na 6 mei 2006 zijn overgeboekt vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat dit bedrag of deze bedragen afkomstig was of waren uit enig misdrijf. Voorts is de factuur groot 10.387,90 euro reeds op 6 februari 2006 betaald door overboeking van dat bedrag vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat niet kan worden bewezen dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is.

Bewezenverklaring

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens artikel 10.2 Wet milieubeheer. Geen verlies van status afvalstof door nuttige toepassing.

Gerechtshof Amsterdam 19 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3732 Verdachte heeft houten pallets (met daaraan bevestigd plastic) op en in een weiland gestort ter versterking van oevers en ter versteviging van de bodem.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de door hem gebruikte pallets waren gemaakt van onbehandeld en schoon hout, derhalve een bodemeigen product, welke geen nadelig effect heeft voor het milieu of de volksgezondheid. De verdachte heeft door de pallets bij de oever op en in de bodem van een weiland te brengen, beoogd hiermee de bodem te verstevigen en de (aan)groei van riet aan de oever van dat weiland te bevorderen. Het hof vat dit betoog van de verdachte aldus op, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij door zijn handelingen een nuttige toepassing heeft gegeven aan de pallets, waardoor deze niet langer als afvalstof kunnen worden aangemerkt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd.

Het hof overweegt en beslist dienaangaande als volgt.

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet Milieubeheer in artikel 1.1 het begrip afvalstoffen als: alle stoffen, preparaten of voorwerpen (hierna alleen aangeduid met ‘stoffen’), waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Op grond van uitspraken van het Europese Hof van Justitie en de Raad van State dient het begrip ‘het zich ontdoen van’ ruim te worden uitgelegd om te voorkomen dat er stoffen ongecontroleerd in het milieu terechtkomen, die er niet thuishoren. Voor de vraag of een stof een afvalstof is, is niet relevant of de stof verontreinigd is of schoon en/of de stof nog economische waarde heeft.

Wel kunnen stoffen die op grond van bovengenoemde definitie als afvalstof dienen te worden aangemerkt nuttig worden toegepast en daarmee hun (juridische) status als afvalstof verliezen, mits wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, 2008/98/EG, PbEU L 312 (overgenomen in artikel 1.1 lid 6 Wet milieubeheer).

Artikel 6, tweede lid van de Kaderrichtlijn bevat de volgende criteria voor de kwalificatie einde-afvalfase:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen, en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Het gebruik van houten pallets (met daaraan nog bevestigd enig plastic) voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers voldoet niet (aantoonbaar) aan alle vier criteria. Ook uit de door het Hoogheemraadschap aan de Natuurvereniging ‘Water, Land en Dijken’ – waarbij verdachte is aangesloten - verleende vergunning in het kader van de subsidieregeling blijkt dat het niet de bedoeling was om houten pallets op/aan de kant van de oevers te gebruiken.

Verdachte heeft op zitting ook nog aangevoerd dat houten pallets geschikt zijn voor het versterken van de oevers (ter voorkoming van afkalving) en ter versteviging van de bodem (het dichten van zogenoemde

kleigaten). Ook ten aanzien van deze toepassing is niet gebleken dat de door verdachte gebruikte pallets (aantoonbaar) aan alle vier hiervoor genoemde criteria voldoen. Daarnaast had verdachte - alvorens tot dat gebruik over te gaan - een ontheffing op grond van artikel 10.63 lid 2 Wet milieubeheer kunnen aanvragen. Dat heeft verdachte niet gedaan. Indien en voor zover het verweer van verdachte mede betrekking heeft op de vrijstellingen op grond van de Besluit bodemkwaliteit, merkt het hof op dat verdachte dat onvoldoende heeft onderbouwd.

De verdachte heeft zich derhalve ontdaan van de houten pallets (met daaraan nog bevestigd enig plastic) door het storten ervan op en in het weiland grenzend aan de sloot.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van verdachte.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €2.000 met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^