Afleggen valse verklaring & “behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie"

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1368

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 oktober 2012 de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde “medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de taakstraf opgelegd bij parketnummer 13-447140-08, te weten een werkstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen jeugddetentie.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 19 februari 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten betrokkene, die verdacht was van het misdrijf van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, betrokkene heeft voorzien van een vals alibi."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie."

Het Hof heeft een door de verdediging gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het feitencomplex kan ook niet gekwalificeerd worden als poging tot begunstiging. betrokkene was op het moment van de getuigenverklaring al lang en breed aangehouden door de politie. Een alibi had niet gemaakt dat hij plotsklaps in vrijheid was gesteld en dat de zaak was geseponeerd. Aanhouden en nasporen door de politie/justitie hadden zich op 19 februari 2009 reeds voltrokken. Of misschien moet er wel gesproken worden van een absoluut ondeugdelijke poging van verdachte om betrokkene aan aanhouding cq nasporing te laten ontkomen, aldus de raadsvrouw. (...)

Het hof verwerpt de hiervoor gevoerde verweren en overweegt hiertoe het volgende. (...)

Ten aanzien van de begunstiging

Het hof stelt vast dat als poging om behulpzaam te zijn om te ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van politie en justitie kan worden aangemerkt het doen van een mededeling die ertoe strekt en ertoe kan leiden dat van een opsporingsonderzoek wordt afgezien (Hoge Raad 28 januari 2003, LJN AE9671). Het hof heeft vastgesteld dat op het moment van het afleggen van de valse verklaring het onderzoek nog gaande was. Die valse verklaring had er toe kunnen leiden dat het opsporingsonderzoek belemmerd zou worden. Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft getracht betrokkene behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, door betrokkene te voorzien van een vals alibi. Daaraan doet niet af dat deze betrokkene op het moment dat de verdachte hem een vals alibi verschafte, reeds was aangehouden. Nu opsporingsambtenaren hebben achterhaald dat het door de verdachte aan betrokkene verschafte alibi vals was, is het misdrijf niet voltooid." 

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 189, eerste lid onder 1°, Sr luidt:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1° hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of de aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie."

Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 189 Sr moet worden aangenomen dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat politie of justitie worden tegengewerkt bij het opsporen en aanhouden van de dader van een misdrijf. 's Hofs oordeel dat de verdachte door bij de politie een valse verklaring af te leggen ten behoeve van betrokkene, die ten tijde van het afleggen van die verklaring reeds was aangehouden en ten aanzien van wie in dat verband reeds een strafrechtelijk onderzoek liep, heeft getracht betrokkene "behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie" in de zin van art. 189, eerste lid onder 1°, Sr, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de zaak afdoen en de verdachte van het hem subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het subsidiair tenlastegelegde en verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Bijstandsfraude: Slagende bewijsklacht ten aanzien van 'voordeel trekken'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1362

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 10 augustus 2012 de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis ter zake van opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en medeverdachte sinds de zomer van 2004 feitelijk samenwoonden op het adres te Almere, dat de verdachte aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en eet-en drinkwaren heeft genuttigd en dat die voorzieningen, de huur van die woning en de genuttigde eet-en drinkwaren geheel of ten dele werden bekostigd met de bijstandsuitkering van medeverdachte, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte wist dat medeverdachte onjuiste gegevens verstrekte en zij op grond van die gegevens ten onrechte een uitkering voor een alleenstaande genoot.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over 'samenweefsel van verdichtsels'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1366

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 september 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden ter zake van

  • zaak A onder 1: primair een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;
  • zaak A onder 2: oplichting
  • zaak A onder 3: poging tot oplichting
  • zaak B: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Middel

Het eerste middel komt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren:

  • de vertrouwenwekkende aard
  • het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang
  • de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 2 door een samenweefsel van verdichtsels, te weten dat hij bedrieglijk in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto en deze personenauto ter verkoop heeft aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto heeft overhandigd, heeft bewogen tot afgifte van geld kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet uit 's Hofs bewijsvoering worden afgeleid. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie AG Vegter

De bewijsconstructie voor het tweede feit bestaat uit niet meer dan een opsomming van twee bewijsmiddelen en is erg algemeen. Uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een opeenstapeling van leugens, een samenweefsel van verdichtsels.

