Ontoereikende motivering van het oordeel dat geen overdracht van economische eigendom van de aandelen heeft plaatsgevonden

Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1239

Verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV, heeft blijkens door hem opgestelde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 30 maart 2002, op die datum effecten die hij privé in eigendom had, (economisch) overgedragen aan [A] BV. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij deze effecten niet daadwerkelijk heeft overgedragen, maar wel de verliezen die hij hierop heeft geleden in de jaren 2002, 2003 en 2004 ten laste heeft laten komen van de BV waardoor er in de periode 2003 tot en met 2005 onjuiste of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting werden gedaan, ertoe strekkende dat te weinig belasting zou worden geheven.

Verdachte is bij arrest van 25 januari 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Mr. G.J.M.E. de Bont en Mr. Sitsen, advocaten te Amsterdam, hebben namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat er in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van aandelen aan de BV heeft plaatsgevonden en dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er weldegelijk sprake is geweest van een reële economische eigendomsoverdracht waarbij alle resultaten van de overgedragen effectenportefeuille voor rekening en risico van de BV zijn gekomen, waardoor er geen sprake is geweest van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overweging heeft het Hof zijn oordeel dat "in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van de aandelen heeft plaats- gevonden", als gevolg waarvan de vennootschap [A] B.V. over de jaren 2002, 2003 en 2004 onjuist en/of onvolledig aangifte heeft gedaan voor de vennootschapsbelasting, naar de kern genomen gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  1. de desbetreffende aandelen werden ook na 30 maart 2002 niet aangehouden in een door de bank op naam van de vennootschap geadministreerd depot (maar in een depot geadministreerd op naam van de verdachte),
  2. bij akte van 8 april 2004 heeft de verdachte de aandelen verpand aan de bank tot zekerheid voor nakoming van zijn verplichtingen jegens de bank, en
  3. de notulen van de vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 30 maart 2002, houdende het besluit tot de overdracht van de aandelen door de verdachte aan de vennootschap, zijn eerst op een later tijdstip door de verdachte uitgetypt.

Aldus heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu deze omstandigheden niet zonder meer eraan in de weg staan dat, zoals namens de verdachte is aangevoerd, de vennootschap met ingang van 30 maart 2002 de economische eigendom van de aandelen heeft verkregen, terwijl uit hetgeen het Hof in dat verband heeft overwogen niet blijkt in hoeverre het gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat bewijsmiddel 4 onder meer inhoudt: "[e]r is geen overeenkomst tussen [verdachte] en zijn holding betreffende de overdracht van de effecten".

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF