Mededeling van politie aan secretaresse raadsman dat verdachte was heengezonden en de zaak niet naar het OM zou worden verzonden. Afwijzing beroep op schending vertrouwensbeginsel.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3013 Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden wegens (i) Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met betrekking tot munitie van categorie III; (ii) Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onder 5.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Namens verdachte is aangevoerd dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd dat door de politie aan de secretaresse van de raadsman op 7 februari 2013 de mededeling is gedaan dat verdachte was heengezonden en de zaak niet naar het openbaar ministerie zou worden verzonden.

Het hof overweegt dat de mededeling zoals aangevoerd namens verdachte – welke mededeling is gedaan aan de secretaresse van de raadsman en niet aan verdachte zelf – gelet op zijn inhoud zonder nadere uitleg niet kan worden opgevat als een toezegging dat verdachte in onderhavige strafzaak niet zou worden vervolgd. Het had op de weg van de verdediging gelegen de politie hierover – bij voorkeur schriftelijk – een nadere toelichting te vragen. Niet is gebleken dat de verdediging met betrekking tot deze mededeling nadere inlichtingen heeft ingewonnen. Onder deze omstandigheden kon en mocht verdachte aan deze aan de secretaresse van zijn raadsman gedane mededeling niet het vertrouwen ontlenen dat hij ter zake van onderhavige feiten niet zou worden vervolgd.

Ook de omstandigheid dat verdachte met betrekking tot deze feiten niet bij de rechter-commissaris is voorgeleid, zoals betoogd door de verdediging, kan zulks niet met zich meebrengen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling bestuurder van een rechtspersoon tot 6 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk wegens bedrieglijke bankbreuk

Gerechtshof Den Haag 11 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2207 Verdachte wordt ervan verdachte zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig te hebben gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door een partij marmer aan de failliete bedoel te onttrekken en in strijd met een op hem rustende wettelijke verplichting na te laten een deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en tevoorschijn te brengen.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. Voorts blijkt volgens de raadsvrouw niet welke feitelijke handelingen de verdachte heeft verricht om de inventaris aan de boedel te onttrekken en dat de gedragingen opzettelijk door hem zijn gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting staat vast dat de verdachte niet heeft gemeld dat er een partij marmer was die tot de boedel behoorde. De verdachte heeft ook nimmer duidelijk gemaakt aan wie deze partij marmer in eigendom toebehoorde; hij heeft dienaangaande juist wisselende en elkaar tegensprekende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij eerst aan de curator gezegd dat de partij marmer eigendom was van één van zijn andere B.V.’s, welke verklaring hij tegenover de politie heeft herhaald, om vervolgens ter terechtzitting in eerste aanleg te verklaren dat de partij marmer grotendeels eigendom was van x. Vanaf de vondst van de partij marmer door de curator heeft de verdachte over het eigendom daarvan schimmig gedaan.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop gericht was.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht bewezen verklaard: het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben; en het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf  van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling algemeen directeur abortuskliniek voor valsheid in geschrifte en oplichting: verzuimd de benodigde maatregelen te nemen om fraude te voorkomen

Gerechtshof Den Haag 21 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2056 Verdachte was er als directeur verantwoordelijk voor dat de Stichting ten onrechte subsidie aanvroeg voor abortusbehandelingen van buitenlandse patiënten, waarvan in het geheel niet vaststond noch was gecontroleerd of zij daadwerkelijk hiervoor in aanmerking kwamen, door in strijd met de waarheid formulieren in te vullen. Hierdoor heeft zij de verzekeraar bewogen tot afgiften van geldbedragen waar de Stichting achteraf geen recht toe had.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd:

  • Feit 1: Verduistering in dienstbetrekking.
  • Feit 2: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan valsheid in geschrift.
  • Feit 3 primair: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan verduistering.
  • Feit 3 subsidiair: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan oplichting.
  • Feit 4 primair: Witwassen.
  • Feit 4 subsidiair: Schuldwitwassen.

Vrijspraak

Feit 1

Naar het oordeel van het hof is overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.

