Veroordeling wegens valsheid in geschrifte. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Gerechtshof Den Haag 21 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2057 Verdachte heeft opzettelijk documenten vals opgemaakt op basis waarvan te hoge subsidie werd aangevraagd en is toegekend aan een Stichting.

Door de raadsman is bepleit dat het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, omdat er geen sprake is geweest van een redelijke en billijke belangenafweging omdat wel de verdachte en niet Persoon 1 en Persoon 2 zijn vervolgd.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie als onderscheidend criterium aangebracht dat het verdachte is geweest – en niet Persoon 1 en Persoon 2 - die de gewraakte en op de tenlastelegging vermelde formulieren aantal patiënten heeft opgemaakt die als grondslag dienen voor de subsidieaanvragen en dat de verdachte zulks ook niet heeft ontkend. Van strijd met het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken. Het verweer wordt daarom verworpen.

Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €5.000 met een proeftijd van 2 jaar. Bij de oplegging van de straf heeft het hof de media-aandacht in de onderhavige zaak meegewogen en het feit dat de verdachte inmiddels op gevorderde leeftijd is.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens deelname aan criminele organisatie die zich bezig hield met oplichting van de Belastingdienst en witwassen van de daaruit verkregen geldbedragen

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1891 Verdachte heeft zich in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 21 februari 2011 schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezig hield met oplichting van de Belastingdienst en witwassen van de daaruit verkregen geldbedragen. De verdachte en zijn mededaders hebben hiertoe de burgerservicenummers, DigiD-gebruikersnamen en –wachtwoorden, bankpasjes en pincodes van (onwetende) personen verkregen en hebben hiermee – langs digitale weg – aanvragen dan wel wijzigingen ten behoeve van toeslagen doorgevoerd en het hieruit verkregen geld van de Belastingdienst doorgestort op (andere) bankrekeningen en/of contant opgenomen. In het kader van de deelneming aan de criminele organisatie heeft de verdachte zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door een grote hoeveelheid digitale formulieren aanvragen en wijzigingen ten behoeve van de Belastingdienst valselijk op te maken en heeft hij zich bovendien schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

Aangifte of aanvraag in de zin van de wet

Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting alsmede ter zake van de onder 2 ten laste gelegde aanvragen dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van een aangifte dan wel aanvraag in de zin van de wet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Nu de verdachte ter zake van het onder 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde wordt vrijgesproken, behoeft het verweer van de raadsman hieromtrent bij gebrek aan belang geen bespreking. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de betreffende aanvragen als geschriften kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

Deelneming aan een criminele organisatie

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van (deelneming aan) een criminele organisatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheid dat tussen de verdachte en de andere(n) ook sprake was van een vriendschappelijk of familiair verband, maakt dit niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, geen termen aanwezig om naast de gevangenisstraf een geldboete op te leggen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1892

Een medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden.

Deelneming aan criminele organisatie

Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van (deelneming aan) een criminele organisatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheid dat tussen de verdachte en de andere(n) ook sprake was van een vriendschappelijk of familiair verband, maakt dit niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1890

Een andere medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

In het voordeel van de verdachte slaat het hof acht op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor dergelijke feiten. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte enige openheid van zaken heeft gegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Foutief gebruik door penitentiaire medewerkers van afstandsformulier voor een gedetineerde die weigert mee te werken aan het vervoer naar de rb, levert niet zonder meer valsheid in geschrift op

Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2754 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde 1 en beklaagde 2, beiden werkzaam bij Penitentiaire Inrichting, ter zake van valsheid in geschrifte.

Achtergrond

Op 6 februari 2014 behandelde de rechtbank Amsterdam de strafzaak waarin klager verdachte was. Klager, die in voorlopige hechtenis was gesteld en zich in de Penitentiaire Inrichting bevond, wenste gebruik te maken van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling. In afwachting van de parketmedewerkers die hem naar de rechtbank zouden overbrengen, werd hij overeenkomstig de geldende procedure overgebracht naar de wachtcel. Klager wilde niet meewerken aan insluiting in de wachtcel. Beklaagde 1, die toen functioneerde als teamleider beveiliging, en betrokkene 1, een penitentiaire inrichtingswerker, hebben klager de procedure uitgelegd. Zij hebben klager gewezen op de mogelijkheid om een verklaring te ondertekenen, inhoudende dat hij afstand deed van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Klager zei dat hij niet in de wachtcel wilde plaatsnemen, maar wel naar de rechtbank wilde gaan en geen afstand deed. Klager was aan het schelden, riep doodsbedreigingen en werd fysiek agressief. Inmiddels was beklaagde 2 ook gearriveerd. Omdat klager zo agressief was, was er de noodzaak tot ingrijpen en is klager uiteindelijk naar de isoleercel gebracht.

De inmiddels gearriveerde parketmedewerkers waren getuige van het gedrag van klager en besloten uit veiligheidsoverwegingen af te zien van transport van klager. Beklaagde 1 besloot in eerste instantie dat klager terug zou worden gebracht naar zijn cel. De parketmedewerkers verzochten de medewerkers van de penitentiaire inrichting om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagde 1 heeft een formulier “afstandsverklaring” dusdanig ingevuld, dat het inhield dat klager afstand deed van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak en dat klager weigerde deze verklaring te ondertekenen. De twee penitentiaire inrichtingswerkers hebben, overeenkomstig de procedure in het geval een gedetineerde weigert de afstandsverklaring te ondertekenen, deze verklaring ondertekend. Beklaagde 2 deed dit op verzoek van beklaagde 1. Beklaagde 2 had van betrokkene 1 vernomen dat klager wel naar de zitting wilde gaan.

De gemachtigde van klager heeft in zijn hoedanigheid van raadsman telefonisch contact opgenomen met de penitentiaire inrichting, toen klager niet op de terechtzitting van de rechtbank verscheen, omdat hij ervan uitging dat klager zou komen. Hij vernam toen dat klager geen afstand had gedaan van zijn verschijningsrecht en heeft dit aan de rechtbank gemeld.

Beklaagden hebben verklaard dat zij niet het opzet hadden weer te geven dat klager afstand deed van diens recht op aanwezigheid ter terechtzitting en om klager te benadelen. Het was hun intentie de parketmedewerkers ter wille te zijn, die gelet op het oponthoud snel wilden vertrekken en vroegen om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagden hebben verklaard dat zij niet eerder hadden meegemaakt dat een gedetineerde wel naar zitting wilde gaan, maar niettemin geen medewerking verleende. In de hectiek van het moment hebben zij het enige formulier waarover zij beschikten gebruikt, zonder na te denken over de portee van hun handelwijze. Uit de verklaringen van beklaagden blijkt dat zij er niet aan hebben gedacht een rapport of proces-verbaal op te maken, inhoudende de reden dat klager geen gebruik kon maken van de geboden transportmogelijkheid.

Naar aanleiding van de melding van het incident door de gemachtigde aan de officier van justitie heeft het Openbaar Ministerie de beklaagden erop gewezen dat zij verkeerd hebben gehandeld en dat zij verslag hadden moeten doen van de feitelijke gang van zaken.

Beoordeling van het beklag

Vooropgesteld moet worden dat het het hof heeft geschokt en verbaasd, dat slechts door het alerte handelen van klagers gemachtigde ternauwernood is voorkomen dat aan klager het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak - een fundamenteel rechtsbeginsel – werd onthouden. Het staat buiten kijf dat voor een adequate rechtsbescherming vereist is dat rechters kunnen vertrouwen op de juistheid van afstandsverklaringen. Het is dan ook verontrustend dat er aanwijzingen zijn dat de onderhavige zaak niet op zichzelf staat, maar dat soortgelijke feiten zich vaker hebben kunnen voordoen in penitentiaire inrichtingen.

Hoe ernstig de gevolgen van het handelen van beklaagden ook hadden kunnen zijn, dit leidt niet zonder meer tot toewijzing van het beklag. Daartoe heeft het hof immers te beoordelen of deze zaak met een gerede kans op een veroordeling aan de strafrechter kan worden voorgelegd; indien het antwoord op die vraag bevestigend is, heeft het hof te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is om het Openbaar Ministerie daartoe bevel te geven.

Voor een veroordeling wegens valsheid in geschrift is onder meer vereist dat beklaagden zich ervan bewust waren dat zij de afstandsverklaring valselijk opmaakten en dat zij het oogmerk hadden om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Hoewel bij eerste lezing van de afstandsverklaring moeilijk voorstelbaar is dat aan deze vereisten niet is voldaan, acht het hof de voor hun handelen gegeven verklaringen van de beklaagden plausibel. Beklaagden hebben onder hectische omstandigheden moeten improviseren en hebben daarbij niet onderkend dat het gebruik het enige hun ter beschikking staande formulier een verkeerde indruk zou wekken. Dit leidt tot de conclusie dat de kans op een succesvolle vervolging klein te achten is.

Ondanks de ernst van de kwestie ziet het hof onvoldoende aanleiding om een bevel tot vervolging te geven om die kleine kans op bewezenverklaring te beproeven. Inmiddels hebben leidinggevenden en de officier van justitie beklaagden gewezen op het onwenselijke van hun gedrag, zijn zij door de politie gehoord en is in raadkamer door het hof voorgehouden hoe ernstig de consequenties van hun handelen hadden kunnen zijn. Voorts is klager, door adequaat optreden van zijn raadsman, niet in zijn belangen geschaad.

Alles overwegende, is het hof van oordeel dat een strafrechtelijke vervolging te weinig toegevoegde waarde heeft.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag ex artikel 12 Sv: namens officier van justitie raadselachtige sepotbrief gestuurd

Gerechtshof Amsterdam 22 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2515 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde, wonende te Amsterdam, ter zake van mishandeling en bedreiging.

Klager heeft op 15 december 2014 aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging door beklaagde, een buurman. Volgens de aangifte ontstond een woordenwisseling met beklaagde, toen die zijn auto niet aan klager wilde uitlenen. Klager is door beklaagde geduwd. Beklaagde uitte bedreigingen en kwam met een krik in zijn hand naar klager toe lopen. Beklaagde sloeg klager met zijn vuist op de kin, hetgeen pijn deed maar verder geen letsel heeft veroorzaakt.

Beklaagde, gehoord als verdachte, heeft verklaard dat klager onredelijk werd toen hij hem zijn auto niet wilde uitlenen. Beklaagde heeft klager geduwd.

Net na het incident heeft beklaagde tegen een verbalisant gezegd klager een klapje in het gezicht te hebben gegeven en een krik boven zijn hoofd te hebben gehouden.

Volgens het ambtsbericht is de zaak namens de officier van justitie voorwaardelijk geseponeerd.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht een gerede kans aanwezig dat de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen op grond van de aangifte en de verklaringen van beklaagde tot een bewezenverklaring ter zake van mishandeling en bedreiging zou kunnen komen.

Dat is ook de opvatting van het Openbaar Ministerie.

In de brief die klager namens de officier van justitie heeft ontvangen is dat echter niet te lezen. In deze brief is ook niet vermeld dat het om een voorwaardelijk sepot gaat, te weten dat beklaagde niet zou worden vervolgd als hij gedurende een proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Aan klager is slechts bericht dat “bestuurlijke of semi-strafrechtelijke maatregelen” tegen beklaagde zullen volgen die “uit overwegingen van billijkheid en/of doelmatigheid” (die niet nader gespecificeerd zijn) de voorkeur verdienen boven strafrechtelijke vervolging. Het is begrijpelijk dat klager aan deze informatie geen touw heeft weten vast te knopen. Wellicht had het klager gerustgesteld als hem door het Openbaar Ministerie was duidelijk gemaakt dat werd bedoeld dat beklaagde niet zomaar met zijn gedrag jegens klager kon wegkomen en dat, als hij zich opnieuw jegens klager aan wetsovertreding zou schuldig maken, hij alsnog vervolgd zou worden voor het feit waarvan klager aangifte had gedaan.

Het hof heeft begrip voor dat standpunt van het Openbaar Ministerie.

Uit de stukken komt naar voren dat partijen in dezelfde straat wonen en elkaar regelmatig tegenkomen. In zulke gevallen ligt het in de rede incidenten niet te spoedig aan de strafrechter voor te leggen, om de verhoudingen tussen de betrokkenen niet nog meer te verstoren. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat - gelukkig - geen sprake is van letsel bij klager.

Onder deze omstandigheden kan het hof de wijze van afdoening van deze zaak door middel van een voorwaardelijk sepot billijken. Het hof acht het daartegen gerichte beklag kennelijk ongegrond.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Milieuzaak: OM niet-ontvankelijk wegens door de verdachte geaccepteerde transactieaanbod

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5184 De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.

Oordeel hof

In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.

De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:

“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”

Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.

Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:

“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”

Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.

De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.

Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.

Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.

In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.

De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging. Het transactieaanbod ziet op het ontvangen van het kribbenzand, terwijl de tenlastelegging ziet op hetsamenvoegen en/of in ontvangst nemen van dat kribbenzand.

In de brief waarin het transactieaanbod wordt gedaan wordt geen pleegdatum of -periode genoemd, maar gelet op de data waarop de in dat voorstel genoemde processen-verbaal zijn opgemaakt, begrijpt het hof dat de getransigeerde gedraging in dezelfde periode is verricht als het tenlastegelegde feit. Ook de plaats van de handeling is in het tractievoorstel niet genoemd, maar het hof begrijpt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier - onder andere pagina 3 van het relaasproces-verbaal - dat het gaat om het ontvangen van het kribbenzand op het terrein van de asfaltcentrale te Lelystad.

Op grond van het dossier en de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte is vast komen te staan dat medewerkers van verdachte de verschillende partijen kribbenzand naar de asfaltcentrale in Lelystad brachten en die partijen kribbenzand daar direct ‘op één hoop gooiden’. Het hof is van oordeel dat daarmee de verschillende partijen kribbenzand feitelijk werden samengevoegd. Het hof is daarom van oordeel dat er in tijd en plaats hoogstens een klein verschil bestaat tussen het ontvangen en het samenvoegen van het kribbenzand.

Conclusie

Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.1Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^