Verlenging van Tijdelijk besluit Adviespunt Klokkenluiders tot uiterlijk 1 juli 2016

Het Adviespunt Klokkenluiders functioneert sinds 1 oktober 2012 op grond van het Tijdelijk besluit Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden. Dit besluit expireert op 1 juli 2015. De intentie is steeds geweest deze voorziening voor klokkenluiders op termijn een wettelijke basis te geven, namelijk in de Wet Huis voor klokkenluiders. Naar verwachting zal de parlementaire behandeling van dit initiatiefvoorstel echter niet zijn afgerond op een zodanig moment dat op 1 juli 2015 reeds duidelijk is, of en zo ja, op welke wijze de kennis en ervaring van het Adviespunt Klokkenluiders ingebracht kan worden in het Huis voor klokkenluiders. Om deze reden is het van belang dat het Adviespunt Klokkenluiders ook na 1 juli 2015 kan blijven functioneren.

De datum waarop het tijdelijk besluit vervalt is om die reden bepaald op 1 juli 2016 of, indien het voorstel van wet houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan 1 juli 2016, op het tijdstip waarop die wet in werking treedt. Voor deze formulering van de werkingsduur van dit tijdelijke besluit is gekozen, omdat het tijdstip waarop het besluit dient te vervallen niet vooraf kan worden vastgesteld.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG Hofstee over onder meer art. 177 Sr & art. 177a Sr: begunstiging, omkoping, handelingen van ambtenaren al dan niet in strijd met hun plicht

Hoge Raad 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1274 Verzoeker in cassatie is bij arrest van 27 december 2012 door het Gerechtshof ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor feit 1:

  • medeplegen van een ambtenaar een gift of een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd en
  • een ambtenaar een gift of een belofte doen dan wel een dienst te verlenen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd en
  • een ambtenaar een gift of een belofte doen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd.

Medeverdachte 1 was ambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen en projectmanager. Medeverdachte 2 was ook ambtenaar (projectleider) en gedetacheerd in de gemeente Beek. Verzoeker en medeverdachte 4 waren beiden werkzaam bij het bedrijf A.

Namens verzoeker heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Eerste middel

Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt over de verwerping van het Hof op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op de (gedeeltelijke) nietigheid van de tenlastelegging met betrekking tot het onder I (hoofdletters A t/m H) tenlastegelegde “anders dan om zakelijke redenen” nu deze in de tenlastelegging omschreven beoogde tegenprestatie voor tweeërlei uitleg vatbaar is (immers zowel handelen in strijd met de ambtsplicht kan opleveren als handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht).

Het bestreden arrest houdt in (p. 13):

“Geldigheid van de dagvaarding

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de tenlastelegging nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder I ten laste gelegde omdat de tenlastelegging in zoverre niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de in de tenlastelegging omschreven tegenprestatie voorafgegaan met de woorden "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" zowel handelen in strijd met de ambtsplicht kan opleveren als handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht. De formulering "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" is derhalve niet eenduidig in haar betekenis, waardoor het ten laste gelegde - aldus de verdediging - onduidelijk is en nietig op deze onderdelen.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

A2. Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder I ten laste gelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen en voor wat betreft de onderdelen die zien op het "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" voldoende feitelijk is omschreven. Dat er een verschillende uitleg kan worden gegeven aan deze feitelijke omschrijving maakt dit niet anders. Mede gezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging en verdachte zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van hebben gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.”

Conclusie AG

Het onder I tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) is toegesneden op art. 177, eerste lid, Sr. Onder II is hetzelfde feitencomplex tenlastegelegd, maar dan gestoeld op art. 177a, eerste lid, Sr. Daarvan is verzoeker vrijgesproken. Beide artikelen zien op het een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst te verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of niet te doen. Het verschil zit enkel hierin dat art. 177, eerste lid, Sr betrekking heeft op het geval dat de ambtenaar daarmee in strijd met zijn plicht iets doet of nalaat, terwijl art. 177a Sr het oog heeft op een gedraging van de ambtenaar zonder dat deze daarmee in strijd met zijn plicht raakt.

De tenlastelegging onder I verzet zich niet tegen de (tussen haakjes geplaatste) toevoeging in de tenlastelegging, luidende: “anders dan om zakelijke redenen begunstigen”, van welk onderdeel verzoeker overigens door het Hof is vrijgesproken. Met het Hof meent de AG dat de tenlastelegging onder I een voor verzoeker voldoende duidelijke en begrijpelijke opgave bevat van de beschuldiging jegens hem. De overweging van het Hof dat er aan de feitelijke omschrijving “anders dan om zakelijke redenen begunstigen” een verschillende uitleg kan worden gegeven, doet daaraan niet af. Het Hof heeft het nietigheidsverweer op goede gronden verworpen.

Het eerste middel faalt.

Tweede middel

Het tweede middel borduurt voort op de uitleg die de verdediging aan de tenlastelegging onder I heeft willen geven, te weten dat in de feitelijke omschrijving daarvan ook ruimte is gelegen voor handelingen die niet in strijd met de ambtsplicht zijn verricht.

Conclusie AG

Het Hof heeft telkens bewezenverklaard dat verzoeker door giften (in geld of natura) heeft willen bereiken dat de betrokken ambtenaren het bedrijf A BV zouden begunstigen. Het begunstigen is door de opsteller van de tenlastelegging onder I, en zo ook door het Hof in de bewijsvoering, beperkt tot handelingen die de ambtenaren zouden moeten doen (en hebben gedaan) als tegenprestatie in strijd met hun plicht. De AG herhaalt nog eens dat de tenlastelegging onder I is gegrond op art. 177, eerste lid, Sr dat kortgezegd het omkopen van ambtenaren strafbaar stelt teneinde hen te bewegen iets te doen of nalaten in strijd met hun plicht, bijvoorbeeld het doorgeven van vertrouwelijke informatie. Niet aan de tenlastelegging onder I ten grondslag gelegd is het paaien en fêteren van ambtenaren om iets te doen of na te laten dat niet in strijd is met hun plicht, bijvoorbeeld het vergunnen van een opdracht (art. 177a Sr).

Van een innerlijke tegenstrijdigheid binnen ’s Hofs bewijsconstructie van de bewezenverklaring (of, ruimer, zijn arrest) als gevolg van de vrijspraak van “anders dan om zakelijke redenen begunstigen” aan de ene kant en de bewezenverklaring van het (telkens) begunstigen van A BV aan de andere kant is naar mijn inzicht in het geheel geen sprake. De bewezenverklaring houdt met betrekking tot alle genoemde ambtenaren immers in dat de giften waren bedoeld om hen in strijd met hun plicht iets te laten doen (of nalaten) ten gunste van het bedrijf A BV. De AG meent dat tegenstrijdigheden juist door het Hof zijn voorkomen door de desbetreffende onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen te achten en verzoeker daarvan vrij te spreken.

Het tweede middel faalt eveneens.

Derde middel

Het derde middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zonder dat het Hof heeft voldaan aan de te dien aanzien geldende responsieplicht.

Conclusie AG

Hetgeen is voorgedragen aangaande de “één op één opdrachten” – in de onderhavige zaak beperkt tot alleen hetgeen is bewezenverklaard onder hoofdletter (zaak) B (“betrokkene 6”) - haalt  niet de ondergrens van wat er moet worden verstaan onder een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. De enkele stelling van de verdediging dat bij een dergelijke aanbesteding “per definitie” sprake is van een discretionaire bevoegdheid, zodat de mogelijkheid van handelen in strijd met de plicht van de ambtenaar zich niet kan voordoen, wordt nergens onderbouwd. Weliswaar wordt verwezen naar “Ambtelijke corruptie in Strafrecht” van E. Sikkema (p. 262), maar daarin wordt die stelling niet expliciet onderschreven. Dat is ook wel begrijpelijk, want ook bij één op één opdrachten kunnen zulke riante geschenken als waarvan in de onderhavige zaak sprake is heel makkelijk corrumperen en bewerkstelligen dat de ambtenaar zich daardoor laat inpakken en het bedrijf een volgende keer op troebele wijze de voorkeur geeft. Illustratief is de volgende overweging van het Hof:

“B3.2.3

betrokkene 6 heeft verklaard dat A werd begunstigd doordat hij bij het verstrekken van één op één opdrachten alleen A benaderde en geen andere partijen. Betrokkene 6 verklaarde dat hij loyale gevoelens naar A had omdat hij die giften van hun kreeg. Hij voelde zich daardoor verplicht ervoor zorg te dragen dat voor het product van A zou worden gekozen.

(Zie verklaring van betrokkene 6 ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2012)

Uit het dossier blijkt voorts dat betrokkene 6:

  • in 2005 informatie verstrekt aan A inzake het project N281 met welke informatie A de gewenste offerte kon opstellen;
  • in het voorjaar van 2007 informatie verstrekt aan A inzake het project N572 Echt-Koningsbos;
  • medio 2008 informatie verstrekt aan A met betrekking tot werkzaamheden aan de N280;
  • in de ten laste gelegde periode een groot aantal enkelvoudige opdrachten aan A verstrekt;
  • in december 2008 een fictieve opdracht verstrekt aan A met overtollig budget en hiertoe in overleg met verdachte een valse offerte heeft opgemaakt.

(Zie o.a. verklaring van betrokkene 6 ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2012, tapgesprekken verdachte en betrokkene 6 van 1 april 2008, 2 april 2008, 8 april 2008 en 5 december 2008 (zaaksdossier 3, pagina's 031215-031217, 031257, 031258, 033212)).”

Daaruit blijkt bovendien dat het handelen van betrokkene 6 in zijn hoedanigheid van ambtenaar méér inhield dan een één op één opdracht. Hij heeft A niet alleen van informatie voorzien, maar deze ook eenfictieve opdracht verstrekt waarna verzoeker en A een valse offerte hebben opgemaakt. Het behoeft, lijkt mij, geen betoog dat het verstrekken van een fictieve opdracht en het opmaken van een valse offerte door een ambtenaar van de provincie in strijd is met zijn (ambts)plicht.

Het middel faalt.

Vierde middel

Het vierde middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het Hof in de bewijsoverwegingen het oogmerk heeft gebaseerd op “een collectieve redenering met betrekking tot enerzijds de frequentie en de omvang van alle bewezen verklaarde giften en anderzijds de essentiële positie (voor wat de toebedeling van werken betreft) van alle betrokken ambtenaren” en aldus het oogmerk heeft losgekoppeld van de tenlastegelegde tegenprestaties, waarmee het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans waardoor ’s Hofs bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is of, minst genomen, onvoldoende met redenen is omkleed.

Conclusie AG

Zoals eerder opgemerkt heeft het Hof kennelijk onder ogen gezien dat bepaalde in de tenlastelegging opgenomen tegenprestaties niet kunnen dienen voor het bewijs van het in strijd met de plicht handelen. Anders gezegd: het Hof heeft verzoeker van die onderdelen van het onder I tenlastegelegde vrijgesproken omdat de bedoelde feitelijke gedragingen niet zijn te verenigen met het kwalificatieve gedeelte van de tenlastelegging. Aldus heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten, maar er juist voor gezorgd dat de feitelijke omschrijving zoals bewezenverklaard - en die ruimte wordt gelaten door de wijze waarop de tenlastelegging is geformuleerd – en het kwalificatieve gedeelte geheel met elkaar in overeenstemming zijn.

Het middel faalt.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt dat het Hof verzoeker heeft vrijgesproken van de in de tenlastelegging opgenomen tegenprestaties, maar deze toch in de bewijsoverwegingen heeft opgenomen, zodat het bewijsoordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig is, althans het Hof daarmee minst genomen de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Conclusie AG

Het Hof heeft in de bewijsoverwegingen geconcretiseerd hoe de bewezenverklaarde “begunstiging” door het bedrijf A BV eruit heeft gezien of had moeten zien. Daarbij zijn in de bewijsoverwegingen handelingen opgenomen die (nagenoeg) allemaal kunnen worden gekwalificeerd als gedragingen in strijd met de plicht:

  • betrokkene 5: het maken van fictieve opdrachten;
  • betrokkene 6: het geven van een voorkeursbehandeling (“loyale gevoelens”), het verstrekken van informatie, het verstrekken van fictieve opdrachten, het betrokken zijn bij het opmaken van een valse offerte en het verstrekken van “een groot aantal enkelvoudige opdrachten”. Dat laatste, slechts een onderdeel van een groter geheel, lijkt niet in strijd te zijn met de ambtsplicht. Uit bewijsmiddel 12 blijkt evenwel dat betrokkene 6 heeft verklaard dat hij deze opdrachten heeft verstrekt aan verzoeker omdat hij giften had gekregen. In zoverre is een voorkeursbehandeling bewerkstelligd en dat valt – mede gelet op HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584 en HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318 - onder “in strijd met de ambtsplicht”;
  • betrokkene 9: het verhogen van eindafrekeningen en het verstrekken van voorinformatie en van vertrouwelijke informatie;
  • betrokkene 10: het verstrekken van informatie/stortbonnen en het regelen dat verzoeker een rotonde mocht reconstrueren. Uit bewijsmiddel 85 blijkt dat de giften ertoe leiden dat betrokkene 10 in strijd met de regels niet méér (andere) aannemers benaderde, maar alleen A B.V. Uit bewijsmiddel 81 volgt dat betrokkene 10 stortbonnen voor teerhoudend asfalt heeft verstrekt, maar dat het bedrijf het teerhoudend asfalt van een ander werk bij deze vracht heeft gedaan. Met enige moeite kan daaruit worden afgeleid dat in een dergelijk geval geen stortbonnen hadden mogen worden verstrekt, zodat betrokkene 10 ook in zoverre handelde in strijd met zijn ambtsplicht;
  • betrokkene 11: het naar voren schuiven van werkopdrachten, het maken en verstrekken van fictieve werkopdrachten, het ophogen van facturen en het, tegen de regels in, verstrekken van stortbonnen;
  • medeverdachte 2: “iets teruggedaan voor de giften en diensten”. Uit bewijsmiddel 214 kan worden afgeleid dat medeverdachte 2 als tegenprestatie informatie heeft doorgegeven aan A zodat deze daarmee voordeel had bij inschrijvingen op aanbestedingen. Uit de bewijsmiddelen 203 en 207 kan worden afgeleid dat medeverdachte 2 ten behoeve van het bouwbedrijf bemoeienissen heeft getoond bij aanbestedingen. Kennelijk beschikte hij ten behoeve van het bouwbedrijf over een B&W-advies dat intern en vertrouwelijk was en dat het bouwbedrijf met deze informatie zijn voordeel heeft gedaan, door bijvoorbeeld een (perfect) plan van aanpak op te kunnen stellen voor het project Diepestraat te Nuth. Met betrekking tot medeverdachte 2 is trouwens meer bewezenverklaard dan alleen “begunstigen”;
  • medeverdachte 1: het alleen aan het bedrijf A B.V. opgeven van een richtprijs.

Sommige van de hiervoor vermelde gedragingen stonden min of meer concreet omschreven in de tenlastelegging. Het Hof heeft er echter voor gekozen om de bewijsvoering – mogelijk omwille van de leesbaarheid - wat algemener te houden. Daarmee is niet gezegd dat, zoals in het middel wordt gesteld, het arrest innerlijk tegenstrijdig is, of dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten of dat ’s Hofs bewijsoordeel onvoldoende met redenen is omkleed. De bewezenverklaring is hoogstens met teveel redenen omkleed. Daarover wordt echter niet geklaagd.

Ook het laatste middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad en hier de conclusie van de AG.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens ambtelijke omkoping

Rechtbank Noord-Holland 1 mei 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3803 Verdachte heeft zich door het verstrekken van giften schuldig gemaakt aan het omkopen van een ambtenaar. Hoewel niet zonder meer duidelijk is wie de eerste stap daartoe heeft gezet vormt de omstandigheid dat verdachte zelf het initiatief heeft genomen om met medeverdachte 1 in contact te komen een sterke aanwijzing dat hij degene is die de omkoping geïnitieerd heeft, hoewel de veroordeling van medeverdachte 1 van heden ook wijst op een gretigheid voor het meewerken aan omkoping. Verdachte heeft bovendien meegewerkt om de schijn op te houden dat het eerlijke transacties waren door een – nauwelijks bruikbaar – rapport in ontvangst te nemen en in te stemmen met de verhullende teksten op de facturen. Hierdoor heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Achergrond

Medeverdachte 1 is op 1 december 2006 als ambtenaar in dienst getreden bij de gemeente Haarlemmermeer met een voltijds dienstverband van 36 uur per week, in de functie van clustermanager Beheer & Onderhoud. Hij verrichtte daarnaast nevenwerkzaamheden via BV 2, waarin hij via BV 3 als DGA volledige zeggenschap heeft. Daarnaast verrichtte hij nevenwerkzaamheden via zijn eenmansbedrijf.

BV 4, waarvan verdachte DGA is, is bestuurder van BV 1. Verdachte heeft aan medeverdachte 2, directeur van De Waterwolf Dienstverlening Buitenruimte B.V. gevraagd hoe hij medeverdachte 1, van wie hij slechts wist dat hij bij de gemeente Haarlemmermeer werkte, kon benaderen. Verdachte en medeverdachte 2 hebben toen een gezamenlijke lunch georganiseerd, waarbij medeverdachte 1 ook werd uitgenodigd. Deze lunch vond plaats op 11 juni 2009. Hierna heeft verdachte drie mondelinge opdrachten gegeven aan BV 2. Niets is afgesproken over de termijn van levering van de tegenprestatie en niets is afgesproken over de prijs die medeverdachte 1 bij verdachte in rekening mocht brengen.

Verdachte heeft op 9 november 2009 € 23.841,65 overgemaakt op de bankrekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0309 met als onderwerp: “1e fase Beeldkwaliteitplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland”.

Verdachte heeft hiervoor als tegenprestatie een door medeverdachte 1 opgestelde nota ontvangen ´Beheer Kwaliteit in de Openbare Ruimte'. Dit rapport bestaat uit passages van het bij de gemeente Haarlemmermeer eerder op verzoek van medeverdachte 1 door BV 5 uitgebrachte rapport “Integraal beheerkwaliteitsplan”.

Verdachte heeft op 2 december 2009 € 28.675,43 overgemaakt op de bankrekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0311 met als onderwerp “Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud”. medeverdachte 1 verklaart dat hij hiervoor geen fysiek product heeft aangeleverd.

Verdachte heeft op 17 december 2009 € 53.864,16 overgemaakt op rekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0313 d.d. 7 december 2009 met als onderwerp; “Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland”. Hiervoor zijn geen werkzaamheden verricht. Op 9 december 2009 geeft medeverdachte 1 de opdracht “ Uitvoering Verhardingsmaatregelen 2008-2010” aan de Waterwolf. Op 16 december 2009 krijgt BV 1 van de Waterwolf opdracht voor genoemde verhardingsmaatregelen voor een bedrag van € 533.200.

De facturen van BV 2 zijn in de administratie van verdachte als ‘overige kosten’ geboekt op het project 9259, zijnde het project “Verhardingsmaatregelen 2008-2010”.

Bij een omvangrijk project via de gemeente Haarlemmermeer diende gebruik te worden gemaakt van de onderaannemer BV 1. Dit is volgens getuige 1 gebaseerd op een tussen verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 mondeling gemaakte afspraak.

Alle projecten in het kader van het onderhoud aan de openbare ruimte moesten worden weggezet bij De Waterwolf, hoewel alle projectleiders, ook getuige 2, destijds manager van de afdeling OV&R bij de gemeente Haarlemmermeer, zelf, faliekant tegen waren, omdat zij vonden dat met gemeenschapsgeld zo efficiënt mogelijk moest worden omgegaan.

Op 9 december 2009 stuurde medeverdachte 1 een e-mail aan medeverdachte 2 met onder meer als inhoud: ”Hierbij geef ik jou opdracht conform bovenstaande omschrijving, op basis van de lijst met werkzaamheden, met een inspectiedatum van begin 2008 voor een totaalbedrag van € 878.000,00”.

De waarde van de omzet die BV 1 bij De Waterwolf realiseerde in 2006, 2007 en 2008 bedroeg respectievelijk € 43.128, € 95.639 en € 992. In 2009 heeft verdachte via zijn onderneming BV 1 bij De Waterwolf facturen ingeleverd ten bedrage van totaal ongeveer € 495.000. De eerste factuur was gedateerd 12 juni 2009. Hiernaast kreeg BV 1 van de Waterwolf op 16 december 2009 de opdracht van € 533.200.

Feit 1

Blijkens de eerste door medeverdachte 1 ingezonden factuur heeft hij met betrekking tot de eerste opdracht werkzaamheden verricht in juli en augustus 2009. Medeverdachte 1 heeft hiervoor een rapport van 15 bladzijden geleverd. Dit rapport is samengesteld uit passages die afkomstig zijn van een kort daarvoor door BV 5 aan de gemeente afgeleverd 31 pagina’s tellend rapport genaamd: “Integraal beheerkwaliteitplan”. De rechtbank stelt vast dat de tekst van het rapport van medeverdachte 1 nagenoeg geheel afkomstig is van het door BV 5 opgestelde rapport en overigens inclusief de foto’s een gelijke lay-out kent. medeverdachte 1 heeft BV 1 een prijs in rekening gebracht van € 23.841,65 die gebaseerd is op 206 uren aan werkzaamheden. Bij de doorzoeking bij BV 1 is het rapport van medeverdachte 1 niet aangetroffen. Met betrekking tot de vraag aan verdachte wat de aanleiding was voor de opdracht en waarvoor het rapport gebruikt is, is geen concreet antwoord gekomen. De rechtbank concludeert uit al het voorgaande dat hier materieel sprake is van een gift en dat het rapport dat medeverdachte 1 heeft opgesteld uitsluitend de functie had om de werkelijkheid te verhullen. Gelet op de aanvang van de werkzaamheden, juli 2009, en dat verdachte voor die datum medeverdachte 1 niet eerder ontmoet had, kan het niet anders dan dat die opdrachten rechtstreeks zijn voortgevloeid uit afspraken die zijn gemaakt tijdens de gezamenlijke lunch op 11 juni 2009.

De betaling van € 28.675,43 van BV 1 op rekening van BV 2 is gebaseerd op een mondelinge opdracht zonder afspraken over prijs en datum levering van de tegenprestatie. medeverdachte 1 heeft hiervoor geen fysiek product afgeleverd en omschrijft, net als verdachte, zijn tegenprestatie als het geven van adviezen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat medeverdachte 1, zoals hij heeft verklaard 183 uren bezig is geweest met onderzoek en advisering ten behoeve van BV 1 terwijl dat geen enkel bewijs van inspanning van de zijde van medeverdachte 1 of enig ander resultaat heeft opgeleverd en de rechtbank ziet de betaling dan ook als een gift.

Op 17 december 2009 wordt op de rekening van BV 2 € 53.864,43 bijgeschreven van de rekening van BV 1 ter betaling van de factuur van 7 december 2009 met omschrijving “Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland”. Volgens verdachte is hier niks van terecht gekomen en heeft hij dit bedrag ten onrechte betaald. verdachte verklaarde ter terechtzitting dat BV 2 personeel aan BV 1 ter beschikking zou stellen dat BV 1 nodig had om de opdracht van De Waterwolf met betrekking tot de uitvoering van het verhardingsmaatregelenpakket uit te voeren. De opdracht daartoe is echter pas op 16 december 2009 aan BV 1 verstrekt. Het is onbegrijpelijk dat verdachte € 53.864,43 betaalt aan BV 2 voor de inhuur van personeel via BV 2 voor werkzaamheden waarvoor verdachte nog geen opdracht heeft ontvangen. In het licht van alle voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat ook hier materieel sprake is van een gift en dient hetgeen door verdachte en medeverdachte 1 wordt verklaard eveneens ter verhulling van de werkelijke aard van de betaling.

Ten aanzien van het al dan niet in strijd met de plicht in zijn bediening iets hebben gedaan

Blijkens het onderzoek van Ernst & Young heeft BV 1 in 2009 totaal € 495.000 aan facturen verzonden aan De Waterwolf, waarvan voor ongeveer € 340.000 in de laatste twee maanden. Daarnaast is BV 1 op 16 december 2009 door De Waterwolf een opdracht gegund ter grootte van € 533.200. Gelet op de verklaringen van getuige 2 en getuige 1 wist De Waterwolf dat de opdrachten van de gemeente Haarlemmermeer met betrekking tot de openbare ruimte bij haar terecht zouden komen. BV 1 wist op haar beurt dat De Waterwolf de werkzaamheden naar haar zou doorzetten. De giften van BV 1 aan BV 2 hebben naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel gehad dan te bewerkstelligen dat BV 1 de opdrachten, die de gemeente Haarlemmermeer aan De Waterwolf verstrekte, geheel of gedeeltelijk mocht uitvoeren. Aldus heeft medeverdachte 1 in strijd met zijn plicht als ambtenaar gehandeld, welke plicht onder meer inhoudt dat de ambtenaar integer handelt, neutraal te werk gaat en aan anderen geen persoonlijke voorkeurspositie toekent en nog minder, dat hij zich laat betalen om aan een ander een opdracht te gunnen of te laten gunnen.

Feit 2

Nu verdachte het ten laste gelegde ten aanzien van de facturen genoemd onder 2, tweede, derde en vierde liggende streepjes heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak daarvan is bepleit, is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering.

Hoewel de verdediging betwist dat drie facturen vals zijn, kan uit de inhoud van de verklaringen van verdachte en het pleidooi niet anders dan geconcludeerd worden dat die facturen niet, dan wel niet geheel, overeenkomstig de werkelijkheid zijn, omdat de opgegeven werkzaamheden niet dan wel niet volledig zijn verricht, terwijl de factuur doet voorkomen dat dit wel het geval is. Dat maakt de facturen wel degelijk vals.

De verdediging heeft er op gewezen dat verdachte van medeverdachte 2 te horen kreeg wat op de factuur moest komen staan, maar dat maakt de conclusie niet anders. Voorts bracht de verdediging naar voren dat medeverdachte 2 ter vermijding van betaling van vennootschapsbelasting – De Waterwolf leek af te stevenen op winst – een voorziening in 2009 wilde treffen om de heffing minder te doen zijn, en hij dacht dat voortijdige facturering daarvoor een geschikt middel kon zijn. Afgezien van de vraag of de gedachte van medeverdachte 2 juist is, ziet de rechtbank daarin geen grond om te concluderen dat het valse karakter van de facturen daaraan om die reden komt te ontvallen. Verder heeft de verdediging er op gewezen dat achter de facturering een verrekening schuil ging tussen BV 1 en De Waterwolf. Hoewel de verklaringen van verdachte en medeverdachte 2 een grote gelijkenis tonen, maar ook gedeeltelijk niet gelijkluidend zijn, erkent verdachte dat daarvan niets op papier staat. Wat daar van zij, deze omstandigheid ontdoet de facturen niet van hun vals karakter.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of een ambtenaar een gift doen naar aanleiding van hetgeen deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, heeft gedaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de leeftijd van verdachte. Ten slotte heeft de rechtbank er mee rekening gehouden dat verdachte zijn bedrijf heeft verkocht en geld terug gestort heeft op de rekening van De Waterwolf teneinde met dat bedrijf schoon schip te maken, zoals verdachte dat heeft genoemd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Nieuw OESO rapport over omkoping van buitenlandse ambtenaren'

Op 2 december 2014 is door de OESO een belangrijk rapport gepubliceerd over de vorderingen op het gebied van de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren door bedrijven. In diverse landen is de wetgeving aangescherpt en internationale organisaties hebben anticorruptierichtlijnen uitgevaardigd. Vooral de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hanteren strenge anticorruptiewetgeving met extraterritoriale werking, waarmee − zo leert de praktijk − ook Nederlandse ondernemers te maken kunnen krijgen. Het OECD Foreign Bribery Report toont aan dat meer aandacht voor anticorruptiebestrijding noodzakelijk is. Daarbij komt een belangrijke rol toe aan commissarissen en het senior management van bedrijven. De ‘tone at the top’ is immers (mede) bepalend voor de cultuur van een bedrijf. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Gerechtshof verklaart klagers niet-ontvankelijk in beklag tegen beslissing van OvJ om ABN AMRO niet te vervolgen ter zake van omkoping

Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1042 Deze artikel 12 Sv-procedure richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het Functioneel Parket om de ABN AMRO Bank N.V. als rechtsopvolgster van Fortis Bank (Nederland) N.V. niet te vervolgen ter zake van omkoping.

Achtergrond

Klagers hebben bij brief van 29 november 2013 aangifte tegen beklaagde gedaan van onder meer omkoping, die volgens klagers redelijkerwijs kan worden toegerekend aan ABN AMRO als rechtsopvolger van Fortis. Namens het OM is klagers bericht dat niet tot strafvervolging van de aangegeven feiten zal worden overgegaan. Tegen die beslissing van de officier van justitie richt zich het beklag op grond van artikel 12 Sv.

Het beklag strekt er toe om een strafrechtelijk onderzoek te gelasten ter zake van de (ambtelijke) omkoping van naam 1, medewerker van woningcorporatie Vestia, met provisiegelden die verbonden waren aan de verkoop van financiële producten en  dienstverlening van Fortis door  middel van de financiële dienstverlening van een onafhankelijke intermediair, meer specifiek via de tussenpersoon handelend onder de naam 2, zoals deze zich zou hebben voorgedaan in de jaren 2004 tot en met 2009. Klagers verzoeken tevens ter zake van die gestelde feiten de strafrechtelijke vervolging te gelasten van ABN AMRO, als rechtsopvolger van Fortis.

Ontvankelijkheid van het beklag

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat klager CFV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag en dat het beklag voor het overige dient te worden afgewezen. Klagers persisteren bij hun beklag.

Ten aanzien van klager CFV

Mevrouw Braal-Verhoog heeft het belang van CFV in raadkamer van 18 februari 2015 aldus toegelicht dat dit primair gelegen is in de rol van CFV als beheerder van het Saneringsfonds, waaruit 675 miljoen euro aan Vestia is uitgekeerd, teneinde een faillissement van Vestia af te wenden.

Desgevraagd heeft mevrouw Braal-Verhoog te kennen gegeven dat de financiële middelen waaruit het Saneringsfonds uitkeringen doet, door CFV verkregen worden door heffingen op te leggen aan de woningbouwbouwcorporaties.

Volgens mevrouw Braal-Verhoog heeft het CFV als publiekrechtelijke organisatie bovendien de maatschappelijke taak om aangifte te doen van strafbare feiten en aldus zorg te dragen voor het belang dat de maatschappij heeft bij de vervolging van strafbare feiten die een maatschappij ontwrichtend element in zich dragen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan een rechtstreeks belanghebbende schriftelijk beklag doen indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd. Volgens de wet en vaste rechtspraak wordt onder rechtstreeks belang verstaan een objectief bepaalbaar en specifiek eigen belang van klager.

Het behartigen van een maatschappelijk belang, zoals klager kennelijk als publiekrechtelijke organisatie  voorstaat, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende specifiek om als rechtstreeks eigen belang als bedoeld in de wet aan te merken.

Het hof overweegt voorts dat het CFV op grond van de Woningwet weliswaar belast is met het financiële toezicht op de woningbouwcorporaties, maar dat het CFV door de bestreden beslissing niet rechtstreeks in dat belang is geraakt, nu de middelen die CFV aan Vestia heeft uitgekeerd zijn bijeengebracht door woningbouwcorporaties. Niet is vastgesteld  dat klager vertegenwoordiger is van de betrokken woningcorporaties en niet is gebleken dat klager zich heeft gesteld als schriftelijk gemachtigde van de betrokken woningcorporaties.

Bovendien concludeert het hof dat noch uit hetgeen klager naar voren heeft gebracht, noch uit de in dit dossier gevoegde onderzoekrapportages is gebleken van een rechtstreeks verband tussen enerzijds de door CFV aan Vestia verstrekte gelden ter leniging van de financiële nood die het gevolg is geweest van financieel wanbeleid bij deze woningcorporatie en anderzijds de verkoop aan Vestia van financiële producten van Fortis via financiële dienstverlening van een intermediair.

Dit leidt tot de conclusie dat klager CFV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag.

Ten aanzien van klager Vestia

Op grond van het verhandelde in raadkamer van 28 februari 2015 en de daarna binnengekomen stukken als hierboven vermeld, stelt het hof vast dat de klacht zich uitsluitend richt op de vervolging van beklaagde, als rechtsopvolger van Fortis, vanwege het vermeende strafbare handelen van financieel intermediair naam 2 - een tussenpersoon die financiële producten van Fortis verkocht aan Vestia - dat aan Fortis zou zijn toe te rekenen.

Het hof ziet zich bij de beoordeling van het beklag allereerst voor de vraag gesteld of beklaagde kan worden beschouwd als rechtsopvolger van Fortis en overweegt daartoe als volgt.

Klaagster refereert aan een boetebesluit van de financiële toezichthouder AFM, opgelegd aan ABN AMRO wegens het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen en voor onderzoek benodigde gegevens met betrekking tot het handelen van Fortis. Het boetebesluit concentreert zich echter niet op het handelen van Fortis zelf.

Hoewel beklaagde in de context van dat boetebesluit door de AFM als rechtsopvolger van Fortis wordt aangemerkt en hoewel ook in de onderhavige beklagzaak klagers en het openbaar ministerie de term “rechtsopvolger” hanteren, dient het hof na te gaan of in casu sprake is geweest van rechtsopvolging in strafrechtelijke zin. Rechtsopvolging in de civielrechtelijke betekenis en in bestuursrechtelijke zin impliceert naar het oordeel van het hof niet dat zonder meer ook sprake is van strafrechtelijke rechtsopvolging.

Van rechtsopvolging in de strafrechtelijke betekenis kan sprake zijn wanneer de maatschappelijke realiteit met zich meebrengt dat de ontbonden rechtspersoon, die zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, wordt voortgezet door een opvolgend rechtspersoon terwijl er maatschappelijk gezien sprake is van identiteit tussen de oude en de nieuwe rechtspersoon. Voor vaststelling van die reïncarnatie zijn echter meer feiten en omstandigheden vereist dan het gegeven dat zowel Fortis als ABN AMRO (nieuw) financiële ondernemingen zijn als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht(Wft) en dat ABN AMRO zich mede heeft gericht op het door de ontbonden Fortis achtergelaten marktsegment. Identiteit tussen voorganger en opvolger alleen op die grond aannemen is niet mogelijk, alleen al niet omdat er meer bankinstellingen in dezelfde financiële markt waar ook Fortis opereerde actief zijn.

Van belang voor de vaststelling van een eventuele reïncarnatie is in het bijzonder of ABN AMRO dezelfde, voor Fortis kenmerkende, activiteiten voortzette. Daarvan is het hof na bestudering van hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht en van het in deze zaak opgemaakte dossier niet gebleken. Het dossier bevat  wel aanwijzingen dat ABN AMRO duidelijk afstand wilde nemen van activiteiten van Fortis.

Bovendien kan in dit verband na de deconfiture van Fortis niet worden geconstateerd dat de activiteiten van ABN AMRO (nieuw), die daarvoor in de plaats kwamen, worden geleid door dezelfde personen terwijl ook het hoofdkantoor van Fortis niet meer – ook niet met een andere naam - bestaat.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot het  oordeel dat geen sprake is van een rechtsopvolging in strafrechtelijke zin en concludeert dat mitsdien klager Vestia niet-ontvankelijk is in het beklag.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^