Negeren verjaringsregels toegestaan bij BTW-fraude

Hof van Justitie 8 september 2015 C-105/14 (Taricco e.a.) Verzoekers (zeven personen) worden verdacht van het in de periode 2005 - 2009 oprichten van c.q. deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk van het plegen van misdrijven van bedrieglijke belastingaangifte met behulp van facturen of andere documenten voor niet-bestaande handelingen en van het uitreiken van facturen of andere documenten voor niet-bestaande handelingen (champagneverkoop). Er werd gewerkt met ‘papierfabrieken’ die uitsluitend bedoeld waren om fiscale documenten uit te reiken met het oog op belastingfraude. In het Italiaanse recht geldt dat de termijn voor verjaring van een misdrijf gelijk is aan de maximale duur van de voor dat misdrijf geldende straf, maar hoe dan ook niet korter dan zes jaar, en dat de termijn door stuiting enkel met een kwart wordt verlengd. Hierdoor kunnen (ernstige) strafbare feiten verjaren voordat een definitief vonnis is uitgesproken, zeker voor strafbare feiten zoals in deze zaak, waarvoor een complex, langdurig onderzoek nodig is. Dit kan neerkomen op straffeloosheid, waardoor een concurrentievoordeel ontstaat tegenover buiten Italie gevestigde ondernemers.

De verwijzendeItaliaanse rechter heeft een vergelijkend onderzoek gedaan onder verjaringssystemen van andere EULS (uitgezonderd GRI en CYP) en is tot de conclusie gekomen dat in geen enkele andere LS het verjaringssysteem zo gunstig is als in Italie. De rechtsfiguur van de verjaring, die ertoe zou moeten dienen dat een verdachte niet langer wordt lastig gevallen dan noodzakelijk is voor vaststelling van strafbare feiten, is in hetItaliaanse recht verworden tot een middel om straffeloosheid te garanderen.

Prejudiciële vragen

Hij vraagt zich dan ook af of deze verjaringsregeling van strafbare feiten verenigbaar is met het recht van de Unie, en legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:

  • a) Is inbreuk gemaakt op het voorschrift ter bescherming van de mededinging van artikel 101 VWEU door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat strafbare feiten ondanks tijdige vervolging kunnen verjaren en daders ongestraft blijven?
  • b) Heeft de Italiaanse Staat een door artikel 107 VWEU verboden vorm van steun ingevoerd door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat strafbare feiten gepleegd door onscrupuleuze ondernemers zonder strafrechtelijke gevolgen blijven?
  • c) Heeft de Italiaanse Staat onrechtmatig een vrijstelling toegevoegd aan de vrijstellingen die door artikel 158 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 uitputtend zijn opgesomd door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat zij die de gemeenschapsrichtlijn te eigen bate aanwenden, ongestraft blijven?
  • d) Is het beginsel van gezonde overheidsfinanciën van artikel 119 VWEU geschonden door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, en door aldus af te zien van het bestraffen van gedragingen die de Staat de middelen ontnemen die noodzakelijk zijn om onder meer zijn verplichtingen jegens de Europese Unie na te komen?

Beoordeling Hof van Justitie

Eerste, tweede en vierde vraag

Met zijn eerste, tweede en vierde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verjaringsregeling voor strafbare feiten ter zake van de btw, als die welke is vervat in de betrokken nationale bepalingen zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, kan worden getoetst aan de artikelen 101 VWEU, 107 VWEU en 119 VWEU.

Wat – ten eerste – artikel 101 VWEU betreft, verbiedt deze bepaling alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft een mogelijk gebrekkige handhaving van de nationale strafbepalingen op het gebied van de btw niet noodzakelijkerwijs invloed op eventuele heimelijke afspraken tussen ondernemingen, die strijdig zijn met artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU.

Wat – ten tweede – het in artikel 107 VWEU neergelegde verbod van staatssteun betreft, zij eraan herinnerd dat een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een gunstige fiscale behandeling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is aan te merken (zie met name arrest P, C‑6/12, EU:C:2013:525, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Hoewel de betrokken ondernemingen eventueel een financieel voordeel in de wacht kunnen slepen doordat de sancties waarin is voorzien op het gebied van de btw, niet doeltreffend en/of niet afschrikkend zijn, kan artikel 107 VWEU in casu evenwel geen toepassing vinden, aangezien alle verrichtingen aan de btw-regeling zijn onderworpen en op elk btw-delict een strafsanctie staat, afgezien van de bijzondere gevallen waarin door de verjaringsregeling bepaalde strafbare feiten geen strafrechtelijke gevolgen hebben.

Wat – ten derde – artikel 119 VWEU betreft, vermeldt deze bepaling in lid 3 als een van de grondbeginselen die de lidstaten moeten naleven bij de invoering van een economisch en monetair beleid, het beginsel dat de lidstaten erop moeten toezien dat hun overheidsfinanciën gezond blijven.

De vraag of de betrokken nationale bepalingen die kunnen leiden tot straffeloosheid voor bepaalde btw-delicten, in overeenstemming zijn met dat beginsel van gezonde overheidsfinanciën, valt echter niet binnen het bestek van artikel 119 VWEU aangezien deze vraag zeer indirect verband houdt met deze verplichting van de lidstaten.

Derhalve dient op de eerste, tweede en vierde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat een verjaringsregeling voor strafbare feiten ter zake van de btw, als die welke is vervat in de betrokken nationale bepalingen zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, niet kan worden getoetst aan de artikelen 101 VWEU, 107 VWEU en 119 VWEU.

Derde vraag

Met zijn derde vraag, die in de eerste plaats dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nationale regeling inzake de verjaring van strafbare feiten als die welke is vervat in de betrokken nationale bepalingen, volgens welke op de datum van de feiten in het hoofdgeding de stuitingshandeling in een strafvervolging voor strafbare feiten ter zake van de btw tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn met slechts een kwart van de oorspronkelijke duur wordt verlengd, zodat de vervolgden feitelijke straffeloosheid kunnen genieten, erop neer komt dat een geval van btw-vrijstelling wordt ingevoerd waarin niet is voorzien in artikel 158 van richtlijn 2006/112. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, wenst de verwijzende rechter voorts te vernemen of hij deze bepalingen buiten toepassing mag laten.

Verenigbaarheid van een nationale regeling als die welke in de betrokken nationale bepalingen is vervat, met het Unierecht

Vooraf zij opgemerkt dat hoewel in de derde vraag wordt verwezen naar artikel 158 van richtlijn 2006/112, uit de motivering van de verwijzingsbeslissing duidelijk blijkt dat de verwijzende rechter met deze vraag in wezen wenst te vernemen of een nationale regeling als die welke is vervat in de betrokken bepalingen, erop neerkomt dat de daadwerkelijke bestrijding van btw-fraude in de betrokken lidstaat wordt gedwarsboomd op een wijze die niet te verzoenen is met de btw-richtlijn en meer in het algemeen met het Unierecht.

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat op het gebied van de btw uit richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, voortvloeit dat de lidstaten niet alleen de algemene plicht hebben, alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun grondgebied volledig wordt geïnd, maar ook fraude moeten bestrijden (zie in die zin arrest Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325 VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden met afschrikkende en doeltreffende maatregelen en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (zie arrest Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het Hof heeft in dit verband benadrukt dat, aangezien ingevolge artikel 2, lid 1, onder b), van besluit 2007/436 de eigen middelen van de Unie met name de ontvangsten omvatten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie, er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie, aangezien elk mankement in de inning van de btw-ontvangsten potentieel tot verlaging van de btw-middelen van de Unie leidt (zie arrest Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 26).

Weliswaar zijn de lidstaten, om te garanderen dat alle btw-ontvangsten worden geïnd en om daardoor de financiële belangen van de Unie te beschermen overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2006/112 en artikel 325 VWEU, vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, zodat het kan gaan om bestuurlijke sancties, strafrechtelijke sancties of een combinatie van beide (zie in die zin arrest Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Niettemin kunnen strafsancties absoluut noodzakelijk zijn om bepaalde gevallen van ernstige btw-fraude daadwerkelijk en op afschrikkende wijze te bestrijden.