Feit 3 primair

Voorts is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd, gelet op het ontbreken van bewijs voor het tijdstip van het ontstaan van het oogmerk van de wederrechtelijke toe-eigening van de tenlastgelegde bedragen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Feit 4

Ter zake van feit 4 is het hof van oordeel dat de verdachte als feitelijk leidinggevende slechts verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onterechte ontvangst van subsidie voor niet subsidiegerechtigden over de jaren 2007 en 2008. Dit betreft een bedrag dat op het totaal van de begroting van de Stichting van dusdanig geringe omvang is, dat het niet aangaat salarisbetalingen uit het overigens rechtmatig verkregen budget van de Stichting als witwassen aan te merken, laat staan de handelingen die verdachte ten aanzien van haar salaris heeft verricht, aangezien het hof bij het bepalen van een oordeel over feit 4 alleen heeft te oordelen over het handelen van de verdachte en niet over het handelen van de Stichting. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde gedragingen, nu zij daarmee geen feitelijke bemoeienis heeft gehad en zij daarvoor, gezien de interne organisatie, ook niet verantwoordelijk was.

Oordeel hof

Verdachte droeg binnen de organisatie als visie uit dat vrouwen die bij de stichting aanklopten voor een abortus geholpen dienden te worden ook als zij daarvoor niet of niet geheel konden betalen. Er werd niet vastgelegd wie welk bedrag contant had betaald, zodat niet te verifiëren was welke patiënten betaalde hulp hadden ontvangen. Verder werd niet vastgelegd of en zo ja, op welke manier, was vastgesteld of een patiënt subsidiegerechtigd was. Uit diverse verklaringen van medewerkers van de kliniek blijkt dat de verdachte hiervan op de hoogte was en terughoudendheid voorstond en ook uitdroeg als het ging om het vaststellen van de woonplaats van patiënten in verband met al dan niet vermeende schending van privacy bepalingen. Verdachte was als algemeen directeur verantwoordelijk voor de subsidieaanvragen en de administratieve onderbouwing daarvan. Zij oefende geen controle uit op het tot stand komen van de cijfermatige basis onder de subsidieverzoeken.

Door enerzijds te bevorderen dat er ondeugdelijk werd geadministreerd en anderzijds geen controle uit te oefenen op het proces van subsidieaanvragen en de onderbouwing daarvan, heeft verdachte als algemeen directeur verzuimd de benodigde maatregelen te nemen om fraude te voorkomen en daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ten laste gelegde gedragingen konden plaatsvinden.

Bewezenverklaring

Feit 2: Valsheid in geschrifte, terwijl zij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Feit 3 subsidiair: Oplichting, terwijl zij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot voorwaardelijke een geldboete van €25.000 met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak medeplegen: de enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen feitelijk zijn gepleegd door verdachte en diens gedragingen aan de rechtspersoon zijn toegerekend, kan niet meebrengen dat verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5393 Aan verdachte is ten laste gelegd:

  • (medeplegen van) opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, door zelf verpakkingen van 100 milliliter te maken van gewasbeschermingsmiddelen zonder op de verpakking een etiket aan te brengen (feit 1).
  • (medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen biociden, door zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen te ontvangen en voorhanden te hebben gehad (feit 2).
  • (medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, doordat heeft hij, als distributeur van gewasbeschermingsmiddelen, geen registers heeft bijgehouden van de gewasbeschermingsmiddelen die hij heeft opgeslagen en/of op de markt heeft gebracht en/of die registers niet gedurende ten minste vijf jaar heeft bewaard (feit 3).

Vrijspraak feit 3

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘distributeur’ in de zin van artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden definieert in het eerste lid het begrip ‘distributeur’ als:

‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervoor zorgt dat gewasbeschermingsmiddelen of biociden in de handel verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothandelaren, detailhandelaren, verkopers en leveranciers.’

Het hof is van oordeel dat de rechtspersoon bedrijf in de onderhavige zaak als distributeur is aan te merken op grond van artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het hof acht het geen juiste interpretatie van dit artikel dat náást de rechtspersoon, óók elk personeelslid - althans één of meerdere personeelsleden - van deze rechtspersoon als distributeur is/zijn aan te merken.

In de onderhavige zaak gaat het hof ervan uit dat uitsluitend bedrijf als distributeur is aan te merken. Nu het hof verdachte niet ook als distributeur ziet in de zin van het hiervoor genoemde artikel, spreekt het hof hem vrij van het onder 3 tenlastegelegde.

Voor het verwijt dat verdachte tezamen en in vereniging met bedrijf heeft gehandeld, is naar het oordeel van het hof in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig. Daarom is ook geen sprake van medeplegen.

Vrijspraak medeplegen feit 1 en 2

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en bedrijf niet allebei als medepleger aangemerkt kunnen worden.

Het hof spreekt verdachte vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen. De enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen feitelijk zijn gepleegd door verdachte - als manager van bedrijf - en diens gedragingen vervolgens aan bedrijf zijn toegerekend, kan niet meebrengen dat verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. Voorts is er onvoldoende bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte tezamen met één of meer andere personeelsleden van bedrijf het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Feit 1: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meermalen gepleegd.

Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, door zelf verpakkingen van 100 milliliter te maken van gewasbeschermingsmiddelen zonder op de verpakking een etiket aan te brengen.

Voorts heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen biociden, door zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen te ontvangen en voorhanden te hebben gehad.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een voorwaardelijke taakstraf  van 30 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot een voorwaardelijke taakstraf van 10 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraken hypotheekfraude

Gerechtshof Amsterdam 3 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1860 Ten aanzien van verdachte is de verdenking gerezen dat deze, al dan niet samen met medeverdachte 1 en 2, een inkomensverklaring en/of aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt en dat hij die heeft gebruikt om een hypothecaire lening te verkrijgen.

Na bestudering van het dossier en mede acht slaande op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, constateert het hof dat veel van de gang van zaken omtrent de aanvraag van de hypotheek door medeverdachte 1 onduidelijk is gebleven. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte samen met anderen, te weten medeverdachte 1 en/of medeverdachte 2, althans alleen, een inkomensverklaring en/of aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt en dat hij die heeft gebruikt om een hypothecaire lening te verkrijgen.

De verdachte heeft zijn broer, medeverdachte 1, in contact gebracht met de medeverdachte 2, die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaamheden verrichtte als hypotheekadviseur. Medeverdachte 1 heeft bij medeverdachte 2 geïnformeerd naar de mogelijkheden tot het kopen van een huis. Door zowel de verdachte als medeverdachte 1 is ontkend dat de verdachte bij die afspraken tussen medeverdachte 1 en medeverdachte 2 aanwezig is geweest. Uiteindelijk wordt besloten tot het indienen van een hypotheekaanvraag in verband met de aankoop van de woning aan de adres 2 te Amsterdam. Op basis van de door medeverdachte 1 en medeverdachte 2 ingediende gegevens wordt uiteindelijk een hypotheekovereenkomst afgesloten die de aankoop van de woning mogelijk maakt.

Het staat vast dat de verdachte voorafgaand aan de aankoop van de betreffende woning betrokken is geweest bij – in ieder geval – één bezichtiging van de woning. Na de aankoop van de woning is de verdachte, met zijn vrouw destijds, tevens betrokken geweest bij het klussen en inrichten van de woning. Voorts verblijft de verdachte af en aan in de woning, kennelijk variërend van enkele dagen tot enkele weken, met of zonder zijn dochtertje. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij medeverdachte 1 af en toe geld gaf voor zijn verblijf in de woning of als zijn broer wat krap zat. Ook andere familieleden droegen bij aan de betaling van de vaste lasten die gepaard gingen met de betreffende koopwoning.

Bij de doorzoeking is een boekje van de verdachte in beslag genomen met daarin enkele aantekeningen die verband lijken te houden met de gang van zaken omtrent de aankoop van de woning.

Voor zover kan worden vastgesteld is de verdachte niet daadwerkelijk bij het ondertekenen van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek betrokken geweest.

