Hoge Raad over 'samenweefsel van verdichtsels'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1366

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 september 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden ter zake van

  • zaak A onder 1: primair een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;
  • zaak A onder 2: oplichting
  • zaak A onder 3: poging tot oplichting
  • zaak B: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Middel

Het eerste middel komt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren:

  • de vertrouwenwekkende aard
  • het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang
  • de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 2 door een samenweefsel van verdichtsels, te weten dat hij bedrieglijk in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto en deze personenauto ter verkoop heeft aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto heeft overhandigd, heeft bewogen tot afgifte van geld kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet uit 's Hofs bewijsvoering worden afgeleid. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie AG Vegter

De bewijsconstructie voor het tweede feit bestaat uit niet meer dan een opsomming van twee bewijsmiddelen en is erg algemeen. Uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een opeenstapeling van leugens, een samenweefsel van verdichtsels.

Dat er is betaald voor een auto blijkt uit bewijsmiddel 2 en het samenweefsel zou moeten volgen uit het eerste bewijsmiddel. Uit dat bewijsmiddel kan blijken dat de auto ter verkoop is aangeboden en dat verdachte een overschrijvingsbewijs en een tenaamstelling van de auto bij zich had. In ieder geval blijkt niet zonder meer uit dit bewijsmiddel dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar en evenmin dat verdachte met het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling meer heeft gedaan dan deze in zijn bezit te hebben. Uit het in bezit hebben van de tenaamstelling heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte die tenaamstellling ook heeft overhandigd. De omstandigheid dat bij het verzoek om vrijwaring blijkt dat het kenteken niet recent is, kan niet aangemerkt worden als een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels. Mij is niet zondermeer duidelijk welke betekenis het Hof aan deze omstandigheid voor het bewijs heeft toegekend. In het bewijsmiddel is namelijk ook nog opgenomen dat aangever wordt meegedeeld dat een nieuw kenteken net die dag op de post zou gaan. Dat het kentekenbewijs, zoals uit het bewijsmiddel blijkt, anders dan was afgesproken niet door verdachte aan aangever is verstrekt, kan ook niet als een verdichtsel worden aangemerkt. De gang van zaken rond het kenteken is door de steller van de tenlastelegging dan ook terecht niet tot een zelfstandig onderdeel van de tenlastelegging gemaakt en komt daarom evenmin in de bewezenverklaring voor. Intussen is mij evenmin duidelijk of en op welke wijze deze gang van zaken het samenweefsel kleur zou kunnen geven.

Als al zou worden aangenomen dat in de bewijsmiddelen besloten ligt dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar dan geldt nog het volgende. Het ter verkoop aanbieden van een auto terwijl je de rechtmatige eigenaar niet bent is hooguit een enkele leugen. Het in bezit hebben en overhandigen van een tenaamstelling is geen (zelfstandig) verdichtsel, maar hooguit een versterking van de leugen dat verdachte als rechtmatige eigenaar de auto ter verkoop aanbood. Van een openstapeling van leugens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer.

Uit de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 kan evenmin worden afgeleid dat de mededelingen van verdachte mede gelet op de context in het bijzonder vertrouwenwekkend of indringend waren. Niet blijkt dat de mededelingen bepaald uitvoerig waren of dat ze veel werden herhaald. Evenmin blijkt van allerlei smoezen. Er blijkt niet meer en niet minder dan van een niet erg opvallend en doorgaans gebruikelijk patroon. Was de koopprijs die aanzienlijk lager (bijna de helft) ligt dan hetgeen minder dan twee weken tevoren moest worden betaald niet zodanig is dat er aanleiding had moeten zijn om een mogelijke onwaarheid te onderkennen? Zonder nadere (ontbrekende) motivering op dit punt acht ik het oordeel van het Hof evenmin zonder meer begrijpelijk. Kortom, het samenweefsel van verdichtsels ligt niet zonder meer besloten in de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De slotsom is dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

Is verdedigbaar dat verdachte geen belang heeft bij cassatie omdat de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die in het kader van dat feit zijn gebezigd worden aangemerkt als een nadere motivering van het samenweefsel van verdichtsels? De bewezenverklaring en de voor het eerste feit opgenomen bewijsmiddelen bieden geen steun voor de conclusie dat er in het kader van feit 2 van een samenweefsel van verdichtsels sprake was, omdat ze compliceren, althans contra-indicaties bevatten. Als feit 1 is immers onder meer bewezenverklaard dat verdachte de auto heeft gekocht. Gelet daarop zou een nadere toelichting zijn vereist ten aanzien van de bij feit 2 bewezenverklaarde passage inhoudende dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als rechtmatig eigenaar. Waarom kan degene die op 11 juni 2011 een auto koopt die auto op 21 juni 2011 niet te koop aanbieden of verkopen, ook al is koopprijs nog niet betaald? In het handelsverkeer is een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Anders gezegd: ook hier geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat verdachte zich in strijd met de waarheid heft voorgedaan als rechtmatige eigenaar. Daar komt nog bij dat de auto zich kennelijk op of kort na 21 juni 2011 ook feitelijk in de machtssfeer van betrokkene 2 bevond, al staat niet zonder meer vast dat de auto aan betrokkene 2 is overgedragen of zelfs geleverd. Het eerste bewijsmiddel bij feit 1 houdt namelijk in dat de verkoper van de auto, aangever betrokkene 1, de auto op 23 juni 2011 in de showroom van betrokkene 2 heeft zien staan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF