Doorzoekingen bij verschoningsgerechtigden: doorzoeking en beslag & doorzoeken materiaal

Het verschoningsrecht van de advocaat en de notaris is al enige jaren onderwerp van discussie. Als wapen gooit het Openbaar Ministerie een media offensief in de strijd waarin wordt bepleit dat het verschoningsrecht van de advocaat moet worden ingeperkt omdat er misbruik van zou worden gemaakt. Echter toen het Openbaar Ministerie werd gevraagd om toe te lichten waarop zij dit verwijt baseren, bleef het stil. Naast dit media offensief organiseert het Openbaar Ministerie ook steeds vaker een doorzoeking bij een verschoningsgerechtigde. De veelvuldige inzet van dergelijke doorzoekingen gaat gepaard met een even zo grote stroom aan jurisprudentie. Het laatste woord over de wijze waarop de doorzoeking en het beslag dient plaats te vinden alsmede of hetgeen al dan niet in beslag genomen mag worden en hoe het in beslag genomen materiaal mag worden doorzocht, is nog niet gezegd. De jurisprudentie lijkt zich in eerste instantie toe te spitsen op de vraag welke stukken in beslag genomen mogen worden bij een verschoningsgerechtigde. In recente jurisprudentie is met name ingegaan op de vraag wanneer een brief of geschrift voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend, ofwel wanneer is sprake van corpora en/of instrumenti delicti. In beginsel mogen immers alleen deze stukken in beslag genomen worden gedurende een doorzoeking bij een verschoningsgerechtigde.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

RC merkt strafdossier met aantekeningen verdachte t.b.v. overleg raadsman niet aan als geheimhoudersstukken

Rechtbank Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2698

Op 14 april 2016 is door de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam in de cel van de verdachte een aantal schriftelijke bescheiden in beslag genomen. De rechter-commissaris heeft deze stukken niet aangemerkt als geheimhoudersstukken en ter hand gesteld aan opsporingsambtenaren van Midden-Nederland ten behoeve van verder onderzoek. Door hen zijn kopieën van de stukken gemaakt, die nog in het bezit zijn van het onderzoeksteam.

Op 18 april 2016 heeft de raadsman van de verdachte per mail aangegeven, dat verdachte na ontvangst van het strafdossier aantekeningen heeft gemaakt en vragen en/of opmerkingen heeft genoteerd, die geheimhoudersstukken betreffen en behoren tot de beschermwaardige vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt.

Op 21 april 2016 is er op uitnodiging van de rechter-commissaris op het kabinet van de rechter-commissaris te Utrecht overleg geweest tussen de portefeuillehouder strafrecht van de orde van advocaten te Den Haag en de raadsman, teneinde de stelling van de raadsman dat er sprake is van geheimhoudersstukken te toetsen. De raadsman en de portefeuillehouder hebben daarbij inzage gehad in de originele stukken, die door de rechter-commissaris te Rotterdam bij verdachte in beslag zijn genomen en door de officier van justitie in een gesloten enveloppe aan de rechter-commissaris waren toegezonden.

Door de raadsman en de portefeuillehouder zijn de stukken, die volgens de raadsman onder zijn verschoningsrecht vallen, op een aparte stapel gelegd, welke stukken vervolgens door de rechter-commissaris in een enveloppe met het opschrift “wel geheimhoudersstuk’ zijn gedaan.

De stukken, waarvan de raadsman stelde dat deze niet als geheimhoudersstuk moeten worden aangemerkt, zijn in een enveloppe met het opschrift “geen geheimhoudersstuk” gedaan.

Ter toelichting op zijn standpunt over de stukken, die de raadsman tot zijn beroepsgeheim rekent, is door hem ten overstaan van de rechter-commissaris en in het bijzijn van de portefeuillehouder het volgende aangevoerd. De raadsman geeft aan dat voornoemde stukken vragen van zijn cliënt bevatten over het strafdossier, die hij nog aan de raadsman wil stellen, dan wel informatie bevatten, die zaak gerelateerd zijn, en die zijn cliënt naar alle waarschijnlijk met hem wil bespreken. Het zijn bespiegelingen van zijn cliënt en dat zijn zaken, die met zijn raadsman besproken moeten worden. De stukken zijn van dien aard dat deze niet vrijelijk aan iedereen ter beschikking moeten worden gesteld, aldus de raadsman.

Daarnaast heeft de raadsman nog gesteld dat zijn cliënt vanwege de aan hem opgelegde beperkingen nog niet de gelegenheid heeft gehad de door hem opgestelde stukken met hem te bespreken, maar dat hij deze kennelijk met dat doel op papier heeft gezet.

De portefeuillehouder heeft desgevraagd bevestigd dat hij het standpunt van de raadsman deelt, waarbij hij heeft aangegeven dat de persoon, die de stukken heeft opgesteld, daarin vragen formuleert, die bedoeld zijn om aan zijn raadsman te stellen en niet zozeer aan de recherche.

Beoordeling

Voor de beoordeling van het standpunt van de advocaat achtte de rechter-commissaris het noodzakelijk kennis te nemen van alle in beslaggenomen stukken.

De rechter-commissaris overweegt het volgende:

De aard van de bevoegdheid tot verschoning, die de raadsman als geheimhouder toekomt, brengt met zich dat de beoordeling of de onder verdachte in beslag genomen stukken onder het beroepsgeheim van de advocaat vallen, in beginsel toekomt aan de geheimhouder zelf. Zijn standpunt dient te worden geëerbiedigd, tenzij er rederlijkwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Niet aan de orde is de vraag of de onderhavige schriftelijke bescheiden geschriften zijn die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris vallen onder het verschoningsrecht alle vertrouwelijke gegevens, die aan de verschoningsgerechtigde in het kader van zijn beroepsuitoefening zijn toevertrouwd. Het kan daarbij gaan om alle gegevens, die over en weer tussen verdachte en zijn advocaat zijn uitgewisseld, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, waarbij de advocaat ook is opgetreden in zijn hoedanigheid als advocaat en zijn cliënt in dat kader bijstaat.

De rechter-commissaris stelt vast dat geen enkel stuk, dat onder verdachte in beslag is genomen, is toevertrouwd aan de geheimhouder. Reeds om die reden is zij van oordeel dat het standpunt van de advocaat zonder redelijke twijfel onjuist is. Voor de veel ruimere uitleg van de advocaat dat ook stukken, die mogelijk bestemd zijn voor uitwisseling met hem, geheimhoudersstukken zijn, is naar het oordeel van de rechter-commissaris geen plaats.

In dat kader wordt ten overvloede nog overwogen dat uit de stukken zelf ook niet is af te leiden dat deze voor overleg met de advocaat waren bestemd. Het enkele gegeven dat een deel van de handgeschreven aantekeningen van verdachte over de strafzaak tegen hem gaan, maakt dat niet anders. Voorts bevatten sommige stukken niet alleen vragen van de verdachte, maar ook door hem geformuleerde antwoorden en de zinsnede ‘Voorbereiding verhoor’.

Het standpunt dat de stukken met vragen (en antwoorden) eerder voor overleg met de advocaat zouden zijn bestemd, dan voor de recherche, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk.

Ten slotte volgt de rechter-commissaris de advocaat niet in zijn stelling dat verdachte nog niet in de gelegenheid is geweest de stukken met hem te bespreken vanwege de beperkingen, die aan hem waren opgelegd, nu de verdachte juist in de beperkingen wel contact mag hebben met zijn advocaat.