Bovendien moeten de lidstaten op grond van artikel 2, lid 1, van de PIF-overeenkomst de nodige maatregelen nemen om op frauduleuze gedragingen die de financiële belangen van de Unie schaden, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafsancties te stellen, met inbegrip, ten minste bij ernstige fraude, van vrijheidsstraffen.

Het begrip „fraude” is in artikel 1 van de PIF-overeenkomst gedefinieerd als „elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij [...] valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de [Unie] of van de door of voor de [Unie] beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd”. Dit begrip omvat bijgevolg de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie. Deze conclusie kan niet worden ontkracht door het feit dat de btw niet rechtstreeks voor rekening van de Unie wordt geïnd, aangezien in artikel 1 van de PIF-overeenkomst juist niet een dergelijke voorwaarde wordt gesteld die strijdig zou zijn met het doel van deze overeenkomst om zo draadkrachtig mogelijk de strijd aan te binden tegen fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de nationale regeling strafsancties stelt op de strafbare feiten waarvoor in het hoofdgeding een strafvervolging is ingesteld, namelijk de oprichting van een vereniging met het oogmerk btw-delicten en aldus voor miljoenen euro fraude te plegen. Vaststaat dat dergelijke delicten gevallen van ernstige fraude vormen waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Uit het geheel van overwegingen in de punten 37 en 39 tot en met 41 van dit arrest blijkt dat de lidstaten erop moeten toezien dat op dergelijke gevallen van ernstige fraude strafsancties staan die met name doeltreffend en afschrikkend zijn. De maatregelen die daartoe worden genomen, moeten overigens dezelfde zijn als de maatregelen die de lidstaten nemen ter bestrijding van de gevallen van fraude van dezelfde ernst die hun eigen financiële belangen schaden.

Het is dus de taak van de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden, na te gaan of de toepasselijke nationale bepalingen een daadwerkelijke en afschrikkende bestraffing mogelijk maken van gevallen van ernstige fraude die de financiële belangen van de Unie schaden.

Dienaangaande zij gepreciseerd dat de verwijzende rechter noch de belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, twijfel hebben geuit bij de afschrikkende werking, in se, van de door deze rechter aangegeven strafsancties, te weten een gevangenisstraf van maximum zeven jaar, en evenmin bij de verenigbaarheid, met het Unierecht, van het feit dat naar Italiaans strafrecht een verjaringstermijn geldt voor feiten die fraude uitmaken waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de betrokken nationale bepalingen, door in geval van stuiting van de verjaring wegens een van de in artikel 160 van het Strafwetboek vermelde gronden een regel in te voeren volgens welke de verjaringstermijn in geen geval met meer dan een kwart van de oorspronkelijke duur kan worden verlengd, evenwel tot gevolg hebben, gelet op de complexiteit en de lange duur van de strafprocedures die tot een definitief vonnis leiden, dat het tijdseffect van een grond voor stuiting van de verjaring ongedaan wordt gemaakt.

Ingeval de nationale rechter tot de slotsom komt dat de toepassing van de nationale bepalingen inzake de stuiting van de verjaring tot gevolg heeft dat feiten die ernstige fraude uitmaken, in een groot aantal gevallen niet strafrechtelijk worden bestraft doordat deze feiten doorgaans verjaren alvorens bij een definitieve rechterlijke uitspraak de bij de wet gestelde strafsanctie kan worden opgelegd, dan dient te worden vastgesteld dat de maatregelen die naar nationaal recht zijn genomen ter bestrijding van fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, niet kunnen worden beschouwd als doeltreffende en afschrikkende maatregelen, hetgeen onverenigbaar is met artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 2, lid 1, van de PIF-overeenkomst en richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU.

Bovendien is het de taak van de nationale rechter om na te gaan of de betrokken nationale bepalingen op gevallen van btw-fraude op dezelfde manier van toepassing zijn als op fraudegevallen waardoor alleen de financiële belangen van de Italiaanse Republiek worden geschaad, zoals is vereist in artikel 325, lid 2, VWEU. Dat is niet het geval met name wanneer artikel 161, tweede alinea, van het Strafwetboek langere verjaringstermijnen stelt voor soortgelijke feiten van vergelijkbare ernst waardoor de financiële belangen van de Italiaanse Republiek worden geschaad. Zoals de Europese Commissie ter terechtzitting voor het Hof heeft opgemerkt, geldt naar Italiaans recht, onder voorbehoud van een door de nationale rechter te verrichten verificatie, met name geen absolute verjaringstermijn voor strafbare feiten betreffende de vereniging met het oogmerk delicten ter zake van accijns en tabakswaren te plegen.

Gevolgen van een eventuele onverenigbaarheid van de betrokken nationale bepalingen met het Unierecht en rol van de nationale rechter

Ingeval de nationale rechter tot de slotsom komt dat de betrokken nationale bepalingen niet voldoen aan het Unierechtelijke vereiste dat maatregelen ter bestrijding van btw-fraude doeltreffend en afschrikkend zijn, staat het aan hem om de volle werking van het Unierecht te waarborgen door, indien nodig, deze bepalingen buiten toepassing te laten en aldus het in punt 46 van dit arrest omschreven gevolg ongedaan te maken, zonder dat hij hoeft te verzoeken of af te wachten dat deze bepalingen eerst door de wetgever of door enige andere constitutionele procedure worden ingetrokken (zie in die zin arresten Berlusconi e.a., C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, EU:C:2005:270, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Kücükdeveci, C‑555/07, EU:C:2010:21, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Dienaangaande zij benadrukt dat de verplichting voor de lidstaten om onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden met afschrikkende en doeltreffende maatregelen alsook hun verplichting om ter bestrijding van fraude waardoor deze belangen worden geschaad, dezelfde maatregelen te treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad, verplichtingen zijn die zijn opgelegd door, met name, het primaire Unierecht, te weten artikel 325, leden 1 en 2, VWEU.

Deze bepalingen van primair Unierecht leggen de lidstaten een nauwkeurige resultaatverplichting op waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte, in het vorige punt in herinnering gebrachte regel.

De bepalingen van artikel 325, leden 1 en 2, VWEU hebben derhalve krachtens het beginsel van de voorrang van het recht van de Unie in hun verhouding tot het nationale recht van de lidstaten tot gevolg dat zij door het loutere feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden (zie in die zin met name arrest ANAFE, C‑606/10, EU:C:2012:348, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Daaraan zij toegevoegd dat mocht de nationale rechter beslissen om de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing te laten, hij tevens erop moet toezien dat de fundamentele rechten van de betrokkenen worden geëerbiedigd. Het is immers mogelijk dat deze betrokkenen sancties worden opgelegd waaraan zij naar alle waarschijnlijkheid zouden zijn ontsnapt indien deze nationale rechtsbepalingen wel waren toegepast.

In dit verband hebben verschillende belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, verwezen naar artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarin het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen zijn vastgelegd; volgens deze beginselen mag niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten.

Onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter zou niet-toepassing van de betrokken nationale bepalingen evenwel enkel tot gevolg hebben dat de algemene verjaringstermijn in een hangende strafprocedure niet wordt verkort, daadwerkelijke vervolging voor de ten laste gelegde feiten mogelijk wordt gemaakt en, in voorkomend geval, de gelijke behandeling van de sancties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie respectievelijk van de Italiaanse Republiek wordt verzekerd. Niet-toepassing van het nationale recht zou aldus de rechten van de verdachten, zoals gewaarborgd door artikel 49 van het Handvest, niet schenden.

Daaruit zou immers noch een veroordeling van de verdachten wegens een handelen of nalaten dat ten tijde van dat handelen of nalaten geen strafbaar feit vormde waarop naar nationaal recht een strafsanctie stond (zie naar analogie arrest Niselli, C‑457/02, EU:C:2004:707, punt 30) volgen, noch toepassing van een sanctie waarin op datzelfde tijdstip naar nationaal recht niet was voorzien. Integendeel, de in het hoofdgeding aan de verdachten ten laste gelegde feiten vormden op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd, hetzelfde delict en op die feiten stonden dezelfde strafsancties als die welke thans gelden.

Deze conclusie vindt steun in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens betreffende artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, waarin rechten zijn vastgelegd die overeenkomen met de door artikel 49 van het Handvest gewaarborgde rechten. Volgens deze rechtspraak leiden de verlenging van de verjaringstermijn en de onmiddellijke toepassing ervan immers niet tot een aantasting van de bij artikel 7 van dit verdrag gewaarborgde rechten, aangezien deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd dat zij aan een verlenging van de verjaringstermijnen in de weg staat wanneer de ten laste gelegde feiten nooit zijn verjaard [zie in die zin, EHRM, Coëme e.a./België, nrs. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 en 33210/96, § 149, EHRM 2000-VII; Scoppola/Italië (nr. 2), nr. 10249/03, § 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak, 17 september 2009, en OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos/Rusland, nr. 14902/04, §§ 563, 564 en 570 en aldaar aangehaalde rechtspraak, 20 september 2011].

Gelet op voorgaande overwegingen dient op de derde vraag te worden geantwoord dat een nationale regeling inzake de verjaring van strafbare feiten als die welke is vervat in de betrokken nationale bepalingen, volgens welke op de datum van de feiten in het hoofdgeding de stuitingshandeling in een strafvervolging voor ernstige strafbare feiten ter zake van de btw tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn met slechts een kwart van de oorspronkelijke duur wordt verlengd, afbreuk kan doen aan de door artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aan de lidstaten opgelegde verplichtingen, ingeval deze nationale regeling belet dat doeltreffende en afschrikkende sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, verjaringstermijnen stelt die langer zijn dan voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan. Het is de taak van de nationale rechter om volle werking te geven aan artikel 325, leden 1 en 2, VWEU door, indien nodig, de bepalingen van nationaal recht die ertoe leiden dat de betrokken lidstaat wordt verhinderd de krachtens artikel 325, leden 1 en 2, VWEU op hem rustende verplichtingen na te komen, buiten toepassing te laten.

Conclusie

  • Een nationale regeling inzake de verjaring van strafbare feiten als die welke is vervat in artikel 160, laatste alinea, van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij wet nr. 251 van 5 december 2005, gelezen in samenhang met artikel 161 van dat wetboek, volgens welke op de datum van de feiten in het hoofdgeding de stuitingshandeling in een strafvervolging voor ernstige strafbare feiten ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn met slechts een kwart van de oorspronkelijke duur wordt verlengd, kan afbreuk doen aan de door artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aan de lidstaten opgelegde verplichtingen, ingeval deze nationale regeling belet dat doeltreffende en afschrikkende sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, of voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, verjaringstermijnen stelt die langer zijn dan voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan. Het is de taak van de nationale rechter om volle werking te geven aan artikel 325, leden 1 en 2, VWEU door, indien nodig, de bepalingen van nationaal recht die ertoe leiden dat de betrokken lidstaat wordt verhinderd de krachtens artikel 325, leden 1 en 2, VWEU op hem rustende verplichtingen na te komen, buiten toepassing te laten.
  • Een verjaringsregeling voor strafbare feiten ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde, als die welke is vervat in artikel 160, laatste alinea, van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij wet nr. 251 van 5 december 2005, gelezen in samenhang met artikel 161 van dat wetboek, kan niet worden getoetst aan de artikelen 101 VWEU, 107 VWEU en 119 VWEU.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op Dinsdag 1 december 2015 naar het seminar Btw-carrouselfraude: Ins & Outs.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

'Prejudiciële vragen aan het HvJ EU: liever geen pottenkijkers?'

In het Strafblad juli is een artikel gepubliceerd van Han Jahae en Thom Dieben getiteld “Prejudiciële vragen aan het HvJ EU: liever geen pottenkijkers?”. Dit artikel beoogt aan de hand van enkele frequently asked questions praktische handvatten aan te reiken voor de Nederlandse strafrechter die overweegt prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU of zich geconfronteerd ziet met een verzoek daartoe van het OM of de verdachte. Lees hier het volledige artikel.

 

Thom Dieben verzorgt op 30 oktober 2015 voor BijzonderStrafrecht.nl Academie de cursus Procederen in Straatsburg.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

HvJ EU rekt grenzen EU jurisdictie buiten grondgebied EU op

In an interesting judgment, the CJEU has ruled that Regulation 1/2005 on the protection of animals during transport applies outside of EU borders to transport taking place in third states, if that transport began on EU territory. This is a novel ruling that is expected to have important positive impacts on animal welfare. However, it can also be seen as an example of the CJEU’s tendency in recent years to read the EU’s jurisdiction expansively, stretching traditional international law notions of ‘territorial jurisdiction’ to permit the regulation of conduct taking place in third states. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Rapportage Internationale Mensenrechtenprocedures

In deze publicatie zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen uit het verslagjaar, 2014, in zaken waarbij Nederland betrokken is geweest, ongeacht de instantie waarvoor werd geprocedeerd. Daarbij is tevens gebruikelijk informatie opgenomen die in het verlengde ligt van, of van direct belang is voor de procedures, alsmede overzichten en statistieken. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Hof van Justitie over weigering aftrek btw bij fraude

Hof van Justitie 18 december 2014, C-131/13, C-163/13 en C-164/13 (Schoenimport “Italmoda” Mariano Previti ea)

Samenvatting

De Zesde richtlijn btw-richtlijn moet zo worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.

De Zesde richtlijn btw-richtlijn moet zo worden uitgelegd dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over toegevoegde waarde wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.

Zaak C‑131/13 (Italmoda)

Italmoda, een vennootschap naar Nederlands recht, is actief in de schoenhandel. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (1999 en 2000) heeft zij ook gehandeld in computerartikelen. Deze goederen, die Italmoda had gekocht in Nederland en in Duitsland, zijn verkocht en geleverd aan belastingplichtige afnemers in Italië. De goederen uit Duitsland waren door Italmoda gekocht onder haar Nederlandse btw-identificatienummer; het betreft een verwerving waarover belasting wordt geheven in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend in de zin van artikel 28 ter, A, lid 2, van de Zesde richtlijn. De goederen zijn echter rechtstreeks vanuit Duitsland naar Italië vervoerd.

Italmoda heeft voor de in Nederland verworven goederen alle nodige aangiften gedaan en in haar btw-aangiften de voorbelasting afgetrokken. Voor de uit Duitsland afkomstige goederen is echter noch aangifte gedaan van de intracommunautaire levering in deze lidstaat, noch van de intracommunautaire verwerving in Nederland, ofschoon deze handeling was vrijgesteld in Duitsland. De afnemers in Italië hebben geen enkele van deze intracommunautaire verwervingen aangegeven en geen btw betaald. De Italiaanse belastingdienst heeft deze afnemers recht op aftrek geweigerd en de verschuldigde btw nageheven.

De Nederlandse belastingdienst stelde zich op het standpunt dat Italmoda bewust betrokken was bij fraude die erop was gericht om in Italië btw te ontduiken, en heeft Italmoda derhalve de toepassing geweigerd van het recht op vrijstelling voor de intracommunautaire leveringen die voor die lidstaat waren bestemd, van het recht op aftrek van voorbelasting, alsmede van het recht op teruggaaf van de btw die was betaald voor de goederen uit Duitsland. De belastingdienst heeft Italmoda derhalve drie naheffingsaanslagen opgelegd.

Het beroep van Italmoda tegen deze naheffingsaanslagen werd in eerste aanleg gegrond verklaard door de Rechtbank te Haarlem, die de belastingdienst heeft opgedragen opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, dat in zijn uitspraak van 12 mei 2011 de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem en de naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Volgens deze rechter waren een afwijking van de normale regeling van btw-heffing en de weigering de vrijstelling of het recht op aftrek van de btw toe te passen in dit geval niet gerechtvaardigd. Daarbij heeft het Gerechtshof te Amsterdam inzonderheid in aanmerking genomen dat de fraude niet in Nederland, maar in Italië had plaatsgevonden en dat Italmoda in Nederland aan alle formele voorwaarden had voldaan die de nationale wettelijke bepalingen aan de vrijstelling verbinden.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze rechter merkt inzonderheid op dat gedurende het relevante tijdvak naar Nederlands recht niet als voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling of voor het recht op aftrek gold dat de belastingplichtige niet bewust was betrokken bij ontduiking van btw of btw-fraude. De vraag rijst dus of bewuste betrokkenheid bij btw-fraude in de weg staat aan het recht op teruggaaf van de btw, hoewel een nationale wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.

Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie de toepassing te weigeren van de vrijstelling ter zake van een intracommunautaire levering, van een recht op aftrek van btw ter zake van de aankoop van goederen die na de aankoop naar een andere lidstaat zijn verzonden, dan wel de uit de toepassing van artikel 28 ter, A, lid 2, tweede volzin, van de Zesde richtlijn voortvloeiende teruggaaf van btw, wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden de vrijstelling, de aftrek of de teruggaaf te weigeren?
  2. Dient, indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, de hiervoor bedoelde vrijstelling, aftrek of teruggaaf ook geweigerd te worden indien de ontduiking van de btw zich in een andere lidstaat (dan de lidstaat van verzending van de goederen) heeft voorgedaan en de belastingplichtige zich van die btw-fraude bewust was, of had moeten zijn, terwijl die belastingplichtige in de lidstaat van verzending aan alle (formele) voorwaarden heeft voldaan die de nationale wettelijke bepalingen verbinden aan de vrijstelling, de aftrek of de teruggaaf en hij de belastingdienst in die lidstaat steeds van alle benodigde gegevens heeft voorzien met betrekking tot de goederen, de verzending en de afnemers in de lidstaat van aankomst van de goederen?
  3. Wat moet, indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, in artikel 28 ter, A, lid 2, (slot van) eerste volzin, van de Zesde richtlijn worden verstaan onder ,geheven’: het op de wettelijk voorgeschreven btw-aangifte verantwoorden van de ter zake van de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst verschuldigde btw, of ook het – bij gebreke van een dergelijke verantwoording – door de belastingautoriteiten van de lidstaat van aankomst nemen van maatregelen om dit te regulariseren? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang of de desbetreffende transactie deel uitmaakt van een keten van handelingen die is gericht op btw-fraude in het land van aankomst en de belastingplichtige zich daarvan bewust was of had moeten zijn?”

Zaak C‑163/13 (Turbu.com)

Turbu.com, een vennootschap naar Nederlands recht, drijft een groothandel in computers, telefoons en software.

In het tijdvak van augustus tot december 2001 heeft Turbu.com een aantal intracommunautaire leveringen van mobiele telefoons verricht, onder toepassing van de vrijstelling en onder aftrek van de voorbelasting.

Na een onderzoek van de Fiscale Inlichtingen‑ en Opsporingsdienst heeft de Nederlandse belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat Turbu.com ten onrechte heeft gemeend dat deze leveringen waren vrijgesteld en heeft hij deze vennootschap een naheffingsaanslag opgelegd. Voorts is ten aanzien van de directeur van Turbu.com strafrechtelijke vervolging ingesteld wegens btw-fraude, welke in 2005 is uitgelopen op een veroordeling van de directeur wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte en het onjuist of onvolledig doen van een belastingaangifte.

De aan Turbu.com opgelegde naheffingsaanslag is bevestigd in de beroepen die door deze vennootschap zijn ingesteld, in eerste aanleg door de Rechtbank te Breda en vervolgens in hoger beroep door het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch in een arrest van 25 februari 2011. In dat arrest heeft het Gerechtshof geoordeeld dat aannemelijk is dat bij de betrokken leveringen in werkelijkheid geen sprake was van intracommunautaire leveringen en dat Turbu.com willens en wetens betrokken is geweest bij btw-fraude.

Turbu.com heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Deze rechterlijke instantie zet onder meer uiteen dat vragen van uitlegging van Unierecht rijzen indien na verwijzing naar het Gerechtshof komt vast te staan dat de bedoelde leveringen deel uitmaakten van een keten van handelingen die was gericht op btw-fraude en dat Turbu.com zich daarvan bewust was of had moeten zijn. De Hoge Raad vraagt zich met name af of het recht op vrijstelling van btw moet worden geweigerd in geval van btw-fraude, ook indien het nationale recht daarvoor geen rechtsgrondslag biedt.

Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie de toepassing te weigeren van de btw-vrijstelling ter zake van een intracommunautaire levering wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden de vrijstelling te weigeren?”

Zaak C‑164/13 (TMP)

TMP, een vennootschap naar Nederlands recht, handelt in mobiele telefoons.

In juli 2003 heeft zij intracommunautaire leveringen van mobiele telefoons verricht onder toepassing van de vrijstelling en met verzoek om teruggaaf van de voorbelasting die was betaald voor de verwerving van deze telefoons van in Nederland gevestigde ondernemingen.

De Nederlandse belastingautoriteiten, die in de aangiften van TMP meerdere onregelmatigheden hadden vastgesteld, zowel ter zake van de handelingen in een eerder stadium als ter zake van de genoemde intracommunautaire leveringen, weigerden de teruggaaf. De beschikking houdende weigering van teruggaaf is door de Rechtbank te Breda vernietigd. De uitspraak van deze rechtbank is vervolgens vernietigd bij arrest van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch van 25 februari 2011. In dat arrest heeft het Gerechtshof geoordeeld dat TMP de voorbelasting niet kon aftrekken op grond, zakelijk weergegeven, dat zij wist of had moeten weten dat sprake was van btw-fraude.

TMP heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze rechterlijke instantie zet onder meer uiteen dat vragen van uitlegging van Unierecht rijzen indien na verwijzing naar het Gerechtshof komt vast te staan dat de bedoelde leveringen deel uitmaakten van een keten van handelingen die was gericht op btw-fraude en dat TMP zich daarvan bewust was of had moeten zijn. De Hoge Raad merkt inzonderheid op dat gedurende het relevante tijdvak naar Nederlands recht niet als voorwaarde voor het recht op aftrek gold dat de belastingplichtige niet bewust was betrokken bij ontduiking van btw of btw-fraude.

Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie het recht op aftrek te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden het recht op aftrek te weigeren?”

Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑163/13 en C‑164/13

De Commissie voert aan dat de vragen in de zaken C‑163/13 en C‑164/13 niet-ontvankelijk zijn, omdat zij als hypothetisch moeten worden beschouwd. Wezenlijke feitelijke en juridische gegevens zijn in de hoofdgedingen immers nog niet vast komen te staan.

Het Hof is volgens vaste rechtspraak in beginsel gehouden uitspraak te doen op prejudiciële vragen over de uitlegging van het recht van de Unie, tenzij duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.

Dit nu is het geval bij de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑163/13 en C‑164/13.

In die zaken wordt het Hof verzocht nader aan te geven of en, in voorkomend geval, onder welke omstandigheden de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties gehouden zijn de rechten van vrijstelling en aftrek van de btw in een geval van btw-fraude te weigeren.

Uit de overwegingen van de verwijzingsarresten komt echter naar voren dat de Hoge Raad niet heeft vastgesteld dat bij de handelingen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, sprake is van btw-fraude. Daar de prejudiciële vragen die in deze arresten worden gesteld, uitgaan van het bestaan van een dergelijke fraude, moeten zij met betrekking tot deze hoofdgedingen worden beschouwd als hypothetisch.

De prejudiciële vragen in de zaken C‑163/13 en C‑164/13 moeten dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beantwoording van de prejudiciële vragen in zaak C‑131/13

Eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij in het kader van intracommunautaire leveringen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, het recht op aftrek van de voorbelasting uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn, het recht op vrijstelling neergelegd in artikel 28 quater, A, sub a, van deze richtlijn, en het recht op teruggaaf van de btw uit hoofde van artikel 28 ter, A, lid 2, van deze richtlijn te weigeren indien de nationale wet niet in een dergelijke weigering voorziet.

Ter beantwoording van deze vraag moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en mogelijke misbruiken een doel is dat door de Zesde richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.

In deze context heeft het Hof herhaalde malen onderstreept dat justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kunnen doen.

Het Hof heeft hieruit in vaste rechtspraak over het in de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek van de btw ten eerste afgeleid dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat om dat recht te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik.

Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat deze consequentie van misbruik of fraude in beginsel ook aan het recht op vrijstelling uit hoofde van een intracommunautaire levering kleeft.

Ten derde vormt een eventuele weigering van een recht ontleend aan de Zesde richtlijn de afspiegeling van het eerder in dit arrest genoemde algemene beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog aanspraak kan maken op rechten die voortvloeien uit het rechtsstelsel van de Unie, zodat het in algemene zin aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een dergelijk recht te weigeren, om welk btw-recht het bij de betrokken fraude ook gaat, met inbegrip van het recht op teruggaaf van de btw.

Anders dan de Commissie betoogt, kan deze gevolgtrekking niet worden ontkracht door het gegeven dat laatstgenoemd recht van bijzondere aard is doordat het een correctiemechanisme vormt waarmee de belastingneutraliteit bij bepaalde intracommunautaire leveringen kan worden gewaarborgd.

In dat verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak volgt dat de kernfunctie die het in artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek in het btw-stelsel heeft met het oog op de waarborg van volkomen belastingneutraliteit er niet aan in de weg staat dat dat recht wordt geweigerd aan een belastingplichtige in geval van deelname aan fraude. Evenmin kan de specifieke functie van het recht op teruggaaf van de btw met het oog op de waarborg van de neutraliteit van de btw eraan in de weg staan dat dat recht in een dergelijk geval aan een belastingplichtige wordt geweigerd.

Gelet op de voorgaande overwegingen staat het in beginsel aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om in de Zesde richtlijn neergelegde rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik te weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering, zoals de rechten in het hoofdgeding.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat dit volgens vaste rechtspraak niet alleen geldt wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.

Met betrekking tot de vraag of de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties deze rechten ook moeten weigeren indien specifieke bepalingen in die zin in de nationale rechtsorde ontbreken, moet worden opgemerkt, ten eerste, dat de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft benadrukt dat de Zesde richtlijn zonder lacunes in het Nederlandse recht is omgezet en dat het beginsel van voorkoming van fraude als algemeen rechtsbeginsel van toepassing is op de uitvoering van de nationale bepalingen waarbij die richtlijn is omgezet.

Uit dien hoofde staat het aan de nationale rechter het nationale recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van de betrokken richtlijn uit te leggen teneinde de daarmee beoogde resultaten te bereiken, hetgeen vergt dat hij binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke doet, het gehele interne recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden.

Dientengevolge is het aan de verwijzende rechter vast te stellen of het Nederlandse recht, zoals de Nederlandse regering suggereert, een bepaling of algemeen beginsel kent op grond waarvan rechtsmisbruik is verboden, dan wel andere bepalingen inzake belastingfraude of ‑ontwijking die kunnen worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van het recht van de Unie op het vlak van de bestrijding van belastingfraude.

Mocht, ten tweede, vast komen te staan dat het nationale recht in casu geen regels behelst die in overeenstemming daarmee kunnen worden uitgelegd, dan mag daaruit echter niet worden afgeleid dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties in omstandigheden als in het hoofdgeding belet worden deze vereisten in acht te nemen en het voordeel ontleend aan een in de Zesde richtlijn neergelegd recht in geval van fraude te weigeren.

Zelfs al kan een richtlijn volgens vaste rechtspraak uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen opleggen en kan zij als zodanig niet door een lidstaat tegenover een particulier worden ingeroepen, zoals Italmoda heeft aangevoerd, de weigering van een recht naar aanleiding van fraude, zoals in casu, wordt niet bestreken door de situatie waarop deze rechtspraak ziet.

Integendeel, die weigering strookt met het beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog een beroep kan doen op het Unierecht, daar de Unieregeling niet zo ruim mag worden toegepast dat zij gevallen van misbruik dan wel bedrog dekt.

Voor zover misbruik of fraude geen grondslag kunnen bieden voor een recht dat is neergelegd in de rechtsorde van de Unie, betekent de weigering van een voordeel ontleend aan, in casu, de Zesde richtlijn dus niet dat een verplichting wordt opgelegd aan de betrokken particulier uit hoofde van die richtlijn, maar deze weigering is louter de consequentie van de vaststelling dat in werkelijkheid niet is voldaan aan de objectieve voorwaarden die in deze richtlijn met betrekking tot dat recht zijn neergelegd om het gewenste voordeel te verkrijgen.

Derhalve gaat het er in een dergelijk geval eerder om dat de belastingplichtige geen aanspraak kan maken op een recht dat is neergelegd in de Zesde richtlijn en waarvoor niet is voldaan aan de objectieve criteria voor de verlening ervan vanwege fraude bij de handeling die door de belastingplichtige zelf is verricht of vanwege de frauduleuze aard van een keten van handelingen waaraan hij deelnam als geheel.

In een dergelijk geval is geen uitdrukkelijke autorisatie voor de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties vereist om een voordeel uit hoofde van het gemeenschappelijke btw-stelsel te weigeren, aangezien deze consequentie moet worden gezien als inherent aan het stelsel.

Voorts kan een belastingplichtige die de voorwaarden voor een recht heeft geschapen louter door deel te nemen aan frauduleuze handelingen, anders dan Italmoda heeft gesteld, kennelijk niet op goede gronden een beroep doen op het vertrouwens‑ of rechtszekerheidsbeginsel om zich te verzetten tegen de weigering van toekenning van het betrokken recht.

Aangezien, tot slot, de weigering van een recht dat voortvloeit uit het gemeenschappelijke btw-stelsel in geval van betrokkenheid van de belastingplichtige bij fraude louter de consequentie is van het ontbreken van de daarvoor in de relevante bepalingen van de Zesde richtlijn vereiste voorwaarden, vormt die weigering geen straf of sanctie in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, of van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen.

Tweede vraag

Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheden dat de btw-fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt en dat de betrokken belastingplichtige in die laatste lidstaat aan de formele voorwaarden heeft voldaan die de nationale wet aan deze rechten verbindt, relevant zijn voor de eventuele, in de eerste vraag bedoelde verplichting om deze rechten te weigeren.

Zoals eerder in het arrest al is opgemerkt, wordt in dat verband volgens vaste rechtspraak niet alleen de situatie waarin de belastingplichtige zich rechtstreeks zelf, als eenling, schuldig maakt aan belastingfraude beschouwd als een fraudeleuze handeling die aanleiding kan zijn tot weigering van een recht dat in de Zesde richtlijn is neergelegd, maar ook de situatie waarin een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de verwerving of levering die door hem is verricht, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van dezelfde toeleveringsketen actief was.

Er is geen enkele objectieve reden om aan te nemen dat zulks anders zou zijn door het enkele feit dat de frauduleuze keten van leveringen zich uitstrekt over twee of meer lidstaten of dat de handeling die btw-fraude oplevert, plaats heeft gevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de belastingplichtige die betrokken is bij de frauduleuze verwezenlijking van de betrokken handelingen ongerechtvaardigd aanspraak maakt op een recht dat aan de Zesde richtlijn is ontleend.

Met betrekking tot de weigering van een in de Zesde richtlijn neergelegd recht is het op zich evenmin van belang dat de voorwaarden voor toekenning van dat recht voor de rechtsorde, op zichzelf beschouwd, van de lidstaat die geroepen is te beslissen over die toekenning, vervuld lijken, nu de betrokkenheid bij btw-fraude, zoals zojuist is opgemerkt, kan bestaan in bewuste deelname, of deelname die bewust had moeten zijn, aan een keten van handelingen waarin een andere ondernemer door middel van een latere handeling die plaatsvindt in een andere lidstaat de frauduleuze handeling voltrekt.

Bovendien wordt de btw-fraude die in het hoofdgeding aan de orde is – carrouselfraude in het kader van intracommunautaire leveringen – zoals de Nederlandse regering terecht opmerkt, vaak gekenmerkt doordat de voorwaarden om een btw-recht in te roepen uit oogpunt van een lidstaat op zichzelf beschouwd vervuld lijken. Het is immers juist de specifieke combinatie van handelingen in verschillende lidstaten die maakt dat deze handelingen als geheel genomen fraude opleveren.

Daarnaast zou elke andere uitlegging niet in overeenstemming zijn met het doel van bestrijding van belastingfraude, dat door de Zesde richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.

Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.

Derde vraag

Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft niet te worden geantwoord op de derde vraag, die slechts is gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Mutual trust and transnational ne bis in idem: A further step made by the CJEU

Ne bis in idem is one of the key principles of EU criminal law. On the one hand, it is an important individual safeguard for suspects and convicted persons in the EU, as it protects against double prosecution and double punishment. On the other hand, it is the only mechanism – although imperfect and insufficient – to regulate conflicts of jurisdiction in the Area of Freedom, Security and Justice (AFSJ). A final judgment in one Member State indeed prevents another Member State from (further) prosecuting the same person (again) for the same facts.

Last June the Court of Justice (CJEU) issued an important judgment regarding the scope of the transnational protection against double jeopardy. The decision of the CJEU further expands the concept of ‘final decision’ triggering the ne bis in idem, confirming the validity of the previously consolidated trend which, on the one hand, recognises a strong importance to the mutual trust between Member States, and on the other hand acknowledges the inherent link between ne bis in idemand the freedom of movement in the EU.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

EU-Handvest Grondrechten staat vertrouwelijk rapport toe als bewijsmateriaal

Bewijs in douanezaken op basis van een vertrouwelijk rapport, waarvan noch de belanghebbende noch de nationale rechter alle details mogen inzien, druist volgens het EU-Hof niet in tegen het recht op een eerlijk proces in het Handvest Grondrehten. De nationale rechter moet de relevantie van een dergelijk bewijsmiddel wegen, inclusief tegenbewijs van de belanghebbende, en een effectieve rechtsgang garanderen.

Het gaat om het arrest van 23 oktober 2014, C-437/13 Unitrading.

Een Brits bedrijf voerde een partij verse knoflook de EU in via Nederland, met Pakistan als opgegeven land van herkomst. Er rees echter twijfel over de juistheid van die opgave. De Nederlandse douane liet een monster van de knoflookbollen controleren door een laboratorium in de Verenigde Staten. Daar werd vastgesteld dat de knoflook vrijwel zeker uit China afkomstig was, waardoor hogere invoerrechten zouden moeten worden betaald. Het laboratorium weigerde echter openheid te geven over de precieze vergelijkingsmethode, omdat dit gevoelige informatie zou betreffen. De zaak kwam bij de Hoge Raad, waar de vraag rees of het gebruik van dit vertrouwelijk rapport als bewijsmateriaal in overeenstemming was met Europese grondrechten.

Het Handvest van de Grondrechten van de EU garandeert in artikel 47 het recht op een effectieve rechterlijke toetsing. Hieronder valt ook het recht op hoor en wederhoor, en het recht van een persoon om te weten op welke gronden een besluit tegen hem is gebaseerd. Het douanerecht van de EU is geharmoniseerd in het Communautair Douanewetboek (Verordening 2913/92). Art. 245 van het wetboek laat de uitvoering van de beroepsprocedure tegen een douanebesluit over aan lidstaten.

Het Hof begint met te concluderen dat het recht op hoor en wederhoor en het recht om kennis te nemen van een besluit niet zijn geschonden. De knoflookimporteur heeft immers kennis kunnen nemen van de gronden waarop de beslissing tegen hem is gebaseerd en van alle aan de rechter voorlegde stukken, en heeft daarover dus een standpunt kunnen innemen. In deze omstandigheden kan het vertrouwelijke rapport gewoon worden aangemerkt als een bewijsmiddel. Het Unierecht staat immers alle bewijsmiddelen toe die in soortgelijke nationale procedures mogen worden aangevoerd.

Volgens het Hof is het hierbij niet van belang dat een dergelijk cruciaal bewijsmiddel niet volledig kan worden geverifieerd door de betrokken partij of door de rechter. Immers, redeneert het Hof, de nationale rechter is niet gebonden aan de door de douane verrichte beoordeling, of door de aangedragen bewijsmiddelen. Het staat hem vrij om de relevantie ervan te beoordelen. Ook de betrokken partij kan het bewijs in twijfel trekken of met tegenbewijs komen. Het Europese Douanewetboek laat het aan de lidstaten om procesregels over bewijsmateriaal vast te leggen, zolang deze niet ongunstiger zijn dan procesregels in vergelijkbare nationale procedures.

Wel moet de nationale rechter volgens het Hof alle procedurele middelen aanwenden die hem in het nationaal recht ter beschikking staan, om te garanderen dat de procesrechten van betrokken partijen doeltreffend worden beschermd. Komt hij hierna alsnog tot de conclusie dat de opgegeven oorsprong van de knoflook onjuist is, dan is dit niet strijdig met het Handvest.

Het Hof voegt daaraan nog toe dat de vraag of de douaneautoriteiten moeten ingaan op een verzoek van de belanghebbende om onderzoeken te laten verrichten in een derde land, de vraag naar de relevantie in dit verband van het feit dat nog gedurende een beperkte tijd gedeelten van de monsters van de goederen zijn bewaard, en, zo ja, de vraag of de douaneautoriteiten de belanghebbende daarvan in kennis moeten stellen, moeten worden beantwoord op basis van de nationale procesregels.

Bron: Expertisecentrum Europees recht

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG HvJ EU over Beroepsgeheim van autoriteiten die toezicht uitoefenen op financiële dienstverrichters & recht van investeerders op toegang tot informatie

Conclusie van Advocaat-Generaal N. JÄÄSKINEN van 4 september 2014, zaak C‑140/13 (Altmann e.a.)

Feiten

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen betreffende het beroepsgeheim. Dit verzoek is voorgelegd in het kader van een geding tussen benadeelde investeerders en het Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (Duits federaal bureau voor toezicht op financiële dienstverlening; „BaFin”) inzake een beschikking van het BaFin van 9 oktober 2012 tot weigering van toegang tot bepaalde documenten en informatie betreffende Phoenix Kapitaldienst GmbH Gesellschaft für die Durchführung und Vermittlung von Vermögensanlagen.

Verzoekers Altmann en twaalf anderen vertegenwoordigen een groep van meer dan 500 belanghebbenden. Zij zijn een zaak begonnen tegen het BaFin om erachter te komen op grond van welke documenten deze instelling een besluit heeft genomen over de betrouwbaarheid van Phoenix Kapitaldienst GmbH die sinds juli 2005 in staat van insolventie verkeert nadat door twee leidinggevenden beleggingsfraude en verduistering is gepleegd waarvoor zij inmiddels veroordeeld zijn. Ongeveer 30.000 beleggers dreigen gedupeerd te worden.

In juli 2012 heeft BaFin openheid van zaken gegeven met uitzondering van de gevraagde namen en telefoonnummers van medewerkers van het bedrijf. BaFin stelde oude niet op internet gepubliceerde jaarverslagen beschikbaar, maar niet het door Ernst & Young opgestelde speciale audit. Hij verdedigt dit door vooral te wijzen op de zowel in de Duitse wet op het kredietwezen als de Duitse wet op de effectenhandel genoemde geheimhoudingsverplichting.

Het door verzoekers gemaakte bezwaar tegen die weigering is afgewezen; daarbij bracht BaFin ook de bescherming van de intellectuele eigendom in stelling.

Verzoekers zijn in beroep gegaan omdat zij van mening zijn dat het in liquidatie verkerende Phoenix geen beschermenswaardig belang heeft voor geheimhouding van de gegevens die BaFin in bezit heeft.

Verwijzing

De verwijzende Duitse rechter haalt vaste Duitse rechtspraak aan over inachtneming van strikte geheimhoudingsverplichtingen ten aanzien van ambtelijke informatie (zoals in casu aan de orde). Om te beoordelen of sprake is van noodzakelijke geheimhouding is er een ‘in camera-procedure’, een niet-openbare zitting waarin alles om die vraag draait. Hij meent dat de DUI rechtspraak echter voor wat de geheimhoudingsverplichtingen betreft onverenigbaar is met EU-richtlijnen, en stelt twee vragen aan het HvJEU:

  1. Is het verenigbaar met het Unierecht dat dwingende geheimhoudingsverplichtingen voor de nationale autoriteiten die toezicht uitoefenen op financiële dienstverrichters, welke verplichtingen hun grondslag vinden in handelingen van Unierecht (in casu: de richtlijnen 2004/109/EG, 2006/48/EG en 2009/65/EG) en die zijn omgezet in het nationale recht – in de Bondsrepubliek Duitsland bij § 9 Kreditwesengesetz en § 8 Wertpapierhandelsgesetz – kunnen worden doorbroken door de toepassing en uitlegging van een nationaal procesrechtelijk voorschrift als § 99 Verwaltungsgerichtordnung?
  2. Kan een toezichthoudende autoriteit als de Bundesanstalt für Finanzdienstleistungs-aufsicht, ingeval zij krachtens het Informationsfreiheitsgesetz wordt verzocht om inzage te geven in informatie over een bepaalde financiële dienstverrichter, zich ook dan nog beroepen op de onder andere krachtens het Unierecht voor haar geldende geheimhoudingsverplichtingen, zoals nader uitgewerkt in § 9 Kreditwesengesetz en § 8 Wertpapierhandelsgesetz, wanneer het bedrijfsmodel van de betrokken onderneming die financiële diensten heeft aangeboden – die ondertussen evenwel wegens insolventie is ontbonden en zich in staat van vereffening bevindt – in wezen bestond in grootschalige beleggingsfraude en de bewuste benadeling van beleggers en de leidinggevenden van de onderneming bij gewijsde tot meerjarige gevangenisstraffen zijn veroordeeld?

