Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde valselijk opgemaakte schadeaangifte-formulier indienen bij de verzekeraar heeft begaan

Gerechtshof Den Haag 31 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2880

Aan de verdachte is medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan, poging tot oplichting ten laste gelegd, feitelijk bestaande uit het in verband met schade als gevolg van een aanrijding tussen twee auto’s in strijd met de waarheid opmaken van een formulier.

Het hof stelt vast dat op 1 februari 2010 een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen een auto en een bestelwagen. Naar aanleiding van die aanrijding is een aanrijdingsformulier opgemaakt. Daarop is een situatieschets van de aanrijding gemaakt, waaruit het hof begrijpt dat de bestelwagen vanuit een parkeerplaats achteruit is gereden, waarbij de bestelwagen tegen de achterlangs rijdende auto is aangereden. Op het formulier is onder ‘11. zichtbare schade’ ingevuld: “De hele rechte zijkant”.

In het door de aangever overgelegde rapport van Bosscha ongevallenanalyse B.V. staat dat op de auto diverse beschadigingen zijn waargenomen die kunnen zijn veroorzaakt door de bestelwagen. Daarnaast zijn ook beschadigingen waargenomen die waarschijnlijk niet door de bestelwagen zijn veroorzaakt.

Het vorenstaande is niet in strijd met wat op het aanrijdingsformulier is ingevuld. Voor zover het Openbaar Ministerie meent dat met “De hele rechte zijkant” is bedoeld te zeggen dat alle schade aan de rechterzijkant van de auto door de aanrijding met de bestelwagen is veroorzaakt, berust dat op een naar het oordeel van het hof te extensieve uitleg van voornoemde zinsnede.

Het hof acht reeds daarom niet wettig bewezen dat het aanrijdingsformulier in strijd met de feitelijke situatie is opgemaakt. De vraag of het de verdachte is geweest die dat aanrijdingsformulier heeft ingevuld, kan om die reden onbesproken blijven.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding Allianz Nederland Schadeverzekering NV

In het onderhavige strafproces heeft Allianz Nederland Schadeverzekering NV zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.636,11.

In hoger beroep is deze vordering van rechtswege aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 3.636,11.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich gedurende een periode van een half jaar schuldig gemaakt aan meer dan 20 gevallen van verduistering

Gerechtshof Den Haag 3 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2878

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit kan worden bewezen verklaard. De verdachte heeft op internet via de website marktplaats.nl concertkaartjes en fietsonderdelen aangeboden, daarvoor geld ontvangen op verschillende bankrekeningen, maar vervolgens nooit de artikelen geleverd. De verschillende bankrekeningen staan op naam van de verdachte en het is niet aannemelijk dat iemand anders dan de verdachte de betreffende advertenties heeft geplaatst. In dit kader is door de advocaat-generaal een beroep gedaan op het arrest van het hof ’s Hertogenbosch van 23 januari 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:121), waarbij de verdachte voor soortgelijke oplichtingen is veroordeeld.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, aangezien de verdachte zich niet wederrechtelijk heeft bevoor- deeld door de aangevers door een van de in art. 326 Sr genoemde middelen ertoe te bewegen om geldbedragen naar hem over te maken.

Het oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof biedt het strafdossier onvoldoende aan- knopingspunten om te kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die de onder het primair ten laste gelegde oplichtingshandelingen heeft gepleegd.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat met de overmaking door de aangevers van gelden naar (een van) de bankrekeningnummers van de verdachte wel de begunstiging van de verdachte vaststaat, maar dat daarmee nog niet tevens het bewijs is geleverd dat het de verdachte is geweest die bemoeienis heeft gehad met de advertenties op marktplaats.nl alsmede met de e-mailcorrespondentie naar aanleiding van die advertenties. In dat verband stelt het hof vast dat blijkens het dossier wel onderzoek is gedaan naar de IP-adressen waarvan gebruik is gemaakt bij het aanmaken van één specifieke advertentie alsmede het daarvoor benodigde gebruikers ID, maar toen dat onderzoek erop wees dat gebruik was gemaakt van een proxyserver, verder digitaal onderzoek is uitgebleven. In het bijzonder moet het hof op grond van het dossier aannemen dat in het geheel niet is onderzocht of de verdachte beschikte over een of meerdere computers, laat staan dat nader onderzoek aan dergelijke computers heeft plaatsgevonden.