Gelet op het voorgaande is de rechter-commissaris van oordeel dat het standpunt van de advocaat, dat de op 14 april 2016 onder verdachte inbeslaggenomen stukken geheimhoudersstukken zijn, zonder redelijke twijfel niet juist is.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beslissing RC over selectie geheimhoudersstukken na beslag bij Officierszoeking: niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag door OM wordt doorzocht, ook niet als daarbij mogelijk geheimhoudermateriaal zal worden aangetroffen

Rechtbank Amsterdam 23 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3330

Op 7 april 2016 heeft bij naam B.V. en naam Trust B.V. een doorzoeking plaatsgevonden door de FIOD onder leiding van officieren van justitie. Daarbij zijn fysieke en digitale stukken in beslag genomen, dit laatste door middel van het maken van een copy van data op de server van naam B.V. (aan de hand van 19 zoektermen op basis van de 6 cases als beschreven in het Aanvangsverbaal d.d. 9 mei 2016). Niet in geschil is dat zich onder dit beslag vermoedelijk stukken bevinden van personen die zich kunnen beroepen op artikel 218 Sv.

In een brief van 2 mei 2016 is door de verdediging van naam B.V. aan de rechter-commissaris “op de voet van artikel 180 Sv” verzocht het ertoe te geleiden dat het verschoningsrecht wordt gerespecteerd, de FIOD en het openbaar ministerie niet langer ongeclausuleerd inzage verkrijgen in data en documenten en dat geheimhouderstukken worden verwijderd uit de data en documenten.

Naar aanleiding van deze brief en de reactie daarop van het openbaar ministerie, zijn partijen door de rechter-commissaris uitgenodigd voor een bijeenkomst op het kabinet met als doel te bezien of tussen het openbaar ministerie en de verdediging afspraken kunnen worden gemaakt over de wijze van doorzoeking van het beslag met inachtneming van het verschoningsrecht. Voorafgaand en na de bijeenkomst is door de verdediging schriftelijk gereageerd.

De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Afgesproken is onder meer dat door de verdediging een lijst wordt overgelegd met namen en mailadressen van zogeheten geheimhouders waarop de inbeslaggenomen data gefilterd zouden moeten worden. Het nog niet aangevangen onderzoek van het beslagen materiaal door het onderzoeksteam is bevroren tot en met de beslissing van de rechter-commissaris.

Bij schrijven van 17 mei 2016 heeft de verdediging vervolgens op detailniveau aangegeven hoe, wat haar betreft, de onderhavige “filterprocedure” er uit zou moeten zien en verschillende voorstellen gedaan waaromtrent, bij gebreke van instemming door het openbaar ministerie, de rechter-commissaris om een beslissing wordt gevraagd. Tevens is verzocht de bevriezing van het onderzoek door het onderzoeksteam aan de data te laten voortduren totdat definitief, eventueel door een raadkamer ex artikel 552a Sv, over de te volgen procedure is beslist.

De officier van justitie is akkoord gegaan met de voorgestelde lijst met namen en mailadressen van (afgeleide) verschoningsgerechtigden en overige zoektermen.

Thans is vooral nog in debat de vraag wie, en onder wiens leiding, moet selecteren op geheimhouderstukken en, ingeval van een onwelgevallige beslissing, of het onderzoek verder bevroren dient te blijven totdat definitief is beslist.

In essentie komt het standpunt van de verdediging erop neer dat de rechter-commissaris een actieve rol moet hebben vanaf het allereerste begin van de doorzoeking van de stukken en bestanden. Zo dient de selectie op geheimhoudermateriaal plaats te vinden onder leiding van de rechter-commissaris, moet het materiaal bewaard worden bij de rechter-commissaris en een nieuwe door de rechter-commissaris aan te stellen (externe) FIOD-medewerker aan de rechter-commissaris te rapporteren, aldus de verdediging. Hierop is op 20 mei 2016 per mail gereageerd door de officier van justitie die tot dit alles geen aanleiding ziet en daarop zijn vervolgens per mail nadere standpunten uitgewisseld tussen openbaar ministerie en de verdediging.

Overwegingen rechters-commissarissen

Naam B.V. en naam Trust B.V. zijn geen kantoren van personen waarop artikel 218 Sv ziet, het zijn geen notaris- en/of advocatenkantoren. De doorzoekingen zijn hier niet verricht onder leiding van een rechter-commissaris, maar door de FIOD onder leiding van een officier van justitie. Bij de doorzoekingen is door de officier van justitie beslag gelegd op fysieke stukken en op digitale bestanden.

Voorop gesteld moet worden dat deze zoekingen en de wijze van beslaglegging onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie plaatsvindt. Op grond van artikel 552a Sv kunnen belanghebbenden zich bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over inbeslagneming.

Indien en voor zover de verdediging bedoeld heeft zich bij de rechter-commissaris te beklagen over inbeslagneming is zij niet-ontvankelijk.

Voorts is van belang de notie dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Gegevens die op een gegevensdrager zijn opgeslagen, zijn daarvan niet uitgezonderd. Het gaat hier weliswaar om een grote hoeveelheid data, maar computerbestanden of e-mailboxen lenen zich naar hun aard niet eenvoudig voor gespecificeerde inbeslagneming en afzonderlijk onderzoek. Dat onder de gegevens zich ook mogelijk geheimhoudergegevens bevinden is inherent aan de wijze van inbeslagneming, maar dit maakt niet meteen dat sprake is van een inbreuk op rechten. Het is niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag door het openbaar ministerie wordt doorzocht, ook niet als daarbij mogelijk geheimhoudermateriaal zal worden aangetroffen. Het is in zijn algemeenheid prettig indien overleg kan plaatsvinden tussen verdediging en openbaar ministerie over de te volgen werkwijze. Het is echter niet de bedoeling dat de FIOD helemaal geen onderzoek op de data meer kan doen, omdat er mogelijk op geheimhouderstukken wordt gestuit.

Tegen deze achtergrond is het volgende juridische toetsingskader van belang.

Volgens vaste jurisprudentie dient bij een onderzoek als het onderhavige gewaarborgd te zijn dat de in beslag genomen gegevensdragers op de voet van artikel 125l Sv worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de beroepsgeheimhouder niet in het gedrang komt.

Alleen onder zeer bijzondere omstandigheden is inbreuk op het verschoningsrecht toelaatbaar. Het is dan aan de rechter-commissaris om te beoordelen of bepaalde brieven of geschriften redelijkerwijs kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Door het openbaar ministerie is hier (nog) niet gesteld dat sprake zou zijn van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat in deze casus de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Toetsingskader voor de beoordeling van het beslag voor zover dat betrekking heeft op verschoningsgerechtigden vormt dan artikel 98 Sv, zoals dat luidt sinds 1 maart 2015, en voor het digitale beslag is dat artikel 125l Sv. Op grond van deze artikelen worden geen stukken in beslag genomen en/of gegevens doorzocht waarop het verschoningsrecht berust, tenzij het gaat om zogeheten corpora en/of instrument delicti (artikel 98, vijfde lid Sv). Brieven en geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend zijn volgens de Hoge Raad überhaupt geen object van het verschoningsrecht. Dit betekent dat naar corpora en instrumenta delicti steeds mag worden gezocht, tenzij daarbij inbreuk wordt gemaakt op het geheime karakter van andere stukken.

In de praktijk heeft zich een met waarborgen omgeven procedure ontwikkeld – ook door de Hoge Raad meermalen goedgekeurd – waarbij in grote lijnen het erop neerkomt dat in onderzoeken als het onderhavige met een omvangrijk beslag op digitale bestanden eerst gefilterd wordt door een speciaal aangestelde FIOD-medewerker op geheimhoudermateriaal die niet aan het onderzoek verbonden is. Het mogelijke geheimhoudermateriaal wordt vervolgens aangeboden aan de rechter-commissaris, op het kabinet bewaard en vervolgens worden de betrokken geheimhouders uitgenodigd om zich, desgewenst in aanwezigheid van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep, uit te laten over de volgende vragen:

  • Is het een stuk/bestand waarop het verschoningsrecht ziet;
  • Zo ja, wordt een beroep gedaan op het verschoningsrecht;
  • Zo ja, is sprake van zogeheten corpora en/of instrumenta delicti.