Dat er is betaald voor een auto blijkt uit bewijsmiddel 2 en het samenweefsel zou moeten volgen uit het eerste bewijsmiddel. Uit dat bewijsmiddel kan blijken dat de auto ter verkoop is aangeboden en dat verdachte een overschrijvingsbewijs en een tenaamstelling van de auto bij zich had. In ieder geval blijkt niet zonder meer uit dit bewijsmiddel dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar en evenmin dat verdachte met het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling meer heeft gedaan dan deze in zijn bezit te hebben. Uit het in bezit hebben van de tenaamstelling heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte die tenaamstellling ook heeft overhandigd. De omstandigheid dat bij het verzoek om vrijwaring blijkt dat het kenteken niet recent is, kan niet aangemerkt worden als een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels. Mij is niet zondermeer duidelijk welke betekenis het Hof aan deze omstandigheid voor het bewijs heeft toegekend. In het bewijsmiddel is namelijk ook nog opgenomen dat aangever wordt meegedeeld dat een nieuw kenteken net die dag op de post zou gaan. Dat het kentekenbewijs, zoals uit het bewijsmiddel blijkt, anders dan was afgesproken niet door verdachte aan aangever is verstrekt, kan ook niet als een verdichtsel worden aangemerkt. De gang van zaken rond het kenteken is door de steller van de tenlastelegging dan ook terecht niet tot een zelfstandig onderdeel van de tenlastelegging gemaakt en komt daarom evenmin in de bewezenverklaring voor. Intussen is mij evenmin duidelijk of en op welke wijze deze gang van zaken het samenweefsel kleur zou kunnen geven.

Als al zou worden aangenomen dat in de bewijsmiddelen besloten ligt dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar dan geldt nog het volgende. Het ter verkoop aanbieden van een auto terwijl je de rechtmatige eigenaar niet bent is hooguit een enkele leugen. Het in bezit hebben en overhandigen van een tenaamstelling is geen (zelfstandig) verdichtsel, maar hooguit een versterking van de leugen dat verdachte als rechtmatige eigenaar de auto ter verkoop aanbood. Van een openstapeling van leugens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer.

Uit de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 kan evenmin worden afgeleid dat de mededelingen van verdachte mede gelet op de context in het bijzonder vertrouwenwekkend of indringend waren. Niet blijkt dat de mededelingen bepaald uitvoerig waren of dat ze veel werden herhaald. Evenmin blijkt van allerlei smoezen. Er blijkt niet meer en niet minder dan van een niet erg opvallend en doorgaans gebruikelijk patroon. Was de koopprijs die aanzienlijk lager (bijna de helft) ligt dan hetgeen minder dan twee weken tevoren moest worden betaald niet zodanig is dat er aanleiding had moeten zijn om een mogelijke onwaarheid te onderkennen? Zonder nadere (ontbrekende) motivering op dit punt acht ik het oordeel van het Hof evenmin zonder meer begrijpelijk. Kortom, het samenweefsel van verdichtsels ligt niet zonder meer besloten in de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De slotsom is dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

Is verdedigbaar dat verdachte geen belang heeft bij cassatie omdat de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die in het kader van dat feit zijn gebezigd worden aangemerkt als een nadere motivering van het samenweefsel van verdichtsels? De bewezenverklaring en de voor het eerste feit opgenomen bewijsmiddelen bieden geen steun voor de conclusie dat er in het kader van feit 2 van een samenweefsel van verdichtsels sprake was, omdat ze compliceren, althans contra-indicaties bevatten. Als feit 1 is immers onder meer bewezenverklaard dat verdachte de auto heeft gekocht. Gelet daarop zou een nadere toelichting zijn vereist ten aanzien van de bij feit 2 bewezenverklaarde passage inhoudende dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als rechtmatig eigenaar. Waarom kan degene die op 11 juni 2011 een auto koopt die auto op 21 juni 2011 niet te koop aanbieden of verkopen, ook al is koopprijs nog niet betaald? In het handelsverkeer is een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Anders gezegd: ook hier geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat verdachte zich in strijd met de waarheid heft voorgedaan als rechtmatige eigenaar. Daar komt nog bij dat de auto zich kennelijk op of kort na 21 juni 2011 ook feitelijk in de machtssfeer van betrokkene 2 bevond, al staat niet zonder meer vast dat de auto aan betrokkene 2 is overgedragen of zelfs geleverd. Het eerste bewijsmiddel bij feit 1 houdt namelijk in dat de verkoper van de auto, aangever betrokkene 1, de auto op 23 juni 2011 in de showroom van betrokkene 2 heeft zien staan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Opgave van bewijsmiddelen