Het hof merkt hierbij op dat als het de verdachte zou zijn geweest die de advertenties heeft geplaatst, en hij ook degene is geweest die met aangevers per e-mail heeft gecorrespondeerd naar aanleiding van de advertenties, het waarschijnlijk moet worden geacht dat dergelijke handelingen ook digitale sporen op de door verdachte gebruikte computer(s) zouden hebben ach- terlaten. Onderzoek naar eventueel door een verdachte gebruikte compu- terapparatuur, en hetgeen daarop aan sporen is te vinden is dan ook van groot belang voor de beoordeling of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting ex art. 326 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het dan ook opmerkelijk dat dergelijk onderzoek in deze zaak geheel is uitgebleven.

Het feit dat de bankrekeningen waarnaar door de aangevers geld is overgemaakt op naam staan van de verdachte, vormt weliswaar een aanwijzing dat de verdachte degene is geweest die achter de advertenties en de e-mailcorrespondentie heeft gezeten, maar is op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen, nu er geen (verdere) bewijsmiddelen voorliggen waaruit de relatie tussen verdachte en in het bijzonder de (aanwending van) de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen jegens aangevers kan blijken.

Het hof zal de verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, verduistering, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging: schending consultatierecht van minderjarige verdachte

Gerechtshof Amsterdam 22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3024

Essentie

Verdachte is na ‘heenzenden’, in het bijzijn van zijn pleegouders en in het kader van een afhandelingsgesprek, opnieuw geconfronteerd met de bevindingen van politie. De verbalisante heeft een nieuwe verhoorsituatie gecreëerd zonder daarbij verdachte in de gelegenheid te stellen contact te hebben met een advocaat.

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 06 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1,09 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Niet-ontvankelijkheid OM

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van ernstige vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, waardoor de strafvorderlijke belangen van de verdachte doelbewust en op grove wijze door de politie zijn geschonden. Vanwege deze schending is geen sprake meer van een behandeling van een strafzaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de raadsvrouw van de verdachte zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat alle resultaten die als gevolg van de onrechtmatigheid zijn verkregen, als vruchten van het onrechtmatige handelen, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Na bewijsuitsluiting dient de verdachte, bij gebrek aan wettig bewijs, te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Met de kinderrechter overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de minderjarige verdachte op 6 maart 2014 om 21:25 uur op heterdaad wordt aangehouden op verdenking van handel in cocaïne. Er wordt door verbalisanten waargenomen dat verdachte kennelijk zonder doel op de Warmoesstraat staat en dat hij mensen aanspreekt. Ook wordt door verbalisanten vastgesteld dat de mensen die hij aanspreekt ‘nee’ schudden. De verbalisanten, die in burger gekleed zijn, zien dat verdachte ook hen bekijkt en oogcontact met hen maakt. Verbalisant 1 hoort dat verdachte op het moment dat hij hem passeert, vraagt: “Cocaïne? Cocaïne?”. Na aanhouding wordt verdachte overgebracht naar het bureau. Bij het onderzoek aan zijn kleding worden geen verdovende middelen onder verdachte aangetroffen. Verdachte wordt, na het geven van de cautie, kort gehoord door verbalisant 2. Verdachte ontkent en verklaart dat hij toeristen de weg heeft gewezen. Hem wordt een proces-verbaal aangezegd en hij wordt, na vaststelling van zijn identiteit, heengezonden om 23:32 uur.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte zou worden heengezonden mits hij zou worden opgehaald door zijn ouders. Na telefonisch contact verschijnen de pleegouders van verdachte op het bureau. Verbalisante 3 heeft een kort gesprek met de pleegouders over de aanhouding van verdachte en de afhandeling.

Uit het proces-verbaal blijkt dat op dat moment het strafvorderlijk onderzoek is afgerond en verdachte is heengezonden. “Afgehandeld” in de bewoordingen van de verbalisante. Het hof trekt daaruit de conclusie dat het daarop volgend gesprek met de ouders kennelijk bedoeld was om een informeel - en wellicht pedagogisch - karakter te hebben.