Vervolgens neemt de rechter-commissaris een beslissing, waartegen door de verschoningsgerechtigde zelf op grond van artikel 98, vierde lid Sv een klaagschrift kan worden ingediend. In die procedure kan ook worden geklaagd over de wijze van doorzoeken.

Beslissingen

Tegen de achtergrond van het hier eerder vooropgestelde en geschetste toetsingskader is in het onderhavige geval de werkwijze die door de officier van justitie wordt voorgestaan en toegelicht in de mail van 20 mei 2016 zorgvuldig te noemen. Deze werkwijze komt naar het oordeel van de rechters-commissarissen meer dan voldoende tegemoet aan de belangen van eventuele verschoningsgerechtigden.

Het verzoek tot aanstelling van een nieuwe (externe) FIOD-medewerker die onder leiding van de rechter-commissaris gaat opereren, wordt afgewezen. Voor het doorzoeken van stukken en bestanden op geheimhoudermateriaal heeft het openbaar ministerie thans een werkwijze voorgesteld, waarin een rol is toebedeeld aan een zogeheten FIOD geheimhoudermedewerker die niet inhoudelijk bij de zaak betrokken is en aan de hand van de door de verdediging aangedragen lijst voor de eerste filtering zal zorgdragen. In dit geval is ook een officier van justitie ingezet die niet bij het onderzoek betrokken is en met wie de FIOD geheimhoudermedewerker kan overleggen. Het inzetten van een dergelijke FIOD geheimhoudermedewerker en/of geheimhouders officier van justitie is, zoals gezegd, niet ongebruikelijk, efficiënt en als zodanig niet in strijd met het doel van de wettelijke bepaling. Het gaat er immers om juist het verschoningsgerechtigde materiaal te (onder)scheiden van het overige.

Daarbij moet worden opgemerkt dat zoekingen als de onderhavige niet uitzonderlijk zijn en er doorgaans veel materiaal te doorzoeken valt. FIOD medewerkers zijn daartoe bij uitstek geschikt. De rechter-commissaris heeft in dit stadium van het strafrechtelijke onderzoek, waarin doorgaans nog geen vordering door het openbaar ministerie is gedaan, geen tot weinig informatie over het lopende strafrechtelijke onderzoek en de verdenking. Ook beschikt hij/zij doorgaans over minder technische mogelijkheden en kennis over het doorzoeken van (zeer) grote digitale bestanden. Waarom, zoals door de verdediging wordt verzocht, genoemde FIOD medewerkers niet, of alleen op het kabinet onder leiding van een rechter-commissaris, zouden moeten selecteren valt niet in te zien. Er zijn tot op heden geen feiten en/of omstandigheden gebleken die de argwaan richting de FIOD, waarvan blijk wordt gegeven met dit verzoek, rechtvaardigen. Overigens is er om dezelfde redenen veel voor te zeggen om de oorspronkelijke image als back-up te bewaren bij de digitale afdeling van de FIOD en buiten het bereik van het onderzoeksteam. Het bewaren van de oorspronkelijke image is gebruikelijk voor het geval het openbaar ministerie nog een vordering wenst te doen. Er is thans geen goede grond aan te wijzen voor een bewaarplicht van dit materiaal in een kluis op het kabinet.

Het verzoek van de verdediging te gelasten dat het onderzoek op het beslag bevroren blijft totdat definitief, eventueel door een raadkamer (van de Hoge Raad) ex artikel 552a Sv, is beslist op voornoemde punten, wordt eveneens afgewezen. Naar ons oordeel is de door de officier van justitie voorgestelde selectieprocedure van het geheimhoudermateriaal zorgvuldig, zodat na ommekomst daarvan het onderzoek naar de beslagen data, dat nog niet is aangevangen, van start kan gaan. Een andersluidend standpunt zou een nodeloze vertraging opleveren en een onacceptabele frustratie van het onderzoek met zich brengen. Een bevriezing van onderzoek op beslag hangende de raadkamerprocedure komt alleen toe aan een verschoningsgerechtigde zelf die ex artikel 552a Sv een klaagschrift indient met een klacht over inbreuk op zijn verschoningsrecht en/of betwisting van corpora/instrumenta delicti. Dan wordt het onderzoek naar het (mogelijke) geheimhouderdeel van het beslag bevroren. Of er materiaal is/wordt aangetroffen waarop het verschoningsrecht ziet, of en zo ja door wie een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht, of er sprake is van corpora/instrumenta delicti etc., dit zijn allemaal kwesties die nog moeten blijken.

Het is de vraag of tegen de onderhavige beslissingen een rechtsgang open staat. Artikel 180 Sv noch artikel 182 Sv lijkt hier in te voorzien. Mocht de verdediging een bezwaarschrift indienen en de raadkamer dit ontvankelijk achten is naar het oordeel van de rechter-commissaris een bevriezing van het beslag totdat op dit bezwaar definitief is beslist evenmin aan de orde om dezelfde redenen als hiervoor genoemd.

Samengevat komen de rechters-commissarissen tot de volgende conclusies:

  • Voor zover de verdediging zich beklaagt over het beslag is het niet-ontvankelijk;
  • De belanghebbende bij het beslag kan op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift indienen;
  • Het is niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag wordt doorzocht op geheimhoudermateriaal;
  • De door het openbaar ministerie voorgesteld werkwijze doet recht aan het verschoningsrecht;
  • Er bestaat geen aanleiding tot aanstelling van een nieuwe FIOD-medewerker;
  • De oorspronkelijke image kan als back-up bewaard blijven op de digitale afdeling van de FIOD, buiten bereik van het onderzoeksteam;
  • Eventueel geheimhoudermateriaal wordt aangeboden aan de rechter-commissaris en bewaard op het kabinet, waarna de gebruikelijk procedure van uitnodigen van verschoningsgerechtigden wordt gevolgd die (zelf) tegen een beschikking van de rechter-commissaris een rechtsmiddel kunnen aanwenden;
  • De bevriezing van het onderzoek op het beslag wordt opgeheven.

 

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

'De (digitale) doorzoeking bij een notaris- of advocatenkantoor | Enkele problemen nader belicht'

Doorzoeking van de administratie op een notaris- of advocatenkantoor is een juridisch complexe gebeurtenis. Regelgeving in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot doorzoeking bij verschoningsgerechtigden is zeer summier en de jurisprudentie biedt alleen standaardoverwegingen van de Hoge Raad over de toepasselijkheid van het verschoningsrecht. Dit heeft tot gevolg dat het moeilijk is vast te stellen hoe een doorzoeking moet plaatsvinden. Deze bijdrage geeft aan de hand van jurisprudentie en ervaringen een praktische ‘handleiding’ voor een dergelijke doorzoeking. Het artikel geeft aan wanneer er sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ en bespreekt de rol van de officier van Justitie en de rechter-commissaris bij de voorbereiding van de doorzoeking. Voor wat betreft de doorzoeking zelf is er aandacht voor zoektermen, zeer uitzonderlijke omstandigheden, corpora er instrumenta en de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit. Afgesloten wordt met een aantal opmerkingen over de technische aspecten van een zoeking in de digitale administratie van een advocaten- of notariskantoor. Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Trema. 

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Het Zeeslag-arrest: weer enkele bakens van het notariële verschoningsrecht in kaart gebracht'

In een recent arrest besteedt de strafkamer van de Hoge Raad opnieuw aandacht aan het verschoningsrecht, toekomend aan een notaris. Het verschoningsrecht bevindt zich in onstuimige zeeën. Aandacht voor de jurisprudentie over het verschoningsrecht is zeker van belang nu dat meer en meer onder druk ligt van opsporingsautoriteiten en een codificatie in het Wetboek van strafvordering is aangekondigd. Teneinde het Zeeslag-arrest te duiden, worden eerst enige ijkpunten weergegeven die de Hoge Raad aangaf in het Ogem/notaris Maas-arrest en worden enkele ontwikkelingen aangestipt.

