Melding doen aan het bevoegde gezag van verandering (van de werking) van de inrichting

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2034

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

2: hij op of omstreeks 21 september, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd (gehouden) en/of de werking daarvan heeft veranderd (gehouden) (door het (laten) plaatsen en/of laten staan van 2, in elk geval een of meer propaantanks/propaanreservoirs) al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen hiervan tenminste vier weken voor die verandering (van de werking) van die inrichting aan burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, althans aan het bevoegd gezag , melding te doen, immers was (in ieder geval) op 21 september 2011 en/of op 12 december 2011 die melding nog niet gedaan;

3: hij op of omstreeks 21 september 2011 en/of 12 december 2011, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dreef, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan een of meer bij of krachtens dit besluit gestelde regels, immers was/waren in strijd met voorschrift 4.8.35 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 (PGS 19) twee, in elk geval een of meer propaanreservoir(s) en het/de vulpunt(en) niet goed bereikbaar voor de tankwagen en/of de tankwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij er niet voor heeft zorggedragen dat tenminste vier weken voordat zijn inrichting veranderd werd (gehouden) dan wel de werking daarvan werd veranderd, van die verandering (van de werking) van die inrichting melding werd gedaan aan het bevoegde gezag. Op grond van artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dient degene die een inrichting opricht, hiervan ten minste vier weken voor de oprichting melding te doen aan het bevoegde gezag. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing geacht met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Voorts is in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen dat een dergelijke melding achterwege kan blijven indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond van de in dit artikel genoemde artikelen geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de eigenaar van het terrein (hierna: eigenaar terrein) waarop het garagebedrijf van de verdachte staat, reeds op juiste wijze melding had gemaakt van de plaatsing van de propaantanks en dat de verdachte dientengevolge niet strafbaar is. De advocaat-generaal heeft deze stelling als zodanig niet betwist. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de stelling van de raadsvrouwe niet juist kan zijn. Nu niet valt uit te sluiten dat reeds een melding in de zin van de Wet milieubeheer (nader uitgewerkt bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) was gedaan door eigenaar terrein en dat de verdachte conform het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer daarom niet was gehouden melding te doen van het laten staan van voornoemde propaantanks, moet de verdachte van het hem ter zake ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan of de propaantanks behorende bij de inrichting van de verdachte nog in gebruik waren in de ten laste gelegde periode en derhalve bereikbaar dienden te zijn voor de tankwagen en de chauffeur daarvan. Het hof zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst, door het aanvragen van een Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens

Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2608

De verdachte heeft de Belastingdienst opgelicht, door met opzet een Kinderopvangtoeslag aan te (laten) vragen waarvan zij wist, dat zij er geen recht op had. Het geldbedrag dat zij vervolgens onterecht van de Belastingdienst heeft ontvangen, heeft zij naar eigen inzicht besteed. 

Standpunt raadsman

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het haar ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Een persoon genaamd medeverdachte 1 heeft de verdachte voorgehouden dat zij recht had op Kinderopvangtoeslag. De verdachte heeft, gelet op haar opleidingsniveau en omstandigheden, zorgvuldig gehandeld door in haar omgeving navraag te doen met betrekking tot (haar recht op) (een eventuele uitkering door de belastingdienst van) de genoemde toeslag. De raadsman is daarom van mening, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op oplichting van de Belastingdienst.

Nu verdachte geen opzet had op het (medeplegen van) oplichting, heeft zij dientengevolge evenmin met opzet de verkregen geldbedragen witgewassen.

Bespreking van het verweer

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier is het volgende naar voren gekomen.

De verdachte heeft belangrijke persoonlijke gegevens, waaronder haar bankrekeningnummer, haar BSN nummer, haar DigiD-code en de gegevens van haar kind, verstrekt aan een persoon genaamd medeverdachte 1, een haar onbekende vrouw die zij op straat tegenkwam. De verdachte heeft deze vrouw tevens toegezegd dat zij haar zou betalen na ontvangst van de Kinderopvangtoeslag die medeverdachte 1 digitaal voor haar zou aanvragen bij de Belastingdienst (proces-verbaal van verhoor, A-32-V-01 en verklaring ter zitting van de politierechter van 8 februari 2013).

De verdachte heeft verklaard dat haar kind in 2009 en 2010 geen opvang genoot bij de kinderopvang genaamd Villa Topido, gedurende het aantal uren zoals opgegeven in de aanvraag. Voorts is in de aanvraag een ander jaarinkomen opgegeven dan verdachte daadwerkelijk verdiende.