De verbalisante stelt vervolgens voor om verdachte bij dat gesprek te betrekken; daarmee stemmen de pleegouders in. Verbalisante confronteert verdachte vervolgens met de bevindingen, zoals hierboven genoemd. Verdachte verklaart in dit gesprek dat de politie het niet goed heeft gezien en dat hij geen cocaïne probeerde te verkopen. Tijdens het gesprek kijkt de pleegmoeder van verdachte de spullen na die in de fouilleringszak zaten. De verbalisante ziet vervolgens dat de moeder uit de vingers van een handschoen die zich in de fouilleringszak bevindt twee plastic zakjes tevoorschijn haalt waarin witte langwerpige papiertjes zitten. De verbalisante krijgt de twee plastic zakjes van de moeder overhandigd. Verdachte wordt vervolgens wederom aangehouden ter zake van het bezit van harddrugs. Hij krijgt de cautie en legt vervolgens een bekennende verklaring af: hij vertelt dat hij dealde voor een negroïde man die in Amsterdam Zuidoost zou wonen en dat hij zijn naam niet zal vertellen omdat hij door deze man wordt bedreigd en erg bang is. Bij dit verhoor is geen advocaat aanwezig en evenmin heeft de verdachte de gelegenheid gekregen vóór dit verhoor een advocaat te raadplegen. Pas de volgende dag, op 7 maart 2014 omstreeks 9.15 uur, heeft verdachte overleg gevoerd met zijn raadsvrouw. Bij latere verhoren (op 7 en 8 maart 2014) is dezelfde raadsvrouw van verdachte aanwezig. Bij deze verhoren heeft verdachte gezwegen. Ter gelegenheid van onderhavige zitting heeft verdachte wel weer verklaard en het feit wederom bekend.

Het hof is van oordeel dat bovenstaande gang van zaken een schending oplevert van het consultatierecht van de minderjarige verdachte. Bij (aangehouden) minderjarige verdachten is vereist dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor met een advocaat overleg moet kunnen plegen, onder meer over de proceshouding en over eventuele bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. De aanwezigheid van ouders/vertrouwenspersoon bij een verhoor kan niet worden gezien als vervanging van het consultatierecht. De rol van ouders is een andere rol dan die van een advocaat.

Uit het hierboven genoemde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de rol van de ouders in het gesprek een onderzoekende rol is geworden, waarvan de verbalisante gebruik heeft gemaakt zonder duidelijk aan te geven dat het karakter van het gesprek was veranderd van een (informeel) afhandelingsgesprek in een verhoorsituatie. Van ouders kan niet worden verwacht dat zij zich dit realiseren en de gevolgen daarvan kunnen overzien.

Voor de verbalisante daarentegen moet duidelijk zijn geweest - gelet op het feit dat zij op enig moment de verdachte heeft geconfronteerd met de bevindingen van de collega’s die de verdachte hadden aangehouden - dat het gesprek de status van een verhoor kreeg en dat de verdachte dus - eerst - de gelegenheid moest krijgen om met een advocaat te spreken.

Er is ten tijde van het gesprek met de pleegouders en de verbalisant ontegenzeggelijk sprake geweest van een verhoorsituatie, temeer omdat de verdachte op indringende wijze werd geconfronteerd met de bevindingen van de verbalisanten en daarover werd ondervraagd. Er is derhalve sprake van “vragen betreffende de betrokkenheid van verdachte bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt” (ECLI:NL:HR:2012:BU8773, r.o. 3.6). Daarbij had dan ook uitvoering moeten worden gegeven aan het recht op consultatie van een raadsman of raadsvrouw voorafgaand aan het verhoor. Noch afgezien van het feit dat een minderjarige geen afstand kan doen van het consultatierecht heeft de verdachte – zo blijkt uit het dossier – uitdrukkelijk aangegeven overleg te willen hebben met een advocaat.

Nu het hof constateert dat er in het voorbereidende onderzoek sprake is geweest van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, is de vraag welk rechtsgevolg hieraan verbonden dient te worden. Uit de jurisprudentie blijkt dat de door de raadsvrouw verzochte niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesvoering waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden.