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op WPNR.

 

Print Friendly and PDF ^

Inbeslagneming gegevensdragers onder advocaat

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1994 Namens klager is aangevoerd dat op 9 april 2015 onder hem gegevensdragers in beslag genomen zijn. Van de gegevensdragers zijn door de opsporingsinstanties kopieën gemaakt, hetgeen dient te worden aangemerkt als gebruik. Het klaagschrift richt zich tegen het gebruik van de in beslag genomen voorwerpen. Daarnaast richt het klaagschrift zich op de inbeslagneming, die in strijd met de wet en regelgeving heeft plaatsgevonden. Klager verzoekt het beklag gegrond te verklaren, te verklaren dat de inbeslagneming onrechtmatig heeft plaatsgevonden en voorts te gelasten dat alle gemaakte kopieën aan klager worden overhandigd, dan wel worden vernietigd.

De officier van justitie heeft in de conclusie van 1 maart 2016 aangevoerd dat van de digitale gegevensdragers die klager ten tijde van zijn aanhouding bij zich had, een “image” is gemaakt. De image ligt in de kluis bij de politie en is in afwachting van de verdere procedure daaromtrent nog niet onderzocht. De gegevensdragers zijn na het maken van een kopie aan klager geretourneerd.

Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat klager niet ontvankelijk is. Het beslag is geëindigd, nu de beslagen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven. Er is geen strafvorderlijk middel om na teruggave van het voorwerp onrechtmatig gebruik van het beslagene aan de orde te stellen. Het beklag is daarmee niet ontvankelijk. mening, mocht de rechtbank klager wel ontvankelijk verklaren, dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de aard van de werkzaamheden van klager, die te duiden zijn als trustwerkzaamheden, is geen sprake van bestanden die onder het verschoningsrecht vallen, zodat er dus geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 98 Sv.

Meer subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Mocht klager gezien worden als verschoningsgerechtigde, dan is artikel 98 Sv van toepassing en dient de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld te worden om te beslissen over de (definitieve) inbeslagneming en de kennisname van de bestanden. De gegevensdragers zijn (waren) ook in dat geval vatbaar voor inbeslagname, omdat, gelet op de rol en positie van klager, in redelijkheid kan worden vermoed dat zich op de gegevensdragers stukken bevinden die onderdeel uitmaken van de strafbare feiten waarvan klager wordt verdacht, dan wel die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend (corpora en instrumenta delicti). In casu is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden, aangezien klager zelf verdacht wordt van betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten en - als medepleger - onderdeel is van een groot verband van (mede)plegers. Op grond hiervan dient het verschoningsrecht te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. In een dergelijk geval is het niet meer aan de verschoningsgerechtigde om aan te geven welke stukken voor inbeslagneming (dan wel gebruik) in aanmerking komen, maar is het de rechter-commissaris die - bij voorkeur in overleg met de Deken - bepaalt of bepaalde stukken mogen worden gebruikt en aldus kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.

Ter zitting heeft de raadsman betoogd dat klager ontvankelijk is in zijn beklag. Klager is advocaat en staat als zodanig ingeschreven in Luxemburg. Op de in beslag genomen laptop van klager staan gegevens van vele van zijn cliënten, ook cliënten die niet in dit onderzoek voorkomen en geen (mede-)verdachten zijn. Inbeslagneming had conform de regelgeving dienen plaats te vinden, hetgeen niet is geschied. In deze zaak zijn door de wijze van inbeslagneming alle waarborgen overboord gegooid. Zodoende is het noodzakelijk te oordelen of de inbeslagneming rechtmatig is. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen het gebruik van het in beslag genomen voorwerp en het gebruik van de aan dat voorwerp ontleende informatie. Over het laatste kan niet geklaagd worden, over het eerste wel. Zodoende is klager volgens de raadsman tevens ontvankelijk in zijn beklag tegen het gebruik, bestaande uit het maken van de kopie. Met betrekking tot de toepassing van het verschoningsrecht heeft de raadsman aangevoerd dat in het geval van klager noch de rechter-commissaris noch de Deken bij de inbeslagneming betrokken is geweest. Bovendien is verzuimd de rechter-commissaris gelegenheid te geven zich voorafgaand aan de beslagneming uit te laten over de rechtmatigheid van het beslag. Daarmee is klager de mogelijkheid ontnomen om te klagen.

Naast de formele gebreken geldt dat het gebruik onrechtmatig was, omdat het materieel om geheimhoudersstukken gaat. Er staan veel meer stukken op de gegevensdragers dan uitsluitend stukken toeziende op de werkzaamheden voor de medeverdachten. Evenmin is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor een geoorloofde doorbreking van het verschoningsrecht zou kunnen plaatsvinden. De raadsman verzoekt de klaagschriften gegrond te verklaren en te gelasten dat alle gemaakte kopieën aan klager worden overhandigd, dan wel worden vernietigd.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. Op de image staan documenten die van belang zijn voor waarheidsvinding. Klager is verdachte van ernstige strafbare feiten. Klager is als trustmedewerker, en niet als advocaat, betrokken geweest bij naam company. Uit de correspondentie blijkt dat de officier van justitie in contact is getreden met de rechter-commissaris en dat de rechter-commissaris te kennen heeft gegeven zoveel mogelijk te handelen overeenkomstig artikel 98 Sv, waarbij als feitelijk uitgangspunt had te dienen dat de inbeslagneming reeds had plaatsgevonden en waarbij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat de rechtmatigheid van de inbeslagneming te zijner tijd op een zitting of, voorafgaand daaraan, in een procedure ex artikel 552a Sv aan de orde kon worden gesteld. De rechter-commissaris zal, indien de rechtbank de inbeslagneming rechtmatig oordeelt, de geëigende procedure volgen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of klager ontvankelijk is in zijn beklag.

Artikel 98, eerste lid, Sv bepaalt dat bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld in artikel 218, tenzij met hun toestemming, niet in beslag worden genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt en dat de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak artikel 98, eerste lid, Sv van toepassing is. Klager is immers, zo blijkt uit het dossier en is ook niet weersproken door de officier van justitie, advocaat in Luxemburg en heeft als zodanig een bevoegdheid tot verschoning.

Tevens stelt de rechtbank vast dat de in artikel 98, eerste lid, Sv omschreven procedure niet is gevolgd. Onder klager zijn zonder zijn toestemming gegevensdragers in beslag genomen, terwijl de rechter-commissaris hierover geen beslissing had genomen.

Van de gegevensdragers zijn kopieën gemaakt. Deze kopieën zijn gedeponeerd in een kluis en van de inhoud daarvan is door de officier van justitie of het onderzoeksteam geen kennis genomen. De gegevensdragers zijn aan klager terug gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klaagschrift gericht tegen de inbeslagneming van de gegevensdragers, nu de inbeslaggenomen gegevensdragers reeds aan hem zijn teruggegeven. De wet kent niet de mogelijkheid om met een klaagschrift na beëindiging van het beslag te doen vaststellen dat de inbeslagneming onrechtmatig was. Dit kan bij de behandeling van de strafzaak aan de orde worden gesteld.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klaagschrift gericht tegen het gebruik van de in beslag genomen gegevensdragers, nu artikel 552a Sv niet voorziet in het doen van beklag tegen het gebruik van gegevens die zijn ontleend aan in beslag genomen voorwerpen (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510).

Ten aanzien van de kennisneming van de inhoud van de gemaakte kopieën overweegt de rechtbank dat het bepaalde in artikel 98, tweede lid, Sv van toepassing is. Deze bepaling schrijft voor dat, indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, niet tot kennisgeving overgegaan wordt dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.

De rechter-commissaris heeft nog geen beslissing genomen over de vraag of tot kennisneming mag worden overgegaan. Mocht de rechter-commissaris beslissen dat kennisneming is toegestaan, dan kan klager tegen deze beslissing op grond van artikel 98, vierde lid, Sv een klaagschrift indienen. Deze situatie is thans (nog) niet aan de orde.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaren in beide klaagschriften.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Verschoningsrecht van de advocaat: veilige haven, geen vrijplaats'

Het belang van het beroepsgeheim en het verschoningsrecht van advocaten wordt algemeen onderschreven. Dat is anders als het gaat om het bereik van het verschoningsrecht. In de visie van het OM fungeert het verschoningsrecht van advocaten te vaak als vrijplaats voor zaken die verborgen moeten blijven. Een hardnekkige en ongefundeerde misvatting.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Strafzaak schending geheimhoudingsplicht deels achter gesloten deuren: Geen verschoningsrecht voor de commissaris van de Koning en de voorzitter van de vertrouwenscommissie als getuigen in de strafzaak

Geen verschoningsrecht voor de commissaris van de Koning en de voorzitter van de vertrouwenscommissie als getuigen in de strafzaak en een deel van de inhoudelijke behandeling zal achter gesloten deuren plaatsvinden. Dit is de uitkomst van een door de rechtbank Gelderland gewezen tussenvonnis.

Lekken tijdens benoemingsprocedure burgemeester

In deze strafzaak wordt een 44-jarige vrouw uit Maarssen verweten dat zij geheimen heeft gelekt die haar in november 2014 waren toevertrouwd in het kader van een benoemingsprocedure van de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht. De medeverdachte, een 57-jarige man uit Maarssen, wordt verweten dat hij van deze geheimen kennis heeft genomen.

Geen verschoningsrecht

De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen waarin zij de vraag beantwoordt of aan de commissaris van de Koning en de voorzitter van de vertrouwenscommissie verschoningsrecht toekomt. De officier van justitie wil hen tijdens de inhoudelijke behandeling als getuigen oproepen. De rechtbank oordeelt dat zij geen verschoningsrecht hebben. Verschoningsrecht is het recht van een getuige die geen verklaring wenst af te leggen. De rechtbank vindt het algemeen maatschappelijk belang en het belang van de waarheidsvinding in deze zaak zwaarder wegen dan het privacybelang van de kandidaten. Dit belang onderkent de rechtbank ook.

Eerlijk en zorgvuldig

De kwestie raakt het vertrouwen van de burger in de burgemeester als overheidsfunctionaris en de zorgvuldigheid van de benoemingsprocedure. Daarmee dus ook het vertrouwen in de overheid en ‘de politiek’ in het algemeen. De burger moet erop kunnen vertrouwen dat dergelijke procedures op een eerlijke en zorgvuldige wijze verlopen. Als de verdenking bestaat dat toch aan deze waarden is getornd, dan mag de burger er vervolgens van uit gaan dat justitie dergelijk gedrag onderzoekt. En, mocht dat nodig zijn, dat mensen die ervan worden verdacht deze regels te hebben geschonden ter verantwoording worden geroepen.

Gedeeltelijk achter gesloten deuren

Aan het privacybelang van de kandidaten kan ook recht worden gedaan door een deel van de inhoudelijke zitting achter gesloten deuren te behandelen. Dit zal de rechtbank dan ook doen. Ook wordt de officier van justitie verzocht nummers te koppelen aan de namen van de kandidaten, zodat er tijdens het openbare deel van de zitting ook over de kandidaten – afzonderlijk - kan worden gesproken.

De volledige uitspraak wordt binnenkort gepubliceerd.

Bron: de Rechtspraak 

 

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad beperkt verschoningsrecht: concept akten notaris aangemerkt als instrumenta delicti

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110

Er zijn stukken in beslag genomen, afkomstig uit doorzoekingen bij C BV en D BV en uit een vordering uitlevering ter inbeslagneming. Aan de beslagenen wordt onder meer verweten: het opmaken van een vervalste overeenkomst (de Realisatieovereenkomst) en het opmaken en gebruikmaken van valse facturen in 2009 en 2010. De klager is notaris. Hij heeft aangevoerd dat zich geheimhouderstukken bevinden tussen de inbeslaggenomen stukken en heeft verzocht het beslag in zoverre op te heffen met een last tot teruggave.

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 maart 2015 het door klager ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

Namens klager hebben mr. R.W.J. Kerckhoffs en mr. J.N. de Boer, beiden advocaat te Breda, vijf middelen van cassatie ingediend.

Eerste en tweede Middel

Het eerste en het tweede middel klagen dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent 'brieven of geschriften die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend' als bedoeld in art. 98, vijfde lid, Sv. Daartoe is onder meer aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een instrumentum delicti enkel relevant is of het document direct onderdeel uitmaakt van het vermeende strafbare feit. De Rechtbank heeft, aldus de middelen, ten onrechte niet alleen van belang geacht of een document "zelfstandige betekenis" heeft gehad bij het plegen van het strafbare feit dat zou zijn begaan, maar tevens betekenis toegekend aan de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de complexiteit van de verdenking. Het derde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat "instrumenta delicti" zijn "de stukken A-7-I-1-3, A-7-I-1-4, MG36, MG37, MG40, MG41, MG42, MG44 en MG64".

Beoordeling Hoge Raad

Print Friendly and PDF ^

Beschikking ex artikel 552a Sv: Beslag onder advocaat, plaats inbeslagneming: kantoor, privéadres en bij derden. Moment van inbeslagneming. Omvang van het beslag.

Rechtbank Noord-Holland 20 november 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11814 Onder een advocaat, klager, heeft inbeslagneming plaatsgevonden op zijn kantoor, privéadres en bij derden. Hiertegen is op 27 mei 2015 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

  • de op 18 mei 2015 op het kantooradres van klager inbeslaggenomen goederen;
  • de op 18 mei 2015 op het toenmalige privéadres van klager inbeslaggenomen goederen.

Daarna, op 15 oktober 2015, heeft de rechter-commissaris beschikt (art. 98 Sv) dat zij de inbeslagname toestaat van 15 documenten, waarvan 7 documenten aangetroffen bij klager en 8 documenten aangetroffen bij cliënt van klager, medeverdachte in de strafzaak tegen klager.

Het klaagschrift gedateerd 21 oktober 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

  • de 15 documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015.

Standpunt klager

Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de raadsman meegedeeld dat het klaagschrift ziet op alle onder klager (privé, op kantoor en nageleverde) inbeslaggenomen goederen, alsmede op de onder cliënt van klager inbeslaggenomen goederen die onder het verschoningsrecht van klager vallen.

Omvang van het beslag: alleen de vijftien documenten, genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris

Klager stelt zich op het standpunt dat slechts de (vijftien) documenten ten aanzien waarvan de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat inbeslagneming is toegestaan, onder het beslag vallen. Klager komt tot dit standpunt door de manier waarop de rechter-commissaris haar beslissing in de beschikking van 15 oktober 2015 heeft geformuleerd en door de redactie van artikel 98, derde en vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In het derde lid is onder meer bepaald dat de rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, de verschoningsgerechtigde meedeelt dat er beklag open staat tegen zijn beslissing. In het vierde lid is bepaald dat de verschoningsgerechtigde een klaagschrift kan indienen tegen de beschikking van de rechter-commissaris binnen 14 dagen na betekening daarvan. Door de onderlinge samenhang van deze leden lijken de beschikking en de beslissing van de rechter-commissaris één en dezelfde te zijn. Tegen zowel de beslissing als de beschikking staat beklag open en het ligt niet voor de hand dat er twee keer beklag kan worden ingediend. Om die reden concludeert klager dat de wet ertoe strekt dat in de beschikking van de rechter-commissaris wordt bepaald of en zo ja, welke documenten in beslag worden genomen. Ook de feitelijke gang van zaken pleit voor deze zienswijze. De rechter-commissaris kon tijdens de doorzoeking niet alle documenten, digitale bestanden en nog uit het archief op te vragen documenten/bestanden beoordelen. Daarom is de doorzoeking als het ware bevroren en op een later moment voortgezet op het Kabinet RC, waarbij klager de gelegenheid kreeg zich over de selectie van de rechter-commissaris uit te laten. Eerst hierna heeft de rechter-commissaris haar beschikking opgesteld.