Hoge Raad 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1277

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft op 24 september 2012, met aanvulling van de gronden, het vonnis van de politierechter te Haarlem bevestigd waarbij verdachte wegens 1) medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren en 2) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, goederen verbeurd zijn verklaard en de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, een en ander zoals in het vonnis bepaald.

In het bestreden arrest heeft het hof het vonnis van de politierechter bevestigd, met een aanvulling van de gronden. Deze aanvulling behelst een bewijsoverweging betreffende de criminele organisatie (feit 2) en de rol die verdachte daarin heeft gehad en een beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen.

Het door het hof bevestigde vonnis houdt in dat de bewezenverklaring steunt op hetgeen van de dossierstukken in het proces-verbaal van de terechtzitting op 2 maart 2010 onder III tot en met XXXIV is opgenomen. Het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2010 vermeldt onder III tot en met XXXIII 31 processen-verbaal, waarvan de politierechter ter zitting de korte inhoud heeft medegedeeld en die alle betrekking hebben op feit 1. Onder XXXIV vermeldt het ten aanzien van feit 2 de processen-verbaal genoemd onder VII, XIV, XXI, XXIX en XXXIII.

In het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2010 is niet van alle 31 bewijsmiddelen de redengevende inhoud opgenomen. De bewijsmiddelen III tot en met V, VIII tot en met XI en XV zijn als volgt aangehaald:

“Zaak 1

III. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 519). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 7 mei 2008 door aangever betrokkene 1 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 1 afgelegde verklaring.

IV. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 526). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 13 oktober 2008 door de getuige betrokkene 2 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 2 afgelegde verklaring.

V. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 528). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 13 oktober 2008 door de getuige betrokkene 3 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 2 afgelegde verklaring. (…)

Zaak 2

(…) VIII. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 566). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 23 april 2008 door aangever betrokkene 4 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 4 afgelegde verklaring.

IX. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 578). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 4 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring.

X. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 580). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 5 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring.

XI. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 582). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 6 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring. (…)

Zaak 3

XV. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 635). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 5 april 2008 door aangever betrokkene 7 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 5 afgelegde verklaring.”

Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In het licht van de wetsgeschiedenis, die is weergegeven in HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542, moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen.

Voor zover het middel steunt op de stelling dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis of arrest de bewezenverklaring niet (volledig) steunt op een opgave van bewijsmiddelen doch op een of meer – uitgewerkte – bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, moet worden afgeleid dat geen sprake is van een zogenoemde bekennende verdachte als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv, faalt het, aangezien die stelling geen steun vindt in het recht.

Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en 2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel terecht dat 's Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte deze feiten heeft bekend in de zin van voormelde wetsbepaling, onbegrijpelijk is. Immers, de tot het bewijs van het in die zaken tenlastegelegde gebezigde verklaringen van de verdachte houden in "Ik heb op 25 april 2008 gebeld naar de drogist, het koeriersbedrijf en de koerier, daarbij gebruikmakend van het telefoonnummer 06-0001" (bewijsmiddel VI) en "Ik heb op 18 april 2008 gebeld met telefoonnummer 06-0001 en met het nummer 06-0005 naar de computerzaak, het koeriersbedrijf en de koerier" (bewijsmiddel XIII). Deze verklaringen betreffen niet alle onderdelen van het onder 1 als zaken 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat - anders dan in de strafzaak die heeft geleid tot HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4938 - in het bestreden arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis van de Politierechter het wettig bewijsmiddel is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende verklaring van de verdachte is ontleend, zodat het Hof wat betreft de zaken 1 en 2 niet kon volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen III-V onderscheidenlijk VIII-XI.

Wat betreft feit 2 heeft het Hof geoordeeld dat gedurende de in de tenlastelegging vermelde periode sprake was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Het Hof heeft dat oordeel doen steunen op "de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting". Aldus heeft het Hof miskend dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165). Ook in zoverre slaagt het middel.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming & Gerechtvaardigd vertrouwen

Hoge Raad 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1306 

Feiten

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 29 januari 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.582.800,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3.1 Schending vertrouwensbeginsel

Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege schending van het ver- trouwensbeginsel. De verdediging voert hiertoe aan dat de raadsman heeft aangevoerd dat de advocaat-generaal tijdens de behandeling van de straf- zaak van veroordeelde in hoger beroep heeft meegedeeld dat er geen ontnemingsvordering meer aanhangig zou worden gemaakt. De advocaat-generaal heeft kort daarna deze mededeling door middel van een brief aan de raadsman van verdachte van 28 april 2008 herroepen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze brief niet af doet aan het door de advocaat-generaal ter zitting opgewekte vertrouwen dat er geen ont- nemingsvordering meer zou komen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is aangezien er geen sprake is van een opgewekt vertrouwen.

Oordeel van het hof.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier in de hoofdzaak. In dit dossier bevindt zich, gelet op het feit dat tegen het arrest van 7 mei 2008 geen beroep in cassatie is ingesteld, slechts een verkort proces-verbaal waarin de inhoud van de verklaringen van de verdachte, raadsman en advocaat-generaal niet zijn opgenomen. In dit dossier bevinden zich voorts de aantekeningen van de griffier waarbij als opmerking van de advocaat-generaal Frielink met betrekking tot de ontnemingsvordering is opge- nomen: 'Ontnemingsvordering is er niet gekomen en dat kan ook niet meer'.

Ter terechtzitting op 18 december 2012 is de advocaat-generaal Frielink als getuige gehoord en deze heeft alstoen, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2008 in de hoofdzaak heeft geprobeerd contact te krijgen met de zaaksofficier van justitie. Toen dit niet mogelijk bleek, heeft hij aan een medewerker van het functioneel parket gevraagd om in het automatiseringssysteem de stand van zaken met betrekking tot een eventuele ontnemingsvordering tegen ver- dachte na te zoeken. Deze medewerker gaf de advocaat-generaal te kennen hierover niets in het systeem te kunnen vinden. Naar aanleiding hiervan heeft hij op de zitting van het gerechtshof van 23 april 2008 op een daartoe strekkende vraag van de voorzitter de mededeling gedaan dat er geen ontnemingsvordering gedaan was of gedaan zou worden. Wat hij toen precies gezegd heeft weet hij niet meer. Direct na afloop van de zitting werd hij door een in de zittingszaal aanwezige FIOD-medewerker aangesproken met de mededeling dat er wel degelijk een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde aanhangig zou worden gemaakt. Gelet hierop heeft hij toen de brief van 28 april 2008 aan de raadsman van verdachte geschreven.

Slechts wanneer sprake is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging door een tot het nemen van de vervolgingsbeslissing bevoegde autoriteit om van vervolging af te zien, kan vanwege een opgewekt vertrouwen een beroep op niet-ontvankelijkheid worden gehonoreerd. Bij de behandeling in hoger beroep van de hoofdzaak is ter zitting aan de advocaat-generaal door het gerechtshof naar de stand van zaken in de ontnemingsprocedure gevraagd. Deze heeft hierop naar achteraf bleek een foutieve mededeling gedaan, die hij kort daarna door middel van een brief aan de raadsman van verdachte heeft herroepen. Aan de uitlatingen van de advocaat-generaal, hoe deze ook precies hebben geluid, kon en mocht verdachte naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet zonder meer het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen van een toezegging dat er geen ontnemingsprocedure meer zou volgen, nu deze uitlatingen - gedaan naar aanleiding van een vraag van de voorzitter - informatief van aard waren en niet gezien kunnen worden als een formele toezegging van het openbaar ministerie jegens verdachte dat er geen ontnemingsprocedure (meer) zou volgen. Het feit dat door de officier van justitie eerder, te weten bij de behandeling van de hoofdzaak ter zitting van 24 februari 2006 aan verdachte is medegedeeld dat het openbaar ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, het feit dat er een proces-verbaal SFO was opgemaakt, dat naar hetgeen de advocaat-generaal ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld ter hand was gesteld van veroordeelde, in welk proces-verbaal sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim anderhalf miljoen euro met vermelding van een groot aantal goederen waarop beslag is gelegd tijdens de doorzoekingen op 14 april 2004, en het feit dat de uitlatingen weliswaar zijn gedaan door een verte- genwoordiger van het openbaar ministerie maar niet door de zaaksofficier van justitie als eerstverantwoordelijke, hadden in ieder geval voor verdachte aanleiding moeten zijn om de uitlatingen te verifiëren bij de zaaksofficier van justitie teneinde zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de door de advocaat-generaal verstrekte informatie. Door dit na te laten kan er geen sprake zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen. Van schen- ding van het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake."

Het Hof heeft het verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontne- mingsvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, verworpen op de grond dat "geen sprake kan zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld (i) dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk financieel onderzoek was opgemaakt hetwelk aan de betrokkene ter hand was gesteld, waarin melding werd gemaakt van een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel, (ii) dat aan de betrokkene door de Officier van Justitie bij de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van 24 februari 2006 is medegedeeld dat het Openbaar Ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, en (iii) dat de Advocaat-Generaal vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman van de verdachte. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat hetgeen het Hof voor het overige heeft overwogen, buiten bespreking kan blijven.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: Opeisen eigendom binnen termijn ex art. 3:86.3 BW door verzekeringsmaatschappij

Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2013:2558

De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 13 december 2011 het beklag van klager, strekkende tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen horlogeband, ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat art. 3:86 lid 3 BW is geschonden, althans dat ontoe- reikend is gemotiveerd waarom de horlogeband niet aan klager als verkrijger te goede trouw dient te worden teruggegeven.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft met juistheid overwogen dat zij moet beoordelen of de verzekeringsmaatschappij aan wie de Officier van Justitie de horlogeband wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die horlogeband kan worden aangemerkt. Daarbij gaat het om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die horlogeband (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de verzekeringsmaatschappij binnen de in art. 3:86, derde lid, BW gestelde termijn de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het vereiste dat de verzekeringsmaatschappij binnen drie jaar na de diefstal de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist, niet meebrengt dat de verzekeringsmaatschappij binnen die termijn een daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee zij de gestolen zaak als haar eigendom opeist, maar dat voldoende is dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen horlogeband als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Uit het e-mailbericht van 14 juli 2009 van de verzekeringsmaatschappij aan de Duitse politiecommissaris volgt, naar het oordeel van de Rechtbank, dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven het gestolen horloge, waaronder moet worden begrepen ook de bij dat horloge behorende horlogeband, als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontoereikende motivering van het oordeel dat geen overdracht van economische eigendom van de aandelen heeft plaatsgevonden

Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1239

Verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV, heeft blijkens door hem opgestelde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 30 maart 2002, op die datum effecten die hij privé in eigendom had, (economisch) overgedragen aan [A] BV. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij deze effecten niet daadwerkelijk heeft overgedragen, maar wel de verliezen die hij hierop heeft geleden in de jaren 2002, 2003 en 2004 ten laste heeft laten komen van de BV waardoor er in de periode 2003 tot en met 2005 onjuiste of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting werden gedaan, ertoe strekkende dat te weinig belasting zou worden geheven.

Verdachte is bij arrest van 25 januari 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Mr. G.J.M.E. de Bont en Mr. Sitsen, advocaten te Amsterdam, hebben namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat er in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van aandelen aan de BV heeft plaatsgevonden en dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er weldegelijk sprake is geweest van een reële economische eigendomsoverdracht waarbij alle resultaten van de overgedragen effectenportefeuille voor rekening en risico van de BV zijn gekomen, waardoor er geen sprake is geweest van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overweging heeft het Hof zijn oordeel dat "in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van de aandelen heeft plaats- gevonden", als gevolg waarvan de vennootschap [A] B.V. over de jaren 2002, 2003 en 2004 onjuist en/of onvolledig aangifte heeft gedaan voor de vennootschapsbelasting, naar de kern genomen gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  1. de desbetreffende aandelen werden ook na 30 maart 2002 niet aangehouden in een door de bank op naam van de vennootschap geadministreerd depot (maar in een depot geadministreerd op naam van de verdachte),
  2. bij akte van 8 april 2004 heeft de verdachte de aandelen verpand aan de bank tot zekerheid voor nakoming van zijn verplichtingen jegens de bank, en
  3. de notulen van de vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 30 maart 2002, houdende het besluit tot de overdracht van de aandelen door de verdachte aan de vennootschap, zijn eerst op een later tijdstip door de verdachte uitgetypt.

Aldus heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu deze omstandigheden niet zonder meer eraan in de weg staan dat, zoals namens de verdachte is aangevoerd, de vennootschap met ingang van 30 maart 2002 de economische eigendom van de aandelen heeft verkregen, terwijl uit hetgeen het Hof in dat verband heeft overwogen niet blijkt in hoeverre het gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat bewijsmiddel 4 onder meer inhoudt: "[e]r is geen overeenkomst tussen [verdachte] en zijn holding betreffende de overdracht van de effecten".

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Redengevend bewijsmiddel

Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 juli 2012 voor 1 subsidiair mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, en 4 verduistering, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed op de grond dat 's Hofs bewijsvoering tegenstrijdig is.

Beoordeling Hoge Raad

Wanneer de rechter zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. (Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204).

Het Hof heeft de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde mede doen steunen op de verklaring van de verdachte dat hij van zijn vader € 100,- per dag van de rekening mocht halen als vergoeding voor zijn werkzaamheden in de huishouding en voor de zorg voor zijn moeder (bewijsmiddel 8). In zijn hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat de stelling van de verdachte dat hij met zijn vader een overeenkomst had gesloten, waarbij de verdachte toestemming had gekregen een geldbedrag van € 100,- per dag op te nemen als beloning voor de zorg voor zijn moeder, onaannemelijk is.

Het Hof heeft dit onderdeel van de verklaring van de verdachte, dat niet redengevend is voor de bewezenverklaring, dus ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. Daarover klaagt het middel terecht.

Nochtans leidt de gegrondheid van het middel niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat berust op het volgende. In HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.5 is geoordeeld dat van onvoldoende te respecteren belang als bedoeld in art. 80a RO sprake kan zijn bij bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die voordien grond plachten te vormen voor vernietiging, waarbij te denken valt aan gevallen waarin de bewezenverklaring – ook als het gebrek wordt weggedacht – zonder meer toereikend is gemotiveerd. In de onderhavige zaak, waarin de schriftuur is ingediend na de in dat arrest genoemde datum van 1 oktober 2012, is sprake van zo een geval. De bewezenverklaring is immers indien – in overeenstemming met de nadere bewijsoverweging van het Hof – voormeld onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt weggedacht, zonder meer toereikend gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Machielse: anders

In bewijsmiddel 7 is een overzicht opgenomen van de opnames met een pas waarvan het hof kennelijk heeft aangenomen dat verdachte deze gebruikte. Dat overzicht toont dat verdachte in 2007 zeer regelmatig telkens bedragen van € 1000 heeft opgenomen. Hoewel deze opnames niet overeenkomen met de verklaring die verdachte heeft afgelegd, te weten dat hij € 100 per dag van de rekening zou mogen afhalen, schuilt de echte tegenstrijdigheid in de bewijsconstructie van het hof niet hierin, maar in de onoverbrugbare kloof tussen enerzijds de geciteerde overwegingen van het hof in het verkort arrest waarin het oordeelt dat de door verdachte beweerde afspraak niet aannemelijk is, gevoegd bij de inhoud van bewijsmiddel 6, en anderzijds de ook voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat hij € 100 per dag mocht opnemen. Het een strookt niet met het ander. De bewijsvoering is daarom op een punt dat niet slechts van ondergeschikte betekenis is innerlijk tegenstrijdig.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Geld in bundeltje in een kluis in een tv doos in de kelder bewaren is geen verhullingshandeling

Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 22 oktober 2012 de verdachte ter zake van feit 3 witwassen, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof een inbeslaggenomen geldbedrag van €18.140 verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van de overige geldbedragen en een vijftal horloges.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een met een elastiekje gebundelde hoeveelheid geldbedragen met een totaal van € 18.140,-, die in een kluis in de kelder van de woning van de verdachte in een doos van een flatscreentelevisie lagen - dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (handel in cocaïne). Het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert.

Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte, zoals uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid, op deze wijze geldbedragen op deze plaats in zijn huis verborg, brengt immers nog niet zonder meer mee dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

Het middel slaagt.

Witwassen opbrengst eigen misdrijf

Op zichzelf staat noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001)

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Meer weten over witwassen(-jurisprudentie)? Kom dan op 27 juni 2014 naar de Verdiepingscursus Witwassen.

Programma
  • Uiteenzetting inhoud art. 420bis Sr t/m art. 420quater Sr aan de hand van praktische voorbeelden;
  • Uiteenzetting jurisprudentie omtrent het onbekende gronddelict, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de vervolging en berechting in witwaszaken;
  • Uiteenzetting jurisprudentie omtrent de uitzondering voor enkel voorhanden hebben, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de vervolging en berechting in witwaszaken;
  • Behandeling van een aantal casusposities met betrekking tot de rol van de verdediging in het voorbereidend onderzoek en het formuleren van onderzoekswensen, met aandacht voor de strategie in hoger beroep;
  • Behandeling van een aantal casusposities met betrekking tot het voeren van verweren bij de inhoudelijk behandeling.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Opzetheling

Hoge Raad 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1103

Verdachte is bij arrest van 28 mei 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. verduistering van een personenauto en 2. Opzet- heling van een andere personenauto, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Het hof heeft ten aanzien van verdachte onder feit 2 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 16 januari 2012 tot en met 26 mei 2012 te Rhenen, een personenauto, merk Land Rover heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto, wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaringen voorts overwogen: "Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."

Middel

Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring van feit 2 genoemde auto (Land Rover) een door misdrijf verkregen goed betrof omdat "uit het enkele feit dat rekwirant in het bezit was van de auto niet volgt dat rekwirant wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof".

Beoordeling Hoge Raad

Uit de vaststelling dat de verdachte "zijn" auto, merk Land Rover, voorzien van valse kentekenplaten, bij de dealer achterliet zonder die weer te komen ophalen, heeft het Hof kennelijk afgeleid dat het dermate onwaarschijnlijk is dat de verdachte niet wist dat die auto van misdrijf afkomstig was dat het niet anders kan zijn dan dat hij die wetenschap had. Aldus beschouwd is het oordeel van Hof ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte geen feiten en omstan- digheden naar voren zijn gebracht die aan deze onwaarschijnlijkheid afbreuk zouden kunnen doen.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: anders

In het middel wordt terecht naar voren gebracht dat het hof uit deze be- wijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de auto van het merk Land Rover, type Range Rover omdat uit het enkele feit dat verdachte in het bezit was van deze auto, niet volgt dat hij wist dat deze door misdrijf verkregen was.

Alhoewel de gang van zaken met betrekking tot de verduistering van de BMW doet vermoeden dat verdachte de Land Rover niet rechtmatig heeft verworven, kan noch uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de nadere bewijsoverweging worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat de Land Rover gestolen was. Ik ben daarom van oordeel dat de bewezenverklaring van feit 2 niet voldoende conform de eis van de wet met redenen is omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^