Door verdachte na ‘heenzenden’, in het bijzijn van zijn pleegouders en in het kader van een afhandelingsgesprek, opnieuw te confronteren met de bevindingen van haar collega’s, heeft de verbalisante een nieuwe verhoorsituatie gecreëerd zonder daarbij verdachte in de gelegenheid te stellen contact te hebben met een advocaat en daarmee naar het oordeel van het hof een zodanig ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesvoering dat de rechten van de minderjarige verdachte grovelijk veronachtzaamd zijn. Derhalve zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van witwassen nu de verdachte zelf geen witwashandelingen heeft verricht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6731

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met de maand oktober 2011, te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft verdachte en/of verdachtes mededader stelselmatig en/of op meer, althans een aantal tijdstippen in voormelde periode (telkens) een aantal voorwerpen, te weten

a. een woning/pand [adres], te [plaats] en/of bijbehorende grond en/of bijgebouwen en/of

b. een woning/pand, [adres] te [plaats] en/of bijbehorende grond en/of bijgebouwen en/of

c. een aantal sieraden (waaronder o.a. 4 (gouden) kettingen, 6 (gouden) ringen, 2 (zilveren) ringen, 3 (gouden) armbanden, een hangertje) en/of 3, althans een aantal horloges (waaronder o.a. een Cartier horloge, een Rado horloge, een Quarts horloge) en/of een of meer andere sieraden en/of

d. een hoeveelheid van 27, althans een aantal (Engelse) auto's (waaronder o.a. 17 MG's kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], een rode MG zonder kenteken, een zwarte MG zonder kenteken, een zilveren MG zonder kenteken en/of 4 Jaguars kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken] en/of een zilverkleurige Jaguar zonder kenteken en/of 1 Aston Martin kenteken [kenteken] en/of 4 Rolls Royces kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken] en/of een Bentley kenteken [kenteken] en/of

e. 2, althans een aantal vee(g)auto's (welke behoorden bij de bedrijfsvoorraad) en/of

f. een auto, een Mercedes 600 Pullman en/of een auto, rode Mercedes 600 en/of een grijze Mercedes zonder kenteken en/of

g. 3, althans een aantal auto's, te weten een Mercedes 280 GE [kenteken] en/of een Mercedes 280 GE [kenteken] en/of een Mercedes 280GE [kenteken] en/of

h. een paardentrailer, Weijer, kenteken [kenteken] en/of

i. een heftruck (Hyster) en/of

j. een zitmaaier (Turbo Cut) en/of

k. een tractor (Case 1394) en/of

l. een auto, Mercedes kenteken [kenteken] en/of

m. een of meer andere goederen en/of in elk geval meer geldbedragen,

optellend tot een groot geldbedrag (van totaal ongeveer 427.231,16 euro),

zijnde het onverklaarbare verschil tussen de contante uitgaven en de vastgestelde contante inkomsten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een aantal voorwerpen, te weten de gelden en/of goederen hierboven vermeld onder a. en/of b. en/of c. en/of d. en/of e. en/of f. en/of g. en/of h. en/of i. en/of j. en/of k. en/of l. en/of m., gebruik gemaakt, terwijl zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

subsidiair: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met de maand oktober 2011, te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een aantal voorwerpen, te weten

a. een woning/pand [adres], te [plaats] en/of bijbehorende grond en/of bijgebouwen en/of

b. een woning/pand, [adres] te [plaats] en/of bijbehorende grond en/of bijgebouwen en/of

c. een aantal sieraden ((waaronder o.a. 4 (gouden) kettingen, 6 (gouden) ringen, 2 (zilveren) ringen, 3 (gouden) armbanden, een hangertje)) en/of 3, althans een aantal horloges (waaronder o.a. een Cartier horloge, een Rado horloge, een Quarts horloge) en/of een of meer andere sieraden en/of

d. een hoeveelheid van 27, althans een aantal (Engelse) auto's (waaronder o.a. 17 MG's kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken], een rode MG zonder kenteken, een zwarte MG zonder kenteken, een zilveren MG zonder kenteken en/of 4 Jaguars kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken] en/of een zilverkleurige Jaguar zonder kenteken en/of 1 Aston Martin kenteken [kenteken] en/of 4 Rolls Royces kentekens [kenteken], [kenteken], [kenteken], [kenteken] en/of een Bentley kenteken [kenteken] en/of

e. 2, althans een aantal vee(g)auto's (welke behoorden bij de bedrijfsvoorraad) en/of

f. een auto, een Mercedes 600 Pullman en/of een auto, rode Mercedes 600 en/of een grijze Mercedes zonder kenteken en/of

g. 3, althans een aantal auto's, te weten een Mercedes 280 GE [kenteken] en/of een Mercedes 280 GE [kenteken] en/of een Mercedes 280GE [kenteken] en/of

h. een paardentrailer, Weijer, kenteken [kenteken] en/of

i. een heftruck (Hyster) en/of

j. een zitmaaier (Turbo Cut) en/of

k. een tractor (Case 1394) en/of

l. een auto, Mercedes kenteken [kenteken] en/of

m. een of meer andere goederen en/of in elk geval meer geldbedragen,

optellend tot een groot geldbedrag (van totaal ongeveer 427.231,16 euro), zijnde het onverklaarbare verschil tussen de contante uitgaven en de vastgestelde contante inkomsten

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van een aantal voorwerpen, te weten de gelden en/of goederen hierboven vermeld onder a. en/of b. en/of c. en/of d. en/of e. en/of f. en/of g. en/of h. en/of i. en/of j. en/of k. en/of l. en/of m., gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Door de verdediging is gesteld dat volgens haar (meer) subsidiair niet mede schuldwitwassen ten laste is gelegd, nu er niet (mede) verwezen wordt naar het toepasselijke wetsartikel.

Zoals de raadsman zelf al aangeeft is de expliciete vermelding van het wetsartikel echter niet een absolute voorwaarde om de vervolging (ook) op het desbetreffende strafbare feit te doen zien. De vermelding van de wet- telijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld is ook niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank Den Haag in haar door de raadsman aangehaalde vonnis van 18 december 2006, dat de – kwalificatieve - term “schuldwitwassen” met zoveel woorden in de tenlastelegging moet voorkomen. Naar het oordeel van het hof is door het opnemen van de zinsnede “, althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden” voldoende duide- lijk gemaakt dat meer subsidiair schuldwitwassen tenlaste werd gelegd.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zich aan enige vorm van witwassen heeft schuldig gemaakt, aangezien niet uit wettige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat zij zelf witwashandelingen met betrekking tot de om- schreven goederen heeft verricht.

Zoals de advocaat-generaal het heeft verwoord: “Het bewezen te verklaren witwasdelict bestaat in essentie uit het ‘omzetten’ van contant geld in een object met vermogenswaarde (een auto, een tegoed op een bankrekening, enz.).” Dat verdachte zich aan zodanig omzetten schuldig heeft gemaakt kan naar het oordeel van het hof niet worden bewezen.

Wat verdachte in essentie wordt verweten dat zij heeft (mee)geprofiteerd van de opbrengst van de criminele praktijken van haar echtgenoot. Indien dit verwijt juist zou zijn heeft zij zich wellicht schuldig gemaakt aan (schuld)- heling, maar dat is haar niet tenlastegelegd.

Het hof heeft aldus uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en (meer) subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor (gewoonte)witwassen op basis van een eenvoudige kasopstelling

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6730

Door de verdediging is aangevoerd dat de methode van de eenvoudige kasopstelling in de onderhavige zaak niet gebruikt kan worden, omdat er zowel girale als contante betalingen en ontvangsten zijn, die binnen de eenvoudige kasopstelling niet allemaal zichtbaar kunnen worden gemaakt en derhalve tot een vertekend beeld kunnen leiden. Slechts in situaties waarin alleen contant geld in omloop is, zou de eenvoudige kasopstelling gehanteerd kunnen worden.

Anders dan door de verdediging is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de gehanteerde (eenvoudige) kasopstelling wel gebruikt kan worden voor het bewijs van het aan het oordeel van het hof onderworpen feit.

