Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar kantooradres raadsman genoemd in bij akte instellen rechtsmiddel

Hoge Raad 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2048

De opgave van het kantooradres van de raadsman "voor toezending van de akte en de appeldagvaarding" in het genoemde faxbericht geldt als de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv. In deze zaak heeft zich echter niet de in die wetsbepaling voorziene situatie voorgedaan dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een medewerker ter griffie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag ex art. 94a Sv op woning onder klaagster ten laste van echtgenoot van klaagster

Hoge Raad 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2142

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat op de voet van art. 94a Sv beslag is gelegd op de woning tot bewaring van het recht tot verhaal van een aan betrokkene 1 op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat de woning sinds 1996 - het jaar waarin de klaagster buiten gemeenschap van goederen is gehuwd met betrokkene 1 - alleen op naam van de klaagster staat.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag op gehuurde graafmachine onder klager t.z.v. verdenking van verduistering, waarna zowel klager als verhuurbedrijf klaagschrift indient

Hoge Raad 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156

Onherroepelijke beschikking waarbij teruggave van inbeslaggenomen voorwerp wordt gelast, leidt ertoe dat beslag is beëindigd, hoewel dat niet valt te lezen in art. 134.2 Sv. Dat brengt mee dat klager geen belang heeft bij vernietiging van bestreden beschikking. Rechter die na verwijzing of terugwijzing over zaak moet oordelen, kan klager immers slechts n-o verklaren in zijn beklag, nu beslag reeds is beëindigd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen voormalig minister-president van Curaçao en zijn partner definitief

Hoge Raad 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2157 en ECLI:NL:HR:2018:2158

De veroordelingen van de voormalig minister-president van Curaçao Schotte en zijn partner wegens onder meer ambtelijke corruptie en witwassen blijven in stand. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld. Ook de opgelegde straffen zijn definitief.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onrechtmatig handelen door voormalig rechter en Raad voor de rechtspraak jegens advocaat staat definitief vast

De beslissing in een rechtszaak tussen een advocaat en een voormalig rechter over de onrechtmatigheid van een eerdere civiele procedure in de periode 2004–2009 blijft in stand. Dat geldt ook voor de beslissing dat een uitlating in een brief van de Raad voor de rechtspraak aan een Tweede Kamerlid over deze kwestie onrechtmatig was. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof bij zijn beslissingen geen rechtsregels heeft geschonden en die beslissingen voldoende heeft gemotiveerd. Daarmee staat onherroepelijk vast dat de voormalig rechter en de Staat onrechtmatig hebben gehandeld jegens de advocaat en aansprakelijk zijn voor de geleden schade. De hoogte van de schadevergoeding moet nog door het gerechtshof worden vastgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag: Heeft Rb miskend dat o.g.v. toepasselijk Belgisch recht klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt?

Hoge Raad 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2151

In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov 2.12 en 2.13).

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Beslissing tot opheffing van beslagen in de ontnemingszaak tegen zakenman Van den N. die betrokken was bij de Rotterdamse havenaffaire, niet voldoende gemotiveerd. Beslagzaak moet over.

Hoge Raad 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van de klaagschriften, onder meer op de grond dat de Rechtbank bij haar oordeelsvorming niet de juiste maatstaf heeft toegepast.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanwezigheidsrecht & afwijzing aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2099

De raadsvrouw heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting een verzoek gedaan als bedoeld in art. 281, eerste lid, Sv jo. art. 328 Sv en art. 331, eerste lid, Sv. Ingevolge art. 415, eerste lid, Sv zijn deze artikelen ook in hoger beroep toepasselijk. Voor een dergelijk verzoek geldt als maatstaf of het belang van het onderzoek de schorsing (aanhouding) vordert. Uit HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294 volgt dat indien in feitelijke aanleg een dergelijk verzoek wordt gedaan de feitenrechter een afweging dient te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Is een opsporingsambtenaar een 'bevoegde ambtenaar' in de zin van art. 139 Sr en dus bevoegd een vordering tot verwijdering te doen?

Hoge Raad 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2100

De drie middelen klagen, elk ten aanzien van een andere bewezenverklaring, dat het hof ten onrechte de bestanddelen ‘wederrechtelijk’ en ‘bevoegde ambtenaar’ in de zin van art. 139 lid 1 Sr bewezenverklaard heeft, althans dat die bewezenverklaringen ontoereikend dan wel onbegrijpelijk zijn gemotiveerd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR geeft antwoord: is een nagebootst pistool een speelgoedvoorwerp en dus geen wapen?

Hoge Raad 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2091

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat verdachte een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model 92), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De stelling van de verdediging is dat de uitzondering van art. 3 aanhef en onder a Rwm zich voordoet, omdat het pistool speelgoed is in de zin van Richtlijn. Het hof meent dat het reeds geen speelgoed is, omdat een CE-markering ontbreekt. Het hof gebruikt het woord ‘reeds’ en dat betekent dat het hof kennelijk ook nog andere redenen ziet om het pistool niet als speelgoed aan te merken. In cassatie is de stelling dat het ontbreken van een CE-markering nog niet betekent dat het pistool geen speelgoed is. Als dat juist is, behoeft dat gelet op het woord ‘reeds’ nog niet te beteken dat er geen andere reden is dat van speelgoed geen sprake is.

Read More
Print Friendly and PDF ^