Gelet hierop dienen de overige door de rechter-commissaris feitelijk meegenomen/overgenomen goederen, niet zijnde één van de vijftien in de beschikking van de rechter-commissaris genoemde documenten, te worden teruggegeven.

Mocht de rechtbank menen dat ook de andere meegenomen/overgenomen goederen in beslag zijn genomen, dan strekt het klaagschrift zich ook uit over deze goederen.

Bij de doorzoeking van de verblijfsadres, waarbij ook de deken en de officier van justitie aanwezig waren, heeft klager aangegeven dat alle goederen vallen onder zijn verschoningsrecht.

Geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden

Klager stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk op het verschoningsrecht en dus inbeslagneming rechtvaardigen. Klager heeft zich verzet tegen de inbeslagnemingen. Er is geen sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 98, vijfde lid Sv, nu geen goederen in beslag zijn genomen die het voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Evenmin is sprake van het bij hoge uitzondering mogen prevaleren van de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen niet gemakkelijk worden aangenomen. De Hoge Raad heeft enkele malen overwogen dat de enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde zelf als verdachte is aangemerkt, niet toereikend is voor het aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden. In de jurisprudentie wordt aangenomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden indien een redelijke verdenking bestaat dat de geheimhouder een ernstig strafbaar feit heeft begaan. Het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt teneinde samen meerdere strafbare feiten te plegen of het ter beschikking stellen van een bankrekening waarover dubieuze geldstromen lopen is als zodanig aangemerkt. De verdenking tegen klager is van een hele andere, lichtere orde. De verdenking betreft het valselijk opmaken of vervalsen van een brief over een vordering in een faillissement naar de curator en het over deze brief opstellen van een valse verklaring. Dit houdt geen verband met de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Niet alleen advocaten kunnen immers een vordering indienen bij de curator en niet alleen advocaten kunnen schriftelijke verklaringen afleggen. Deze stukken zijn inderdaad ingebracht in een procedure maar hebben nooit ergens toe geleid. Klager had geen rol als procesvertegenwoordiger in die procedure.

Publiek belang

Het verschoningsrecht dient niet alleen het individuele belang van klager, maar ook een publiek belang. Er wordt grote maatschappelijke waarde gehecht aan het belang dat een ieder zich zonder vrees voor openbaring vrijelijk tot een advocaat moet kunnen wenden.

Het ontbreken van relevantie

Klager stelt zich voorts op het standpunt dat het ontbreken van relevantie voor de strafzaak een op zichzelf staande reden is om de inbeslagname van de goederen te weigeren. Vatbaar voor inbeslagname zijn immers enkel de voorwerpen die 1) kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, of 2) om wederrechtelijk voordeel aan te tonen of 3) die bewaard worden om een recht tot verhaal veilig te stellen. De documenten die klager heeft mogen inzien, houden geen verband met de door de FIOD en het Openbaar Ministerie geformuleerde verdenking jegens klager en zijn om die reden niet relevant voor de strafzaak. De documenten die klager op 30 september 2015 heeft mogen inzien betroffen slechts andere aangelegenheden zoals bijvoorbeeld een wijziging van alimentatie of de aankoop van een paard.

Standpunt officier van justitie

Omvang van het beslag: alle inbeslaggenomen goederen

Het Openbaar Ministerie stelt zich onder de verwijzing naar de definitiebepaling van artikel 134 Sv en het arrest van de Hoge Raad NJ 1936, 1015 op het standpunt dat de rechter-commissaris bij de doorzoeking op 28 mei 2013 (de rechtbank leest: 18 mei 2015) documenten in beslag heeft genomen en gegevens heeft vastgelegd. Vaak wordt er meer administratie in beslag genomen dan in het onderzoeksdossier terecht komt en zeker meer dan in het procesdossier terecht komt. De inbeslaggenomen goederen die niet in de dossiers worden gevoegd, blijven in de kluis van het Kabinet RC.

De tekst van artikel 98 Sv gaat uit van inbeslagneming en niet van de selectie. Ook elders in het Wetboek van Strafvordering wordt het selecteren van goederen niet gedefinieerd als een geldige titel om buiten de wil van de betrokkene, goederen onder zich te houden. Het enkele feit dat de rechter-commissaris op 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat zij toen pas documenten in beslag heeft genomen, maakt dat niet anders. Tegen de selectie van de rechter-commissaris kan niet worden geklaagd.

Het beslag omvat derhalve de eerdergenoemde tijdens de doorzoeking gelegde beslagen alsmede de later gelegde beslagen, waaronder de notitie van accountant en de documenten die door het kantoor van klager en door archiefbedrijf naam aan de rechter-commissaris zijn verstrekt.

Zeer uitzonderlijke omstandigheden

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden voornamelijk zien op de aard van de verdenking. De stevigheid van de verdenking is niet van doorslaggevende betekenis. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden is sprake als de strafbare feiten de kern van de werkzaamheden van een advocaat raken en aldus de verdenking het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet worden gesteld. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en huiszoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van strafvordering, zij het dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij moet worden voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat onevenredig worden getroffen. In een zeer uitzonderlijk geval als genoemd komt het oordeel of bepaalde documenten redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het verweten strafbare feit dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen en een inbreuk op het verschoningsrecht is gerechtvaardigd, in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de deken van de Orde van Advocaten in het desbetreffende arrondissement of diens vervanger. Stuksgewijze beoordeling is daarbij niet nodig. De rechter-commissaris heeft blijkens de processen-verbaal terughoudendheid bij de inbeslagneming in acht genomen.

Net als bij andere fraude onderzoeken moet het mogelijk zijn dat de rechter-commissaris in een later stadium van het onderzoek die administratie nogmaals bekijkt, om met de wetenschap die zij dán heeft misschien nog andere stukken te selecteren voor het onderzoek. De inbeslaggenomen goederen dienen ook na een onherroepelijke beslissing in deze beklagprocedure beschikbaar te blijven voor het onderzoek. Als de rechtbank zou beslissen dat de inbeslaggenomen goederen zouden moeten worden teruggegeven, zou dat het onderzoek en de waarheidsvinding veel schade doen. Alleen de goederen, waarvan nu al duidelijk is dat ze absoluut niet relevant zijn en ook niet relevant zullen worden, kunnen aan de beslagene worden teruggegeven.

Beoordeling

Artikel 98 Sv

Artikel 98 Sv beperkt de mogelijkheid tot inbeslagneming van brieven of andere geschriften bij de in artikel 218 Sv bedoelde professionele verschoningsgerechtigden, waaronder een advocaat. De bescherming van artikel 98 Sv geldt evenwel niet alleen in geval van beslag en doorzoeking bij de verschoningsgerechtigde, maar ook wanneer op andere plaatsen goederen worden aangetroffen, die onder diens verschoningsrecht vallen1. Op de bescherming van artikel 98 Sv zijn twee uitzonderingen.

Ten eerste strekt de vrijwaring tegen beslag en doorzoeking zich niet uit tot de zogenoemde corpora et instrumenta delicti, te weten brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of die tot het begaan daarvan hebben gediend. Deze goederen vallen niet onder het verschoningsrecht van de betrokken beroepsbeoefenaar. Hoewel artikel 98 Sv slechts brieven of geschriften noemt, is de rechtbank van oordeel dat ook (kopieën van) digitale bestanden daaronder dienen te vallen. De rechtbank is met de officier van justitie en klager eens, dat het in casu niet gaat over corpora et instrumenta delicti.

Daarnaast geldt de bescherming van artikel 98 Sv niet wanneer sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de verschoningsgerechtigde verdacht wordt van ernstige strafbare feiten. Het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert in dat geval boven het belang dat ten grondslag ligt aan het verschoningsrecht.

De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een (doorzoeking ter) inbeslagneming bij een verschoningsgerechtigde toestaan, zal dan ook duidelijk moeten zijn voorafgaand aan de doorbreking van het verschoningsrecht, in dit geval voorafgaand aan 18 mei 2015. Op deze vraag – die dus naar het oordeel van de rechtbank ziet op de inbeslagneming op zich en niet op een nadere selectie – komt de rechtbank later terug.

Omvang van het beslag

Ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van inbeslagneming, sluit de rechtbank aan bij de definitie van inbeslagneming zoals vermeld in artikel 134, lid 1, Sv: “onder inbeslagneming van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van strafvordering”. In casu gaat het om inbeslagneming van voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (artikel 94, lid 1, eerste deel, Sv).

Aldus is de rechtbank van oordeel dat het moment waarop de rechter-commissaris feitelijk de beschikking heeft gekregen over de diverse goederen, door het meenemen vanaf de plaats van doorzoeking danwel het – na een daartoe gedane vordering – op een later moment afgeleverd krijgen, het moment van inbeslagneming betreft. Dat een deel van deze goederen zijn meegenomen ter nadere beoordeling doet aan het voorgaande niet af. Immers, ook dan is sprake van het onder zich nemen ten behoeve van strafvordering op grond van het (voorlopig) oordeel van de rechter-commissaris dat deze goederen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. De rechtbank ziet niet in dat artikel 98 Sv een titel biedt voor het anders dan door inbeslagneming onder zich nemen en ter (nadere) selectie houden van goederen door de rechter-commissaris.

Het voorgaande betekent dat zowel op het kantooradres van klager, zijn verblijfadres van destijds en door latere beschikbaarstelling goederen onder klager in beslag zijn genomen. Daarnaast zijn er goederen onder medeverdachte cliënt van klager en onder getuige accountant in beslag genomen, waarop volgens klager zijn verschoningsrecht rust. Nu het klaagschrift, zo begrijpt de rechtbank, zich uitstrekt over al deze goederen, terwijl in het dossier geen duidelijke lijst voorhanden is, wordt hieronder kort aangegeven welke goederen de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken.

Kantooradres klager

  • een externe harde schijf (gesloten envelop procedure), waarop na het invoeren van de zoekterm “cliënt van klager” in het systeem Viktor (in gebruik vanaf 2008) veertien bestanden zijn gevonden en gekopieerd. In beslag genomen op 18 mei 2015.
  • een kopie van de inbox (gesloten envelop procedure) van klager, op 19 mei 2015 door de ICT-medewerker van het advocatenkantoor persoonlijk afgeleverd op het kantoor van de FIOD in Amsterdam en aldus op die datum inbeslaggenomen:

Naar aanleiding van de doorzoeking van het kantoor van klager zijn op een later moment inbeslaggenomen:

  • mogelijk relevante dossiers opgeslagen bij archiefbedrijf naam, zonder inzage afgegeven aan Kabinet RC op 26 mei 2015 na een vordering ex artikel 96a Sv en aldus op 26 mei 2015 in beslag genomen.
  • dossiers, na een vordering 126nd Sv, welke op 15 september 2015 door kantoornaam aan het Kabinet RC ter beschikking zijn gesteld.

Ten aanzien van voorgaande inbeslaggenomen goederen die allemaal te relateren zijn aan het kantoor van klager staat niet ter discussie dat deze moeten worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde. De rechter-commissaris heeft deze inbeslagneming blijkens haar beschikking en het proces-verbaal van doorzoeking ook als zodanig beschouwd.

Verblijfadres klager

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie verblijfsadres blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van klager in beslag is genomen:

  • 62 stuks usb-sticks
  • iMac Apple
  • iPad3 Apple
  • laptop Samsung NP-R710 snr GM5293GS200234R en voeding
  • usb-stick van kantoor 2GB

Uit de stukken blijkt dat tijdens die doorzoeking tevens aanwezig waren de Deken van de Orde van Advocaten en de portefeuillehouder strafrecht tevens lid van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de bestanden op de gegevensdragers/computer/tablet/laptop is in het proces-verbaal van doorzoeking vermeld dat deze uitsluitend zullen worden bekeken door de FIOD geheimhouder medewerkers.

Volgens een mondelinge toelichting van de rechter-commissaris zou klager zich niet op zijn verschoningsrecht hebben beroepen Tijdens de behandeling in raadkamer heeft klager meegedeeld dat hij zich bij de doorzoeking ook ten aanzien van deze goederen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. De officier van justitie heeft bevestigd dat klager zich in de verblijfsadres (ten aanzien van een aantal goederen) heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de in de verblijfsadres inbeslaggenomen goederen derhalve ook te worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde.

De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van de op de verblijfsadres inbeslaggenomen goederen uitgelaten.

Accountant

Tijdens het verhoor van getuige accountant kwam een notitie ter sprake van klager aan cliënt van klager. Die notitie was in het bezit van accountant en is inbeslaggenomen.

Een notitie van klager aan cliënt van klager, op 19 juli 2015 door accountant aan de rechter-commissaris ter beschikking gesteld na een vordering 126nd Sv en aldus op die datum inbeslaggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de onder accountant inbeslaggenomen notitie, gezien de inhoud, te worden beschouwd als een document, dat onder het verschoningsrecht van klager valt. De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van deze notitie uitgelaten.

Cliënt van klager

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie adres cliënt blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van cliënt van klager, medeverdachte in de strafzaak tegen klager, diverse documenten, ordners, harde schijven, etcetera in beslag zijn genomen. Ten aanzien van een aantal goederen is een gesloten envelop procedure gehanteerd. De overige goederen betreffen volgens een mondelinge toelichting van de rechter-commissaris geen geheimhouderstukken. Van een viertal inbeslaggenomen goederen (gesloten-envelop procedure) heeft de rechter-commissaris bepaald dat het om een geheimhouderstuk gaat. Het betreft:

  • diverse bescheiden inzake bedrijf van cliënt
  • een zwarte ordner “Memorie van Grieven accountant Hof 03062014”
  • een zwarte ordner “accountant 2013”
  • (een groen/witte ordner “ander advocatenkantoor”).

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze vier genoemde onder cliënt van klager inbeslaggenomen bescheiden te worden beschouwd als documenten, die onder het verschoningsrecht van klager vallen.

Zeer uitzonderlijke omstandigheden

Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in de artikelen (47) 225 en 226 Wetboek van Strafrecht. Klager wordt verweten dat hij in strijd met de waarheid de volgende stukken zou hebben opgesteld:

  1. D-001: een op schrift gestelde verklaring waarin is opgenomen dat klager bij fax van datum 2004 een rekening-courant vordering schriftelijk bij de curator van bedrijf van cliënt heeft ingediend;
  2. D-002: een (fax)brief, waarin is opgenomen dat een vordering van medeverdachte cliënt van klager op de gefailleerde bedrijf van cliënt ter hoogte van fl. 650.000,00 onder de aandacht van de curator wordt/is gebracht en ter verificatie wordt/is ingediend met het verzoek deze op te nemen op de lijst van voorlopig erkende crediteuren;
  3. D-003: een (verzend)bewijs van een (fax)brief waarin faxregels en/of gegevens betreffende de ontvangstbevestiging zijn opgenomen.