Naar aanleiding van de aanvraag van de verdachte heeft de Belastingdienst op de bankrekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 14.432,00 gestort. De verdachte heeft verklaard dat zij van dit geldbedrag € 4.500,00 aan medeverdachte 1 heeft gegeven, verschillende goederen heeft gekocht, een vakantie heeft betaald en € 7.000,00 in bewaring heeft gegeven aan een derde.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zonder meer haar relevante persoonlijke gegevens waaronder haar DigiD-code aan een onbekende te verstrekken en deze onbekende tegen betaling van een bedrag – waarvan de hoogte volgens de verdediging niet van tevoren tussen de verdachte en deze op straat tegengekomen onbekende was afgesproken – een toeslag voor haar te laten aanvragen, zonder navraag te doen bij de Belastingdienst (de aangewezen informatiebron in dit geval), bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat in haar naam en op grond van onjuiste gegevens de Belastingdienst zou overgaan tot uitbetaling van de aangevraagde Kinder- opvangtoeslag. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel, dat de verdachte minst genomen met voorwaardelijk opzet de Belastingdienst heeft opgelicht.

De raadsman heeft nog betoogd dat het handelen van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van oplichting, vanwege het geringe aandeel van de verdachte bij de aanvraag. Het hof verwerpt het verweer.

Naar het oordeel van het hof is voorafgaand, tijdens en na afloop van de aanvraag van de genoemde toeslag sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de persoon genaamd medeverdachte 1, gericht op de planning en de uitvoering van het feit en de verdeling van het uitgekeerde geldbedrag, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Verdachte heeft door het beschikbaar stellen van haar gegevens en haar DigiD-code een essentiële rol gespeeld bij de op- lichting van de Belastingdienst. Zij heeft verder het geld van haar bank- rekening gehaald en met haar mededader gedeeld. Daarbij heeft de verdachte het grootste deel van de buit ontvangen.

Voor zover de raadsman nog heeft bedoeld te bepleiten dat vrijspraak zou moeten volgen omdat het dossier niet volledig is en de verdediging daarom niet heeft kunnen doen wat de verdediging moet doen, namelijk het toetsen van de inhoud van het dossier, wordt dit verweer verworpen. Het dossier bevat voldoende informatie om de schuld of de onschuld van de verdachte ten aanzien van het haar ten laste gelegde op verantwoorde wijze te kunnen beoordelen, en overigens kan op grond daarvan het ten laste gelegde worden bewezen als hierna weergegeven, zodat er voor vrijspraak geen aanleiding is.

Bewezenverklaring

  • Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van oplichting;
  • Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: witwassen.

Strafoplegging

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 juni 2014 is zij eerder ter zake van een aan fraude met gemeen- schapsgeld gerelateerd delict onherroepelijk veroordeeld. Deze omstan- digheid heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw op strafbare wijze misbruik te maken van het vertrouwen dat in haar gesteld werd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Anonieme informatie als startinformatie voor een opsporingsonderzoek

Gerechtshof Amsterdam 30 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1963 (gepubliceerd op 4 juli 2014)

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 20 juli 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, te weten revolver (merk Nagant), en/of munitie van categorie III, te weten 4, althans één of meer patro(o)n(en) (kaliber .32 S&W L), voorhanden heeft gehad.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer betoogd - zakelijk weergegeven - dat het gebruik van informatie die is verkregen van een anoniem gebleven persoon als basis om dwangmiddelen toe te passen, primair dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van het door de inzet van die dwangmiddelen verkregen bewijs zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Volgens de raadsman is de informatie niet op haar betrouwbaarheid getoetst en daardoor is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie (WWM) kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding. Voorts kan de politie anonieme informatie gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Aangezien de melder of tipgever in beginsel anoniem blijft en diens betrouwbaarheid niet of nauwelijks kan worden getoetst, dient naar de inhoud van de melding nader onderzoek plaats te vinden. Het resultaat van dat onderzoek kan er vervolgens toe leiden dat er een zodanige verdenking ontstaat dat dwangmiddelen gebruikt kunnen worden. In de onderhavige zaak gaat het om het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2011 van de verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3 blijkt onder meer dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak is gestart nadat verbalisant 1 op 20 juli 2011 te 16:00 uur op het Bijlmerplein te Amsterdam Zuidoost sprak met een hem ambtshalve van gezicht bekende man, die hem verklaarde:

Die verdachte bewaart in zijn grijze Lexus een vuurwapen achter het dashboard. Het zit vlak boven zijn radio, je moet het dashboard daar een beetje loswrikken.

Vervolgens zag verbalisant 1 aan het politiebureau Flierbosdreef in de hem ter beschikking gestelde politiesystemen dat verdachte van 18/09/1983, regelmatig zou rijden in een Lexus voorzien van kenteken.

Hierop ging verbalisant 1 omstreeks 19:35 uur samen met de verbalisanten verbalisant 2, verbalisant 4 en verbalisant 3 naar het basketbalveldje nabij de flat Hoptille. Het was verbalisant 1 ambtshalve bekend dat verdachte daar regelmatig zou komen. Hierop zagen de verbalisanten om 19:38 uur voornoemde Lexus staan, geparkeerd bij garage Huigenbos. Zij zagen dat verdachte in de Lexus wilde stappen. Verbalisant 1 hield verdachte staande op grond van de Wet wapens en munitie en zag dat verdachte de autosleutel in zijn hand had. Vervolgens vroeg verbalisant 1 aan verdachte of hij verdachte was en of het zijn auto was. Verbalisant 1 hoorde verdachte zeggen: “Ja”, en zei vervolgens dat hij van de politie was en dat zij informatie hadden dat hij in het bezit zou zijn van een vuurwapen.

Hierop stapte verbalisant 1 in de Lexus en bekeek samen met verbalisant 3 de plek boven de autoradio. Zij zagen vervolgens dat het dashboard losraakte nadat verbalisant 1 dit heen en weer wrikte. Hierop zagen zij achter het dashboard een zwart kleurige sok liggen met daarin een voorwerp met de vorm van een revolver. Hierop deelde verbalisant 1 zijn collega verbalisant 2 mede dat verdachte kon worden aangehouden op grond van de Wet wapens en munitie. De revolver is vervolgens veiliggesteld door verbalisant 4, waarbij is vastgesteld dat het vermoedelijk gaat om een revolver van het type Nagant.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2014 heeft het hof verbalisant 1 als getuige gehoord en deze heeft onder meer verklaard dat hij, nadat hij met de tipgever op straat had gesproken, het belangrijk vond om de gekregen informatie te onderzoeken nu verdachte een prominent lid van de groep is.

Gelet op hetgeen hiervoor is gerelateerd is het hof van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de anonieme informatie niet inhoudelijk en op haar betrouwbaarheid is getoetst, niet juist is. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de informatie verkregen van de anoniem gebleven persoon tamelijk concreet is en in combinatie met de nader verkregen gegevens een voldoende grondslag vormden voor een verdenking van overtreding van de WWM om toepassing te geven aan de bevoegdheid verdachte staande te houden en op grond van de WWM de auto te doorzoeken. Een verdenking tegen verdachte op grond van art. 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is eerst later ontstaan, zoals in het proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd

Ten overvloede overweegt het hof dat uit de stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting duidelijk is geworden dat de Lexus met het kenteken op 7 januari 2011 voor het eerst voorkomt in het systeem van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en dat het voertuig op naam van de verdachte wordt gesteld. Op 14 januari 2011 wordt voornoemd voertuig op naam gesteld van familielid verdachte en op 7 juli 2011 wordt het voertuig op naam gesteld van betrokkene. Gedurende de periode tussen 22 januari 2011 en 20 juli 2011 zijn er negen politiemutaties, waarin wordt beschreven dat de verdachte de bestuurder/eigenaar van voornoemd voertuig was ondanks dat het voertuig niet op zijn naam stond.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het vuurwapen in Nederland op enig moment in de Lexus is gestopt. Nu de verdachte bij de politie onder meer heeft verklaard dat hij de enige bestuurder van de Lexus is en dat alleen hij in het bezit is van de sleutel van de Lexus, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie in de Lexus. De verklaring van de verdachte dat als hij naar een coffeeshop gaat de mensen met wie hij in de auto was dan in de auto blijven zitten, maken dit naar het oordeel van het hof niet anders.

Het alternatieve scenario van de raadsman, te weten dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken, acht het hof niet aannemelijk en overigens onvoldoende onderbouwd, nu de tip zeer specifiek was en direct in de richting van de verdachte wees.