Vraag

In de uitoefening van hun functie op grond van de verschillende richtlijnen ontvangen de autoriteiten die toezicht houden op de financiële sector een verscheidenheid aan informatie van de onder toezicht staande instellingen. In casu rijst de vraag of investeerders recht hebben op toegang tot deze informatie wanneer een frauduleuze beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd. Bovendien moet worden uitgelegd onder welke omstandigheden „vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar [mogen] worden gemaakt indien dat nodig is voor de afwikkeling van de procedure”.

Oordeel AG

Een bevoegde toezichthoudende autoriteit kan zich ten aanzien van een persoon die verzoekt om toegang tot informatie over een bepaalde beleggingsonderneming die intussen wegens insolventie is ontbonden en zich in staat van vereffening bevindt, beroepen op de krachtens het Unierecht op haar rustende geheimhoudingsverplichtingen, met name op het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 54, lid 1, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad, van 21 april 2004, betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, niettegenstaande het feit dat het bedrijfsmodel van die onderneming bestond in grootschalige fraude en de bewuste benadeling van beleggers en dat meerdere leidinggevenden van die onderneming bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis tot meerjarige gevangenisstraffen zijn veroordeeld.

Wanneer een beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, kunnen vertrouwelijke gegevens, voor zover deze geen betrekking hebben op derden, hoe dan ook krachtens artikel 54, lid 2, van richtlijn 2004/39 slechts openbaar worden gemaakt in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures, indien dat nodig is voor de afwikkeling van de lopende procedure. Deze vertrouwelijke gegevens kunnen niet openbaar worden gemaakt ter onderbouwing van een later, op zichzelf staand beroep dat niet wordt ingesteld in het kader van een lopende civiele of handelsrechtelijke procedure.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^

Invordering van douaneschuld & Beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging

Hof van Justitie 3 juli 2014, Kamino International Logistics BV (C‑129/13) en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV (C‑130/13) tegen de Staatssecretaris van Financiën

In beide hoofdgedingen heeft een douane-expediteur, Kamino in zaak C‑129/13 en Datema in zaak C‑130/13, in opdracht van dezelfde onderneming in 2002 en 2003 aangiften ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen, omschreven als „tuinpaviljoens / partytenten en zijwanden”. Kamino en Datema hebben deze goederen aangegeven onder post 6 601 10 00 („tuinparasols en dergelijke artikelen”) van de gecombineerde nomenclatuur en douanerechten betaald naar het bij die post behorende tarief van 4,7%.

Na een controle door de Nederlandse douaneautoriteiten heeft de belasting- inspecteur zich op het standpunt gesteld dat deze indeling onjuist was en dat de betrokken goederen moesten worden ingedeeld onder post 6 306 99 00 van de gecombineerde nomenclatuur („tenten en kampeer- artikelen”), waarop een hoger douanerecht van 12,2 % van toepassing is.

Derhalve heeft de belastinginspecteur bij besluiten van 2 en 28 april 2005 op grond van de artikelen 220, lid 1, en 221, lid 1, van het douanewetboek aan Kamino respectievelijk Datema een uitnodiging tot betaling uitgereikt tot aanvullende invordering van de méér verschuldigde douanerechten.

Verzoeksters in de hoofdgedingen zijn voorafgaand aan de uitreiking van die uitnodigingen tot betaling niet in de gelegenheid gesteld te worden ge- hoord.

Zij hebben ieder bezwaar gemaakt tegen de hen betreffende uitnodiging bij de belastinginspecteur, die het bezwaar heeft afgewezen na onderzoek van de aangevoerde argumenten.

De door verzoeksters in de hoofdgedingen tegen die beslissingen tot af- wijzing ingestelde beroepen zijn door de Rechtbank Haarlem ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de Rechtbank Haarlem met betrekking tot de verplichting voor verzoeksters in de hoofdgedingen om te voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit de betrokken uitnodigingen tot betaling.

Daarop hebben Kamino en Datema ieder cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

In zijn verwijzingsbeslissingen herinnert de Hoge Raad der Nederlanden eraan dat het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep, gelet op het arrest Sopropé van het Hof, heeft geoordeeld dat de belastinginspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging had geschon- den, aangezien hij de belanghebbenden niet in de gelegenheid had gesteld zich voorafgaand aan de uitreiking van de betrokken uitnodigingen tot betaling uit te laten over de elementen waarop de navordering van de douanerechten was gebaseerd.

De Hoge Raad der Nederlanden merkt niettemin op dat noch het douane- wetboek noch het toepasselijke nationale recht procedurele bepalingen bevat op grond waarvan de douaneautoriteiten verplicht zouden zijn om, alvorens over te gaan tot de in artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bedoelde mededeling van een douaneschuld, een persoon, de douane- schuldenaar, in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de elementen waarop de navordering is gebaseerd.

Daarom heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende, in de zaken C‑129/13 en C‑130/13 ge- lijkluidende prejudiciële vragen gesteld:

1. Leent het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging zich voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

a. moet het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging aldus worden geïnterpreteerd dat het beginsel is geschonden indien de adressaat van een voorgenomen beslissing weliswaar niet is gehoord voordat de administratie jegens hem een bezwarende maatregel nam maar in een nadien volgende bestuurlijke (bezwaar)fase, die voorafgaat aan een rechtsingang bij de nationale rechter, alsnog in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord?

b. worden de rechtsgevolgen van schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging bepaald door het nationale recht?

3. Indien het antwoord op vraag 2b ontkennend is: welke omstandigheden kan de nationale rechter bij het bepalen van de rechtsgevolgen in aanmerking nemen, en met name kan hij in aanmerking nemen of aannemelijk is geworden dat de procedure zonder de schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging een andere afloop zou hebben gehad?

Bij beschikking van de president van het Hof van 24 april 2013 zijn de zaken C‑129/13 en C‑130/13 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1. Op het beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging en het daaruit voortvloeiende recht van eenieder om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, zoals die gelden in het kader van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vast- stelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij ver- ordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, kan door particulieren rechtstreeks een beroep worden gedaan voor de nationale rechter.

2. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen. Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douane- wetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

3. De voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaar- digheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel). De nationale rechter, die verplicht is om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, kan bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof van Jusitie: Sepot geldt als onherroepelijke berechting, zodat het ne bis in idem-beginsel van toepassing is en staat derhalve in de weg aan hernieuwde vervolging in een andere overeenkomstsluitende staat

Hof van Justitie 5 juni 2014, C‑398/12 (Procura della Repubblica v. M)

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Feiten & Procesverloop

Nadat zijn schoondochter Q in de eerste helft van 2004 een reeks aangiften had gedaan, is tegen M, een in België woonachtig Italiaanse onderdaan, in België een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens meermaals gepleegd seksueel geweld, althans wederrechtelijke seksuele handelingen, in België jegens zijn minderjarige kleindochter N (geboren op 29 april 1999) in de periode tussen mei 2001 en februari 2004.

De Belgische politie heeft een uitvoerig onderzoek ingesteld, waarbij over- vloedige documentatie is verzameld, een reeks personen is gehoord (onder wie N) en verschillende deskundigen verslag hebben uitgebracht over de vraag of de minderjarige N fysiek en/of psychisch sporen vertoonde van het geweld waarvan aangifte was gedaan, alsmede om te beoordelen of de persoon die aangifte had gedaan, te weten Q, een betrouwbare getuige was, en of M zelf leed aan een persoonlijkheidsstoornis op seksueel gebied.

Na afloop van dit onderzoek heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Bergen bij beschikking van 15 december 2008 besloten M niet naar de strafrechter te verwijzen, maar hem buiten vervolging te stellen wegens onvoldoende bewijs van de hem ten laste gelegde feiten.

De kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep van Bergen heeft op 21 april 2009 de beschikking van buitenvervolgingstelling bevestigd. Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 2 december 2009 de be- slissing van het Hof van Beroep bevestigd, waarmee de procedure in België definitief is geëindigd, tenzij nieuwe bezwaren opkomen (als bedoeld in de artikelen 246 en 247 Belgische WbSv).

Ondertussen was, nadat Q op 23 november 2006 aangifte had gedaan bij de Italiaanse politie, in Italië bij het Tribunale di Fermo een strafrechtelijke procedure tegen M geopend met betrekking tot dezelfde feiten als die tot het onderzoek in België hadden geleid. Er volgde een uitvoerige in- structie die in wezen dezelfde feiten betrof als tegelijkertijd in België werden onderzocht. Op 19 december 2008 (dat wil zeggen vier dagen na de beslissing van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Bergen om M buiten vervolging te stellen) heeft de rechter van het Tribunale di Fermo M verwezen naar de meervoudige kamer van het Tribunale di Fermo om zich ter terechtzitting te verantwoorden.

Ter terechtzitting van 9 december 2009 van het Tribunale di Fermo heeft M zich beroepen op het ne bis in idem-beginsel, omdat met het een week eerder (op 2 december 2009) door het Belgisch Hof van Cassatie gewezen arrest de parallelle Belgische procedure was geëindigd.

Prejudiciële vraag

Tegen deze achtergrond heeft het Tribunale di Fermo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

  • „Staat een onherroepelijk vonnis tot buitenvervolgingstelling door een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij de Schengenuit- voeringsovereenkomst, dat is gewezen na een uitvoerig onderzoek in het kader van een procedure die kan worden heropend ingeval nieuwe bewijzen aan het licht komen, in de weg aan de inleiding of behandeling van een procedure ter zake van dezelfde feiten en tegen dezelfde persoon in een andere overeenkomstsluitende staat?”

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ar- tikel 54 SUO aldus moet worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Om vast te stellen of een rechterlijke beslissing een onherroepelijk vonnis waarbij deze persoon is berecht in de zin van dat artikel is, moet worden nagegaan of deze beslissing is gegeven na een beoordeling ten gronde van de zaak (Miraglia).

Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat een beslissing van de justitiële auto- riteiten van een overeenkomstsluitende staat waardoor een verdachte onherroepelijk is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen, op een dergelijke beoordeling is gebaseerd (Van Straaten).

Vastgesteld moet dus worden dat een beschikking van buitenver- volgingstelling die is gegeven na een onderzoek waarbij uiteenlopende bewijsmiddelen zijn vergaard en onderzocht, moet worden beschouwd als een beoordeling ten gronde in de zin van het arrest Miraglia, voor zover zij een onherroepelijke beslissing inhoudt over de ontoereikendheid van deze bewijzen en elke mogelijkheid uitsluit dat de zaak wordt heropend op basis van hetzelfde geheel van aanwijzingen.

In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een persoon kan worden geacht ter zake van de hem verweten feiten „bij onherroepelijk vonnis” te zijn berecht in de zin van artikel 54 SUO indien de strafvervolging definitief is beëindigd, zodat de betrokken beslissing in deze overeenkomstsluitende staat tot bescherming uit hoofde van het beginsel ne bis in idem aanleiding geeft (Turanský).

Een beslissing die volgens het recht van de overeenkomstsluitende staat die een strafprocedure tegen een persoon heeft ingeleid, de strafvervolging op nationaal niveau niet definitief beëindigt, kan in beginsel geen procedurele belemmering zijn voor de inleiding of de voortzetting van een straf- procedure tegen deze persoon in een andere overeenkomstsluitende staat voor dezelfde feiten (Turanský).

Onderhavige casus

Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing is de beschikking van buiten- vervolgingstelling na het arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 2009 in kracht van gewijsde gegaan. Derhalve moet de strafvervolging als geëindigd worden beschouwd, zodat zij op het grondgebied van het Koninkrijk België in de weg staat aan hernieuwde strafvervolging van M wegens dezelfde feiten en op basis van hetzelfde geheel van aanwijzingen dat is onderzocht in het kader van de procedure die heeft geleid tot deze beschikking. De artikelen 246 tot en met 248 WbSv. bepalen namelijk in wezen dat de procedure enkel kan worden heropend indien nieuwe bezwaren zijn ingekomen, te weten, inzonderheid, bewijsmiddelen die nog niet zijn onderworpen aan het onderzoek van de kamer van inbeschuldigingstelling en haar beschikking van buitenvervolgingstelling kunnen wijzigen.

Overigens moet eraan worden herinnerd dat het Hof in punt 40 van zijn arrest Bourquain in verband met een verstekvonnis heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat deze strafprocedure naar Frans recht heropening van de procedure zou hebben geïmpliceerd, op zich evenwel niet uitsluit dat dat vonnis als een onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 54 SUO wordt gekwalificeerd.

Handvest

Bovendien moet worden opgemerkt dat het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of ge- straft, eveneens is neergelegd in artikel 50 van het Handvest, zodat artikel 54 SUO in het licht daarvan moet worden uitgelegd.

In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de onherroepelijkheid van de betrokken strafrechtelijke beslissing moet worden beoordeeld krachtens het recht van de lidstaat die de beslissing heeft gegeven.

Vervolgens kan uit de toelichting bij artikel 50 van het Handvest, die voor de uitlegging ervan in aanmerking moeten worden genomen (Åkerberg Fransson), worden opgemaakt dat „[w]at de in artikel 4 van het Zevende Pro- tocol bedoelde situaties betreft, namelijk de toepassing van het beginsel binnen de rechtsmacht van dezelfde lidstaat, [...] het gewaarborgde recht dezelfde inhoud en reikwijdte [heeft] als het overeenkomstige recht van het EVRM”. Aangezien de onherroepelijkheid van een rechterlijke beslissing voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem op eventuele vervolging door een andere overeenkomstsluitende staat er volgens artikel 54 SUO van afhangt of deze beslissing onherroepelijk is in de overeenkomstsluitende staat waarin deze is gegeven, is dit punt van de toelichting in casu relevant.

Uit artikel 4 lid 2, van Protocol nr. 7 bij het EVRM vloeit immers voort dat het beginsel ne bis in idem dat is neergelegd in lid 1 van dat artikel zich niet verzet tegen de mogelijkheid van heropening van de zaak „indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten” die de uitkomst van de zaak zouden kunnen beïnvloeden.

In dat verband heeft het EHRM in Sergey Zolotukhin/Rusland geoordeeld dat artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM „relevant wordt wanneer een nieuwe strafprocedure wordt ingeleid en een eerdere vrijspraak of veroordeling reeds in kracht van gewijsde is gegaan”. Daarentegen kunnen buitengewone rechtsmiddelen niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling of de procedure definitief is afgesloten. Hoewel deze rechtsmiddelen een voort- zetting vormen van de eerste procedure, hangt de onherroepelijkheid van de beslissing niet van de uitoefening ervan af.

Onderhavige casus

In casu kan de mogelijkheid het gerechtelijk onderzoek te heropenen wegens nieuwe bezwaren, zoals vastgesteld in de artikelen 246 tot en met 248 Sv., niet afdoen aan de onherroepelijkheid van de beschikking van buitenvervolgingstelling die in het hoofdgeding aan de orde is. Deze mogelijkheid is weliswaar geen „buitengewoon rechtsmiddel” in de zin van deze rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, maar zij behelst de inleiding, bij wijze van uitzondering en op basis van andere bewijzen, van een afzonderlijke procedure en niet de zuivere voortzetting van de al afgesloten procedure. Overigens kan een eventuele nieuwe procedure die berust op een dergelijke mogelijkheid van heropening tegen dezelfde persoon en ter zake van dezelfde feiten, gezien de noodzaak na te gaan of de gegevens ingeroepen om heropening te rechtvaardigen, daadwerkelijk nieuw zijn, enkel worden ingeleid in de overeen- komstsluitende staat op het grondgebied waarvan deze beschikking is gegeven.

Conclusie

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^