In de beslissing doorzoeking van 23 april 2015 heeft de rechter-commissaris de vordering doorzoeking van de officier van justitie als volgt beoordeeld.

(…) Deze verdenking is door de officier van justitie voldoende onderbouwd. Mede gezien de functie van klager als advocaat betreft dit een zeer ernstig feit.

Voor het onderzoek naar de achtergronden en de totstandkoming van de valse faxbrief en de valse op schrift gestelde verklaring is van belang de totstandkoming van de vordering van cliënt van klager op bedrijf van cliënt en vervolgens wat er tussen 2003 en 2012 met die vordering wel of niet is gebeurd met betrekking tot verpanding, compensatie, faillissement, etc.

Het strafvorderlijk en maatschappelijk belang bij waarheidsvinding is in deze zaak groot. Duidelijk zal moeten worden waarom de juridische status van de vordering telkens anders is voorgesteld en welk aandeel de verdachten elk in de gang van zaken hebben gehad. Nu uit de toelichting van de officier van justitie blijkt dat de achtergrond moet worden gevonden in de communicatie tussen klager en cliënt van klager kunnen andere (minder ingrijpende) middelen dan een doorzoeking onvoldoende bijdragen aan dit belang. De rechter-commissaris heeft daarbij in aanmerking genomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht van klager prevaleert. De doorzoekingen op het advocatenkantoor en de woonadressen van klager en zijn medeverdachte, een en ander zoals door de officier van justitie gevorderd, voldoen derhalve aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris als redengevend voor het aannemen van uitzonderlijke omstandigheden overwogen dat op klager de verdenking rust dat hij zich in zijn hoedanigheid van advocaat schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en dat dit, gelet op zijn functie, een zeer ernstig feit is. Zij heeft overwogen dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van zijn werkzaamheden als advocaat dat die verdenking een ontwrichtende werking in de samenleving heeft op het vertrouwen dat in de werkzaamheden als advocaat moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat zich in casu uitzonderlijke omstandigheden voordoen, zoals omschreven in haar beslissing van 23 april 2015. Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte door het opstellen van een valse verklaring en/of een valse (fax)brief en/of het vervalsen van een (fax)verzendbewijs. Uit het dossier blijkt dat de verklaring en faxbrief zijn opgesteld op briefpapier van kantoornaam en zijn voorzien van de naam, meestertitel en functie (respectievelijk advocaat en raadsman van cliënt van klager ) van klager. Ook het (fax)verzendafschrift van ‘een brief/schriftelijk stuk’ naar het kantoor van de curator is afkomstig van het kantoor van klager.

Gezien het voorgaande heeft klager naar het oordeel van de rechtbank – anders dan door de raadsman betoogd - opgetreden in zijn hoedanigheid van advocaat en betreft het handelen van klager de kern van de werkzaamheden van een advocaat.

Klager heeft tot nu toe een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en medeverdachte cliënt van klager kan zich niets herinneren of stelt geen weet te hebben van de opgestelde stukken. Nu er geen andere, minder ingrijpende mogelijkheden zijn om achter de waarheid te komen, is daarmee voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De maatschappelijke functie van advocaat brengt met zich dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op de door hem opgestelde, ondertekende en verzonden stukken. Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in het financieel belang van zijn cliënt, dan zou dat ernstig afbreuk doen aan het ambt van advocaat en de maatschappelijke functie van de advocaat in het algemeen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de waarheidsvinding wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager. Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank niet van belang of het gaat om een of enkele verdenkingen van valsheid in geschrifte .

Beslissing van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagneming al eerder dan bij de beschikking van 15 oktober 2015 is geschied. De rechter-commissaris heeft bij die beschikking als beslissing verwoord dat zij de inbeslagneming van vijftien documenten toestaat.

De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waar bij de feitelijke inbeslagneming sprake was van bestanden die zich slecht leenden voor afzonderlijke inbeslagneming en voorts sprake was van ‘nalevering’ van documenten, de rechter-commissaris in het geval uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn ruim in beslag mag nemen, doch is gehouden het verschoningsrecht te waarborgen door in een later stadium alsnog een selectie op relevantie te maken. De rechtbank leest de beslissing dan ook zo dat de rechter-commissaris – na beoordeling op relevantie van feitelijk inbeslaggenomen documenten en bestanden – slechts de kennisneming van voornoemde vijftien documenten heeft toegestaan. Op deze wijze wordt het verschoningsrecht zoveel mogelijk gewaarborgd en gaat de inbeslagneming niet verder dan strikt noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.

De rechter-commissaris heeft deze beoordeling op relevantie, zoals blijkt uit haar beschikking, slechts ten aanzien van een deel van de inbeslaggenomen goederen gedaan. Ten aanzien van het door de rechter-commissaris beoordeelde deel zal de rechtbank thans moeten toetsen of het beslag dient voort te duren in het belang van de waarheidsvinding. Daarbij dient een afweging gemaakt te worden tussen enerzijds de belangen van klager, verschoningsgerechtigde, om zo spoedig mogelijk de documenten/bestanden, waarover zijn verschoningsrecht zich uitstrekt, te kunnen beschikken c.q. dat die documenten / bestanden niet onnodig lang op het Kabinet RC liggen blijven, en anderzijds het belang van het Openbaar Ministerie om te kunnen beschikken over relevante documenten / bestanden in verband met de verdenking.

De rechter-commissaris heeft van vijftien documenten geoordeeld dat het gaat om voor de verdenking relevante documenten. Klager heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank acht het klaagschrift ten aanzien van deze vijftien relevant geachte documenten ongegrond.

Van andere door de rechter-commissaris beoordeelde documenten / bestanden die onder het verschoningsrecht van klager vallen kan geconcludeerd worden dat zij die niet relevant acht in verband met de verdenking. Het betreft de documenten afkomstig van de kantooradres, van archiefbedrijf naam en de documenten bij cliënt van klager inbeslaggenomen, doch onder het verschoningsrecht van klager vallend.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen grond voor het voortduren van het beslag ten aanzien van die documenten/bestanden. Dat betekent dat het klaagschrift ten aanzien van de documenten / bestanden die door de rechter-commissaris zijn onderzocht en niet relevant zijn bevonden, gegrond dient te worden verklaard.

Op de nog niet door de rechter-commissaris beoordeelde documenten/bestanden (notitie accountant en bestanden/gegevensdragers verblijfsadres ) dient het beslag te blijven voortduren totdat de rechter-commissaris heeft geoordeeld over de relevantie van die documenten/bestanden.

Conclusie

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond ten aanzien van:

  • de vijftien documenten, waarvan de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft bepaald dat die relevant zijn,
  • alle goederen / bestanden, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het verblijfsadres
  • de notitie in beslag genomen bij accountant;

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast de teruggave aan klager van de onder klager inbeslaggenomen, met uitzondering van de zeven documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015:

  • twee dossiers, afkomstig van archiefbedrijf naam, op 26 mei 2015 afgegeven aan Kabinet RC,
  • dossiers, door kantoornaam op 15 september 2015 afgegeven aan het Kabinet RC;

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast vernietiging van

  • gekopieerde bestanden op een externe harde schijf, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het adres adres ,
  • de kopie van de inbox, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het adres adres,

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast de teruggave aan rechthebbende cliënt van klager van de op 18 mei 2015 onder cliënt van klager inbeslaggenomen, met uitzondering van de acht documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015:

  • diverse bescheiden inzake bedrijf van cliënt .
  • de zwarte ordner “Memorie van Grieven accountant Hof 03062014”,
  • de zwarte ordner “accountant 2013”;
  • groen/witte ordner ander advocatenkantoor.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^