Gelet op het voorgaande is niet vast te stellen of de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten bij het valselijk opmaken van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek. Het enkele feit dat de verdachte een nauwe band heeft met zijn broer, hem helpt met het huis, daar regelmatig over de vloer komt en zijn broer af en toe helpt bij de aflossing van de hypotheek, maakt nog niet dat hij opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van de inkomensverklaring, noch dat hij het oogmerk heeft gehad op de misleiding van de hypotheeknemer met de valselijk opgemaakte inkomensverklaring en aanvraagformulier hypotheek. Ook het belang van de verdachte bij de (mogelijke) aankoop van het huis via zijn broer is onduidelijk gebleven. De verdachte en zijn partner hadden ten tijde van het ten laste gelegde feit immers wél een inkomen met de daarbij horende mogelijkheden tot de aanvraag van een hypothecaire lening.

De aantekeningen van de verdachte in het in de woning aangetroffen boekje, maken dit niet anders, aangezien er te veel onduidelijkheden blijven bestaan over de interpretatie van de inhoud en de strekking van die aantekeningen en ook in welke tijd deze zijn geschreven. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte zelf een hypotheek wilde aanvragen en zich in de aantekeningen afvroeg hoe zijn broer een en ander had geregeld met medeverdachte 2 en/of welke vragen hij dienaangaande nog diende te stellen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 3 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1868

Ook medeverdachte 2 (de hypotheekadviseur) wordt vrijgesproken.

Vooropgesteld zij dat de verdachten elkaar kennen vanuit de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam. Medeverdachte 2 heeft zijn broer medeverdachte 1 in contact gebracht met de verdachte, die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaamheden verrichte als hypotheekadviseur. Medeverdachte 1 informeert bij de verdachte over de mogelijkheden tot het kopen van een huis. De verdachte is er vanuit gegaan dat medeverdachte 1 op dat moment reeds rijinstructeur was en daarmee over een inkomen beschikte. Volgens de verdachte heeft medeverdachte 1 stukken (jaarstukken en prognose) overgelegd ter onderbouwing van zijn inkomen (als startend ondernemer/ rijinstructeur).

De verdachte heeft medeverdachte 1, als een kennis uit diezelfde Marokkaanse gemeenschap, een steuntje in de rug gegeven door het inkomen van laatstgenoemde via een inkomensformulier door te geven bij de hypotheekaanvraag. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten gingen banken, in het bijzonder de bedrijf 2, soepel om met dit soort verklaringen en was de controle op het inkomen van de aanvrager minder stringent dan thans het geval is. De verdachte was als hypotheekadviseur bekend met dit gegeven.

Het tijdsverloop in het opsporingsonderzoek heeft het nadelige gevolg gehad dat het dossier met betrekking tot het door de verdachte verstrekte hypotheekadvies, incluis de daarbij behorende stukken en werkzaamheden, niet meer te achterhalen viel in 2012.

Het hof kan derhalve niet vaststellen of de verdachte zijn werk als hypotheekadviseur al dan niet naar eer en geweten heeft uitgevoerd.

Indien medeverdachte 1 inderdaad stukken aan de verdachte heeft overgelegd, is het mogelijk dat de verdachte deze onvoldoende kritisch heeft bekeken, maar zelfs bij een dergelijke constatering behoeft de verdachte nog altijd geen oogmerk te hebben gehad op de misleiding van de uiteindelijke hypotheeknemer. Het hof kan echter over het een noch het ander oordelen nu het bestaan en de inhoud van die stukken onduidelijk blijft.

Evenmin is komen vast te staan wat het belang van de verdachte zou zijn geweest bij het valselijk opmaken van de betreffende documenten. Er is geen enkel bewijsmiddel waaruit blijkt dat hij meer of anders betaald zou krijgen dan de voor hem normale provisie bij dit soort transacties, voor zover geldelijk gewin een drijfveer zou zijn geweest voor zijn handelen.

Bij deze stand van zaken kan, op grond van de vaststellingen zoals die zijn gedaan, niet worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met medeverdachte(n) bij het valselijk opmaken van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek mét het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. Evenmin volgt uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dat het de verdachte zelf is geweest die de betreffende inkomensverklaring en het daarop volgende aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^