De essentie van de eenvoudige kasopstelling wordt met juistheid weer- gegeven op p. 26 van het proces-verbaal van relaas: “De eenvoudige kasopstelling is slechts toepasbaar, indien betrokkene vrijwel uitsluitend zijn geldverkeer contant regelt (contante ontvangsten en uitgaven) en geen gebruik maakt van giraal betalingsverkeer, dan wel, wanneer middels dit giraal betalingsverkeer uitsluitend legale ontvangsten plaatsvinden cq [het girale betalingsverkeer] uitsluitend bestaat uit legale geldstromen.” Uit de eigen verklaringen van verdachte, aan de juistheid waarvan het hof in zoverre niet twijfelt nu uit het onderzoek het tegendeel niet valt af te leiden, volgt dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat er mogelijk giraal geld is onttrokken aan het bancair vermogen dat is aangewend voor de (legale) aankoop van auto’s, die zijn doorverkocht tegen contante betaling. Deze contante, legale en hogere inkomsten zouden vervolgens weer zijn gestort op de bank. Hierdoor zou de legale handel in auto’s kunnen leiden tot op het oog onverklaarbare onttrekkingen aan het contante vermogen, immers het verschil tussen het bedrag van de girale onttrekking en het (hogere) bedrag van de contante storting.

Het hof verwerpt deze hypothese. Alle girale transacties zijn traceerbaar, door de verbalisanten als legaal aangemerkt en - aldus in het voordeel van verdachte - bewust buiten de kasopstelling gehouden. Alleen de begin- en eindsaldo’s van het bancaire vermogen zijn vergeleken. De legale contante inkomsten – waaronder ontvangsten uit autohandel – en uitgaven zijn in de kasopstelling verwerkt.

De (contante) legale, bedrijfsmatige uitgaven zijn afgeleid uit de beschikbare boekhouding en hetgeen daar verder over is verklaard door verdachte. Voor wat betreft contante privé-uitgaven is gebruik gemaakt van de rekeningen die verdachte over kon leggen of die zijn aangetroffen. Er zijn ramingen opgesteld, al dan niet aan de hand van verklaringen van verdachte. Deze ramingen komen het hof niet als onaannemelijk over. De verdachte had de contante uitgaven waarover onduidelijkheid of onenigheid bestond aan- nemelijk kunnen en moeten maken. Van omkering van de bewijslast voor wat betreft dit aannemelijk maken is naar het oordeel van het hof geen sprake.

Het hof acht de gehanteerde kasopstelling, die tot stand is gekomen op basis van een zeer uitgebreid onderzoek, waarbij wat redelijkerwijs te onderzoeken was ook daadwerkelijk onderzocht is, deugdelijk en be- trouwbaar.

Uit die kasopstelling volgt dat er een bedrag van € 194.074,45 beschikbaar was voor contante uitgaven. De feitelijke contante uitgaven bedroegen evenwel € 621.305,61.

Voor wat betreft het geconstateerde verschil in die kasopstelling van €427.231,16 heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven. Zo heeft hij niets willen zeggen over de door hem gepretendeerde autohandel in/vanuit Duitsland. De gerelateerde opmerking van zijn boekhouder daarover is een verklaring van horen zeggen, “uit de branche”, die niet gebaseerd is op door verdachte aan die boekhouder verschafte financiële gegevens. Ook ter zitting heeft verdachte daarover niet nader verklaard.

Naar het oordeel van het hof is er in casu sprake van een onverklaarbaar bedrag aan inkomsten, groot € 427.231,16, dat als afkomstig uit enig misdrijf moet worden aangemerkt, nu het – bij het ontbreken van een niet op voorhand als onwaarschijnlijk aan te merken andersluidende verklaring – niet anders kan zijn dan dat dit uit enig misdrijf afkomstig is

Gelet op de omvang van het bedrag en de pleegperiode en op het aantreffen van hennep in een bijgebouw bij de woning van verdachte, alsmede de eerdere veroordelingen van verdachte ter zake van hennepteelt, is het hof van oordeel dat er sprake was van gewoontewitwassen van geld uit criminele activiteiten.

Bewezenverklaring

Gewoontewitwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^