De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen: Onvoldoende bewijs dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2054

Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 28 augustus 2009 de panden adres te Axel heeft verkocht aan haar ex-partner (medeverdachte) voor een bedrag van 75.000 euro k.k. Het aankoopbedrag van in totaal 80.561,74 euro is op 26 augustus 2009 overgeboekt van een bankrekening op naam van betrokkene 1 h/o bedrijf naar de bankrekening van de notaris. Vervolgens is op 1 september 2009 een bedrag van 75.018,28 euro overgeboekt van de bankrekening van de notaris naar de bankrekening van de verdachte. Op 3 september 2009 heeft de verdachte van deze bankrekening een contante geldopname gedaan van 50.000 euro. Volgens de verklaring van de verdachte heeft zij dit geldbedrag vervolgens aan medeverdachte gegeven, naar zij aannam ten behoeve van de aflossing van een eerdere, door het echtpaar betrokkene 2 verstrekte geldlening, welke destijds door medeverdachte zou zijn geregeld.

Het hof stelt voorop dat aan het dossier geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde panden enig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het hof stelt vast dat een gedeelte van het aankoopbedrag van 80.561,74 euro uit enig misdrijf afkomstig was. In de periode van 31 juli 2009 tot 10 augustus 2009 werden zeven contante stortingen op de bankrekening op naam van betrokkene 1 h/o bedrijf gedaan tot een totaalbedrag van 85.000 euro. Deze gestorte geldbedragen waren afkomstig van een bankrekening in Luxemburg, die volgens de verklaring van medeverdachte van hem was en spaartegoeden betrof afkomstig uit zijn autohandel. Omdat medeverdachte deze spaartegoeden niet bij de belasting had aangegeven en daarover geen belasting had betaald, dient in ieder geval een gedeelte van het aankoopbedrag te worden aangemerkt als van enig misdrijf afkomstig als bedoeld in artikel 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het vorenstaande staat vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van 75.000 euro (het bedrag ontvangen uit de verkoop van de panden adres) voorhanden heeft gehad en een bedrag van 50.000 euro (het bedrag contant betaald aan medeverdachte) heeft overgedragen, terwijl in ieder geval een gedeelte van deze geldbedragen afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk het door medeverdachte ontduiken van de belasting.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte wist dat de hiervoor genoemde geldbedragen gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig waren, zodat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof voorts van oordeel dat op basis van het dossier evenmin kan worden geconcludeerd dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de hiervoor genoemde geldbedragen gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig waren. De omstandigheid dat medeverdachte twee jaar voordien niet over voldoende financiële middelen beschikte om toen de panden aan te kopen, brengt naar het oordeel van het hof niet zonder meer met zich dat verdachte, door geen nader onderzoek te doen naar de herkomst van de gelden, in de gegeven omstandigheden zodanig heeft gehandeld dat sprake is van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte, voor zover aan haar bekend was, zich bezig hield met autohandel. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat op het moment van de verkoop van de panden aan medeverdachte de relatie tussen de verdachte en medeverdachte inmiddels was verbroken en de verdachte geen contact meer had met medeverdachte. Ook de omstandigheid dat de verdachte het geldbedrag van 50.000 niet rechtstreeks aan het echtpaar betrokkene 2 heeft overgemaakt maar contant aan de verdachte heeft gegeven, maakt naar het oordeel niet dat sprake is van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van de verdachte, in aanmerking genomen dat zij voordien ook op geen enkele wijze bemoeienis had gehad bij de totstandkoming van de vermeende geldlening en zij nadien ook geen contact had met het echtpaar betrokkene 2. Een en ander vindt bevestiging in de verklaring van de getuige betrokkene 2.

Mitsdien is het hof van oordeel dat de verdachte eveneens van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Feitelijk leiding geven aan verduistering van gelden die het bedrijf van verdachte onder zich had

Gerechtshof Den Haag 9 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2267

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan verduistering van gelden die zijn bedrijf onder zich had. Het bedrijf van verdachte heeft in opdracht van anderen openstaande vorderingen bij derden geïncasseerd, maar heeft deze geïncasseerde gelden niet naar haar opdrachtgevers overgemaakt, zoals afgesproken, maar voor eigen doeleinden gebruikt.

Voorts heeft verdachte opzettelijk een vervalste cheque bij de Rabobank willen incasseren. Tot slot heeft verdachte niet voldaan aan de verplichting om als bestuurder een juiste administratie van een besloten vennootschap te voeren en na sommatie aan de curator over te leggen. Hierdoor heeft de verdachte een goede afhandeling van het faillissement moeilijk gemaakt met (onbekend) nadeel voor crediteuren.

Bewezenverklaring

1. Verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

8. Opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

9. Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, aan hem te wijten zijn dat aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen niet is voldaan en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^